Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door
worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin
de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde;
de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de
hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende
kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook,
in op te sporen.
Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen,
had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet
zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had
het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen
van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets
en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel
is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't
eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.
O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand,
in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien
naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier
zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: _Nu ben ik
gekomen._ Nú! Het groote »nú« van zijn leven is dáár.
In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen,
zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen
voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden
genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten,
die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks
valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker
en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast
punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het
uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat
hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't
einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen
opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem
tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet
het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve
geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen
zwaard in de hand.
Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij
treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat
het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar
zijne vraag: Wie zijt gij? En _wat_ zijt gij? _Zijt gij van ons of van
onze vijanden?_ Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons
keeren?
En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans
niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden
laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór
noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in
hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik
nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke
beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze
hem zegt: _Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik
ben nu gekomen!_ 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen
hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen
en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt,
onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.
En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: _Zijt gij
van ons of van onze vijanden?_ Niet: wat zal de toekomst mij brengen?
Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik
vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets
geheel anders. _Toen_, zoo wordt ons verhaald, _viel Jozua op zijn
aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn
knecht?_
Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat
_zal_ ik? Maar: Wat _moet_ ik? Niet meer: _Hoe_ zal dit en _hoe_ dat?
Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: _Wat wil mijn_ God? En
zooals _Hij_ wil, wil _ik_; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen,
gehoorzamen, volgen.
Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot
alles. Hij is onoverwinbaar.
Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis
van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. _Toen zeide de
Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe
voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig._
Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit
woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van
afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend,
Zijn bizonder eigendom.
En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier
Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't
eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit
geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het
straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor
't oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters
van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie
Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat
heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.
Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met
ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van
heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God
geroepen, door God uitverkoren.
_En.... Josua deed alzoo._ Daarmede besluit het verhaal, even sober als
schoon. En daarmede _kan_ het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd,
is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend.
Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't
verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het
Woord Gods nog altijd voor ons.
* * * * *
_Nú ben ik gekomen._ Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche
verschijning een Josua tegen.
_Nú._ Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het
onze, van die »nú's«. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken,
die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met
zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: _Nú ben ik gekomen._ Nú komt
het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.
We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die
ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten
komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons
moeten inleven. Daar is zulk een »nú«. _Nu ben ik gekomen._
Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar
oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven
geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven
lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken
druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten
wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven
een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan
onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en
stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons
uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een »nú«. _Nú ben ik
gekomen._
En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,--neen, dan wordt het
er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich
onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en
zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij
Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt.
Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op
wijst,--wij weten het niet.
Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons
toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons
bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo
verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er
geen weg en geen licht in. Hoe _dit_ moet, en hoe _dat_ zal. Wat _hier_
te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: _Zijt gij
van ons of van onze vijanden?_ Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal
het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich
tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning
of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?
Ja, vraag maar, vraag maar,--'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw
vragen geen antwoord.
Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan
gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen
antwoord te zijn. Eén, dat begint met »neen« tot u te zeggen. Neen, uw
vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.
Gij ziet louter »menschelijke« gebeurtenissen, louter »menschelijke«
machten, »menschelijke« verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo
is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die
menschen te doen. Met God.
In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en
treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo
aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u
gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt,
en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem
't eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in
de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de
Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te
vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo
vriendelijk toeroept: _Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en
belast zijt, en Ik zal u rust geven._ Neen, maar God als een gewapend
man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt
dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons
vervult. En toch is het God.
En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij
later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God,
zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en
de Onbegrijpelijke tot ons komt, als »God« willen aanvaarden. 't Ook
dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.
Wij kunnen »neen« zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden
zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij,
in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen,
waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil
het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem
het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij
niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle
hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader.
Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan
moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons
tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: _Zoo God vóór
ons is, wie zal tégen ons zijn?_ Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo
God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur
en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit
ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan
moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons
zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen.
Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met
een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't
bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.
[Illustratie]
Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua
zien doen, _neêrvallen en aanbidden_. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen
Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele,
dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God
eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het
op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar
vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets
anders: _Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_ Niet: Wàt zal het zijn,
dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis?
Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen?
Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te
doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en
om ons te weten.
Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons
beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen
verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende,
het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij
leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij
strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik
nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste
donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: _Vrees niet want Ik
heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult
gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren.
Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God
liefhebben, werken alle dingen mede ten goede._
Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel
droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al
wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt,
het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in
figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en
nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij
ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: _Heb maar geen
angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid
zien zult?_
En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods
heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op
wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.
Alles wordt anders. 't Gansche leven »heilig land.« Overal heilig de
bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn
samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór
ons;--'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert;
iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te
zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten.
't Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons
tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't
allermoeilijkste heenhelpt.
_Alles is het uwe._ Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles,
't leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles,
de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de
dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en
wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn
alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben
te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. _Doch
gij_, zoo vervolgt de Apostel, _zijt van Christus, en Christus is van
God_. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet
meer toebehooren. Gij dient.
Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te
wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige
taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk
van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.
Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór
ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons
zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij
licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar
wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij
gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.
Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.