De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte
naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in
beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den
grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De
wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet
bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte
activiteit.
Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen,
als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide
bewegingen geheel van elkander onderscheiden.
Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte tot den wil.
Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is
eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd.
Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid.