ALS EEN NEVEL

De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles

dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras

en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen

en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en

ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den

dood.

Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de

grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was,

heft zich op; wat weggedoken was, schudt zich de wieken vrij; wat

verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet

zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt,

binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met

de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende

leven terug roept.

En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer

pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel,

die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van

dankbaarheid voor genoten verlossing.

Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied

is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij

sidderen als bij de nadering van den dood.

Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene

op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer

een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte.

En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en

koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht.

Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden

wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog

en die het genoten licht weerkaatst.

Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: »Ik delg uwe

overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.« Jes.

44: 22.

Op de Levensreis · 第 16 / 36 题