Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een
strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van
oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job
vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd
eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd
meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren
kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische
brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd
herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den
goeden strijd te strijden.
Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden
zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw
Testament waardeeren het leven als strijd.
En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo
ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende
levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei
vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig
antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch
bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. Strijdende, iederen dag
op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de
juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit
ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij
leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het
vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons
leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart
geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen,
hebben gevonden.
Alzoo, het leven is een strijd.
Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten,
waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te
weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is
iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden
moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor
strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen?
Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het
doel van onzen levensstrijd kennen.
Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel
van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar
te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij
henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene
venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen.
Wij komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee
duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van
waar of het waarheen kent.
Zoo zegt men.
Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te
spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen
wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de
bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld
henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt
zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus
wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het
leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin
hij zich bevindt, voort te zetten.
Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking »toekomst« van
Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden
van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in
het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen,
dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het
dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren
omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der
oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het
werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen,
indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld
een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid
alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar
af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In
Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden.
Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt in de bekende
uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het
woord toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of
Keizer binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid
gebracht. De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een
binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie
werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst
van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te
vervangen door paroesie.
Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het
Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het
Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt
daardoor voorkomen. Het woord »toekomst« zegt bovendien zoo weinig. Het
zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is
dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk.
Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van
Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst
van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij
menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden
bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze
wereld.
Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente.
Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op
iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het
Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament.
Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen
uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël
uitgezien naar de komst van zijn Messias.
Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode
van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de
gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de
mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd.
Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt.
Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het
moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in
de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert,
er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een
volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël.
Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over
Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met
ongeduldig verlangen. »Och, dat gij de hemelen scheurdet«!
Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het
zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de
toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de
toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware
tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het
devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift
op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt.
Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het
middelpunt.
Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den
achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij
geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van
Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler
toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: »van
waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.« Dat is
dan alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der
eerste Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar
den Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht
sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: »Judex ergo cum sedebit,
quidquid latet apparebit nil inultum remanebit«[1], de dag van Christus
was een dies irae geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld
deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus
niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III)
als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen
zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het
oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten
gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het
wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare
voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te
worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt:
de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst het zondige, dat
ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele
blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt
voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven.
[1] Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal alles wat
verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken blijven.
Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven
geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde?
Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den
mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig?
De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons
openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de
openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze
toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van
Christus.
En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting
tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van
Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze
gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen
»te werken met hunne eigene handen.« Mede door de prediking van den
komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen
arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet
nabij?
Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft
ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij
komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit
het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd
omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet
overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te
arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet
uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken
nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze
conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid
Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan
gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich
zelven niets doen tenzij hij den Vader dat ziet doen (Joh. V:19). Wij
zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet
meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den
Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet
alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde
woord aldus eindigt: »Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon
desgelijks.« De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals
het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt
zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is
voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods
overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons
werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt
voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief,
werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het
onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de
toekomst van Christus bron wordt van oneindige kracht en voortdurende
prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van
Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen
door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus
komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn
arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden
geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe
wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een
abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze
wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar
daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want
Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. »Mij is
gegeven alle macht in hemel en op aarde.« De wereldvernieuwing, waarop
wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan.
Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke
verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De
verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in
Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van
Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het
werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer
dan dit: zij geschiedt door hen.
Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat
wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet
te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der
wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden zonder
gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit
gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op
iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den
komenden Christus is gewaarborgd.
Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het
achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft
op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in
heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei.
Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld
neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch
niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich
behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een
vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met
het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst
van Christus werd het christendom wereldsch.
Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de
monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij
ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig
geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn
klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van
den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de
eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar
men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat
hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal
kunnen overwinnen, indien de almacht van den Christus, die de wereld
overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet
achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te
meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen.
Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt.
Wij, protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij
ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren.
Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer
men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd
met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet
er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het
streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich.
Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld.
Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit
compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor
de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld
doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan
slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in
den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige
ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de
Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te
gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een
klooster uit de wereld terugtrekt?
Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. Eerst met
de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch
zijn.
Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht
en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch
geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was
geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer
kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel
arbeid.
Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door
de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den
komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle
zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt
voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een
schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een
vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen
paroesie-Christen.
Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat
men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is.
Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het
Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen,
het eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij
zoeken het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om
buiten de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in
onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die
dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje
Koninkrijk.
Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om
het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij
onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk,
d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen
orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het
huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk.
Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een
doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende
Koning.
Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan
onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de
parousie des Heeren.
Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in
Duitschland noemt: een confirmandenbuch.
Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord
regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en
bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt
voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de
christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van
Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u
in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het
misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat
anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk
Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk
Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat
werken voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken,
lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst.
Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn
niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus.
Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de
rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen
protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme
heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods
en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts.
Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden
in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk
werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men
doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel
wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij
de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling
preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een
heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk
de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om
Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een
echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van
wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en
wezenlijk Roomschen zijn?
Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld
ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen.
Wee dengene, die zijn post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God
u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd
voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting
van wereld in Koninkrijk.
Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te
moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in
aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt
en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal
openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier
der Christelijke Gemeente met haar oude devies:
_Maran-atha_
_De Heer komt._