Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een
groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der
Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de
menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven,
niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men
nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus
tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen,
dat Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen,
voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het
oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade
tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem
niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem
onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen,
dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij
ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus
geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen
wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat
Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen
eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij
gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus
stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons
alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden
van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën.
Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om
aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te
ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde
tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat
Hij ons gebiedt.