»Zoo kind.«
»Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?«
Deze begreep haar. »Boesveld,« zeide zij, »uw dochter is heelemaal
niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is
de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't
sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk
gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze
behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging,
al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar
omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde
ze zoo graag.
»Maar nu niet meer zuster.«
»Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan
te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort
met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had
haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in
een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: »Zou je
het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten
loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom
wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo
donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.« »Je moet niet met den
rug naar 't licht gaan staan«, zei de dominee, is 't niet Geertje?«
De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest
oppassen, dat hij niet ging huilen.
De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als
Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den
Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles
licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had
't bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te
varen.
Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote
tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden,
dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij
was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den
strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking
zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al
bezat ze 't zelve niet.
Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg.
Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze
fluisterend: »alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar
't licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht...
Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben
genomen, bleef ze roerloos liggen.
Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was
bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen
zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En
hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats
dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd.
Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben
gezegd, dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou
ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had
geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met
zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij
zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven.
Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich
in huis nam?
't Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister
leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan
altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken,
als 't moest, dan moest het!
Toen werd het weer heelemaal duister.
Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje.
Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets
te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch
eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben
gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in
hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag
nu zoo rustig.
Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens
terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te
moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden
morgen zouden ze heel vroeg terug komen.
Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht.
't Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten op de zaal
waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten
schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open
deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't
licht brandde.
Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde
't tikken van de klok.
Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: »'t Hijgend
hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de
frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!« De zieken
werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren.
't Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een
engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar
oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem
dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en
nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar
laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden
in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe
en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij
achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder.
»Geertje, wat is er?«
»Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is....
dan.... 't leven.«
Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer.
Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje
kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had
't niet erg op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de
zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem
stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: »ik
dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.«
»O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan
haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.«
Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf
ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg!
Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: »zou je denken, dominee,
dat Geertje gelukkig was?«
»Boesveld,« antwoordde deze, »gelooft u niet, dat, wie zich naar 't
licht toekeert, een kind des lichts is?«
Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol
aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: »ik dank u.« Toen keerde hij
zich om, en ging met Jenneke de zaal af------------------------
* * * * *
En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.
Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn
spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden
dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht
dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met
Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit
den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en
bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog
in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den
bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen
dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.
Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt.
Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar
blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer
rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.
Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór
haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard
te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had
gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo
schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij
had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.
Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam.
Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.
Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de
ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of
hij Geertje's stem hoorde: »Vader, niet met je rug naar 't licht gaan
staan!«
Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan.
Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper
en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar
alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de
hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.
En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van
lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog
zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend
zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem
van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden,
blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een
ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar
jonske in zijn armen.
»Mag ik dat kind hebben?« wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze
weg.
Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij
met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je
er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel
in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie
zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien,
dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar
één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna
met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't
kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast
haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat
Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms
te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij,
dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij
tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet
goed had gedaan.
Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de
vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën
in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën
gebleven.
De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als
je'm tegenkwam en je vroeg: »Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?«
dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't
antwoord steeds: »best, jong, best!«
En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat
bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente
is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar
eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien
weg.
De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is
natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den
invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.
Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in
de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had
gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw
te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde
niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder
drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één
van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij
hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's
lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout.
Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.
De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar
zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel
door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar
als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't
overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles
in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in
feestgewaad te verschijnen.
Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken,
zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was
opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk,
krachtig Lenteleven.