Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al
heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij
wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien,
als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen
zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet
anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al
gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: »ik moet dokter worden!« De
toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een
toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er
ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van
plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel
duidelijk voor zich ziet liggen.
Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden,
dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij
eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij
er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan
studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje
pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit
'n vijf-en-twintig ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd
iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te
mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken.
Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over
gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel
veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op.
Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar
gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als
zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken.
Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak
hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van
den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de
wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest
reëele wereld, die zich denken laat.
Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief
hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was,
dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen
genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde
er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan,
dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet
van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school
en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al
klaar zag.
Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit.
Hij wist zelf niet waarom, maar met zijn vader sprak hij er nooit over.
En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over
sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen,
waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht.
Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel
wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn
vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een
vanzelfsheid.
Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op
hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel
eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot
baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En
't was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had »'n
neus« voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,--echte
revolutiebouw!--had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op
had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes
làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien
had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken
vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de
huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de
hand doen.
Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen
of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem
interesseerde, dan wat op het »vak« betrekking had. Vooral de
advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen »deden«, die
in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke
lang leeg stonden, welke eigenaars er mee »zaten«, en dan lachte hij
genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen
flinkheid en boffen.
Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij
hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper
hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren.
Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een »eigen« voor
hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang
der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van
Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich
zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de
zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden,
hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die
vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al
heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden.
Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger
werd.
* * * * *
»Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?« vroeg hij op een avond
aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat.
Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke
dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk.
»Het toelatings-examen is begin Juli,« zei hij vervolgens.
»Welk toelatings-examen?«
»Voor het gymnasium.«
»Wat moet jij op het gymnasium?«
Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in
zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren
spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd:
jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn
vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat.
»Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?« vroeg Van Kempen nog eens aan
Henk, die hem niet-begrijpend aanzag.
»U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n
omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.«
»Wat klets jij toch van studie, jongen?« barstte Van Kempen uit. »Ik
begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te
worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt.
Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren.
Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me
niet op!«
Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij
figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar
al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog
een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij--of hij voelde 't eigenlijk
niet--dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk
op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende
hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een
heele vies-vochtige vlakte werd.
Hij zei niets meer.
Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van
dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet,
dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan
te grijpen.
Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en
zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de
zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat.
Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte
hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.
Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam
kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte
alleen, en stapte toen in bed.
Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de
dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed
uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je
woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn
kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog
gedurig.
Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar
hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar
was 't weer, dat nare van gisteravond: »Je komt in 't vak, in 't vak,
versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!« Die woorden
waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook
weer dadelijk bij hem op.
Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen even dicht en
toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij
vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn
dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat
nu mogelijk, zijn eigen vader?
Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader
over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te
beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd
zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af!
En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige
was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel
gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden,
dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen,
dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders
boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed,
dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't
misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op
zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei,
die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren
voor zijn geld gekozen.
* * * * *
Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens,
die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het
Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven.
Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders.
Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den laatsten tijd net
voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over
zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang
was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn
vader had er geen woord meer over gerept.
Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij
niet hoe hij 't zou aanleggen.
Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en
naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij
zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en
begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven.
's Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij
't zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen
tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd
hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem
was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't
denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar
zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als
't nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij
tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast
niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest.
Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan
zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe.