Port Arthur is een der merkwaardigste herinneringen, die mij van mijn
laatste reis bijgebleven is. Maar voor dat wij bij de stukgeschoten
forten van de beroemde vesting komen, verwijlen wij een oogenblik bij
het verder rukken der Slaven naar het Oosten, gedurende de vier laatste
eeuwen.
In het begin der zestiende eeuw begonnen Russische kooplieden
factorijen aan de Kama, de groote zijrivier van de Wolga, aan te
leggen, en van Samojeden en Oostjaken dierenhuiden op te koopen. In de
tweede helft van dezelfde eeuw trok Jermak met 800 kozakken naar
West-Siberië en ontrukte het land aan de Tartaren. De Kozakken volgden
de kooplieden op den voet. Blokhuizen en kerken werden in de bosschen
gebouwd, gaandeweg werd doorgedrongen tot aan het Altaigebergte en de
Jenisseï en duizenden huiden van sabeldieren, hermelijnen, eekhoorntjes
en vossen werden naar Rusland afgeleverd. In de dertiger jaren van de
zeventiende eeuw zetten de Kozakken en kolonisten hun voorposten steeds
verder vooruit, totdat zij Jakoetsk en de zee van Ochotski, den Amoer
en den Stillen Oceaan bereikten. Toen zond de Czaar gezanten aan den
Keizer van China. Tusschen Kiachta en Peking werd een druk gebruikte
handelsweg aangelegd en in Peking hadden de Russen hun eigen
karavanseraï’s, waar zij thee en zijden stoffen in magazijnen
opsloegen, om later te verzenden, en waar zij ook hun eigen
Grieksch-Katholieke kerk hadden. Twee honderd jaar lang trokken
kameelkaravanen tusschen Kiachta en Peking heen en weer.
Maar een nieuwe tijd brak voor Siberië aan. De in 1891–1904 aangelegde
groote Trans-Siberische spoorweg die niet minder dan 450 millioen
gulden heeft gekost, schoof haar rails door de bosschen. De
dwarsleggers groeiden toch in het bosch, men behoefde ze slechts te
vellen, of het hout om te bouwen des winters met sleden uit den omtrek
te halen, het rollend materiaal en de rails werden steeds verder naar
het Oosten gebracht. Door een overeenkomst met China verkreeg men
toestemming, de spoorlijn dwars door Mandschoerije naar Wladiwostok aan
de Peter de Groote-baai, te leggen. Maar deze haven bevriest ’s
winters. Wel kan ze door ijsbrekers open worden gehouden, maar Rusland
verlangde naar een ijsvrije haven aan de kust van den Stillen Oceaan.
Deze werd verkregen op den dag, toen de Russen Port Arthur in bezit
namen! Van Charbin werd een spoorlijn naar de beroemde vesting gelegd,
en de vesting zelf in de paar volgende jaren in uitnemenden toestand
ter verdediging gebracht. Daarmede had Rusland zijn doel bereikt, verre
horizonten openden zich nu naar alle kanten voor het land, de
verovering van Korea, de handel op Japan en China, ja misschien zelfs
de heerschappij op den Stillen Oceaan! Maar op deze gebeurtenis had
Japan zich zwijgend en geduldig in den loop der jaren voorbereid. Het
land van de Opgaande Zon wilde zich niet door het gewicht van Rusland
laten verstikken. Zoo kwam het tot een beslissenden strijd en de stoute
plannen van Rusland werden verijdeld, toen de Russische soldaten
moesten zwichten voor de Japansche veroveraars van Port-Arthur.
Den tweeden en derden Kerstdag van het jaar 1908 bracht ik in
Port-Arthur door. Ik was er met den spoortrein heengegaan, die van
Moekden langs een reeks plaatsen gaat, welke bekend zijn door de
oorlogstooneelen der wereldgeschiedenis. Tusschen Dalnij en de vesting
ziet men slechts eenige Chineesche dorpen, die maar schaarsch door
boomen zijn omgeven, verder is de streek kaal. Op een huisje in het
dorp Schursche-in waait nog een wit vaandel. In dit huis ontmoetten de
generaals Stessel en Nogi elkaar op den tweeden Januari 1905, nadat de
eerste de vesting aan den Japanschen bevelhebber had overgegeven.
Hoe meer wij naderden, des te helderder kwamen de heuvels in het zicht,
welke de haven omgaven. Zij waren alle door de Russen zeer versterkt:
links het Dennenfort, het fort der beide Draken, het Wachttorenfort, en
de Oostelijke Ki-Kanschan, waar de dappere generaal Kondraschenko en
elf officieren, die voor een krijgsraad bijeen waren gekomen, werden
gedood. Rechts verheft zich een mooi gedenkteeken, dat de Japansche
regeering liet oprichten voor de Russische soldaten, die bij de
verdediging van Port-Arthur waren gevallen; het is omgeven door een
aantal witte steenen kruizen binnen een muur. Elk kruis duidt een
bepaalde plaats aan in het gebied der vesting. Aldus rusten onder een
en hetzelfde kruis al de Russen, die gevallen zijn op den
Tweehonderddriemeterheuvel. En alleen onder dit kruis wachten 6100
soldaten op den dag der opstanding!
Nu vertoont zich de haven, die aan een fjord doet denken. Een
strandheuvel aan den ingang wordt versierd door een gedenkteeken voor
de gevallen Japanners. Dit gedenkteeken dient tegelijkertijd tot
vuurtoren, zoo wijzen de dooden den levenden den weg.
Eindelijk houdt de trein voor Port Arthur stil. Eenige Japansche
officieren, waaronder de commandant der vesting, heeten mij welkom.
Ons eerste uitstapje geldt het museum. Op den weg daarheen, rijden wij
voorbij het paleis van den voormaligen Russischen onderkoning Alexieff,
voorbij de werf der vloot, het hospitaal, en het ziekenhuis van het
Roode Kruis. Het voorplein van het museum is door een heining omgeven,
die gemaakt is van wielen van artilleriewagens, prikkeldraad en andere
verdedigingsmiddelen. Aan beide zijden van den ingang staan Russische
kanonnen op een rij. Nu gaan wij de eerste zaal binnen. Gedurende de
belegering drong een Japansche kogel door de muren; bij de gaten die er
door ontstonden hangen kleine briefjes met verklaringen, want ook deze
spleten behooren tot de tentoonstelling.
Hier is het kozakkenzadel van generaal Stessel met riemen en dekkleed,
ginds enkele der enterladders, van welke de Japanners zich bedienden
toen zij bruggen beproefden te slaan over de grachten van het slot.
Eenige schreden verder staat een bundel Japansche vaandels, waarmede de
Russen hunne vijanden meenden te verschalken. Daarop volgt een lange
reeks glazen kasten. Ze bevatten Russische uniformen van officieren en
soldaten met al hun onderscheidingsteekens; verder mutsen en laarzen,
banieren en vaandels, telefoon- en telegraafapparaten, electrische
batterijen en signalen, spaden, houweelen, bijlen, springmateriaal, en
ontelbare werktuigen die men gebruikte bij het opwerpen van vaste of
tijdelijke forten, verschansingen, en andere verdedigingsmiddelen. Daar
zijn mijnen, torpedo’s en handgranaten, kogels en pantserplaten, de
laatste zoo doorschoten, dat zij er als een zeef uitzien, en geheele
stapels granaatsplinters, welke men uit de heuvels heeft gehaald, die
maandenlang waren blootgesteld aan het moordend vuur der Japanners.
In een tweede zaal zijn de voertuigen van het Russische hospitaal en
der ambulance tentoongesteld, proeven van den Russischen proviand,
gedurende den laatsten tijd der belegering, en de koperen instrumenten
en trommels van verschillende marschcorpsen die nu voor altijd zijn
verstomd, sedert in Port Arthur de laatste Russische parademarsch
weerklonk. In andere glazen kasten zijn balkleederen en witte zijden
schoenen uitgestald van de Russische officiersvrouwen.
Het grootste deel van de volgende zaal wordt door vier groote tafels in
beslag genomen; zij dragen de modellen van twee forten, hoe zij er voor
en na de bestorming uitzagen. Een majoor der artillerie die zelf meê in
het vuur geweest is, gaf mij van alles de verklaring en vertelde zijn
herinneringen uit die vreeselijke dagen. Bij de modellen toonde hij
mij, waar mijnen en contramijnen in den grond waren gelegd, en bleef
vooral stilstaan bij die plekken in de loopgraven, waar de Russische en
Japansche soldaten met elkaar konden spreken, voordat zij elkaar het
leven benamen. Zijn verhaal was ontzettend, en toch volgde ik zijn
woorden met ademlooze spanning, want er ligt iets tooverachtigs in den
vuurgloed van die dagen, en met bewondering luisterde ik naar de
schildering van den heldenmoed en de waanzinnige doodsverachting der
soldaten.
Den 27sten December werd ik bij zonsopgang gewekt, en reed uit met een
vriend, den majoor en vijf andere Japansche officieren om de forten te
bezichtigen. Gedurende de verwarring der belegering namen de daar
wonende Chineezen de gelegenheid te baat, zoo veel Russische droschken
als ze maar machtig konden worden te stelen en te begraven. Toen de
rust was teruggekeerd hadden zij de wagens weer uitgegraven en nu
wemelde het van Chineesche Iswoschtschikas in deze vroeger Russische,
nu Japansche stad.
Spoedig hebben wij den voet bereikt van den Tweehonderddriemeterheuvel,
en beklimmen de steile, met puin bedekte helling. Onderweg komen wij
langs de noodgraven, waarin de Russen, na de eerste bestorming, hun
dooden begroeven. Over den ganschen heuvel vertoont de grond twee
tinten, grijsgeel en roodbruin. Van het grijsgeel is niet veel meer te
zien; het roodbruin is bloed, dat in den grond is gesiepeld!
Eindelijk bereiken wij den top van den heuvel en slaan een blik op het
omringende landschap. Alle heuvels en hellingen in onze nabijheid zien
er zonderling gestippeld, bijna pokdalig uit; dat komt door de gaten,
die de kogels en granaten veroorzaakten! Van het fort, dat op den top
had gestaan, was zoo goed als niets meer te zien. Alles was
weggeschoten en de heuvel is nu ook niet meer 203 meter hoog. De heuvel
was van buitengewoon groote beteekenis, want van hier kon de haven
beheerscht worden, en alle andere vestingen waren van zijn hoogte
zichtbaar. Hij was de sleutel tot Port Arthur. Nadat de Japanners
eenige naburige forten hadden genomen, concentreerden de Russen al hun
tegenstand op den Tweehonderddriemeterheuvel en omringden het fort er
op met dubbel prikkeldraad en loopgraven, die weer door plaatijzer en
hoopen rails werden beschermd. Boven was belegeringsgeschut en
snelvurende kanonnen van verschillend kaliber opgesteld. De verovering
van dit fort was een ontzettende taak.
Den 19den September 1904 beproefden twee compagniën der Japanners in
kogel- en granaatregen den heuvel te bestormen, maar reeds 200 meter
van de eerste loopgraven was meer dan de helft gevallen. Na
verschillende nachtelijke aanvallen namen de Japanners de eerste
loopgraven en den 22sten November beklommen twaalf compagniën, 2400 man
in het geheel, den heuvel, vast besloten hem tot elken prijs te
veroveren. Zij gingen het vuur der veldkanonnen van de Russen
regelrecht tegemoet. De eerste rij werd tot op den laatsten man
neergeschoten, de lijken vulden de loopgraven en maakten het
voortrukken der daaropvolgenden niet gemakkelijker. Toen van de 2400
man nog maar 318 over waren, trokken zij terug. Slechts enkelen bleven
boven, het vaandel der Opgaande Zon zwaaiend, totdat ook zij dood
neervielen.
Daar nieuwe aanvallen even ongelukkig afliepen, liet Nogi zware
artillerie aanrukken, die aanzienlijke schade aan het fort toebracht.
Nieuwe stormcolonnes werden van verschillende kanten in het vuur
gezonden en door de Russen neergemaaid. Maar geen duim breed grond werd
gewonnen! Den 28sten November ging het twee nieuwe bataillons eveneens,
en de heuvel werd met hoopen gevallenen bedekt. Van verschillende
bestormingen kwam geen enkel man terug! Het gelukte eindelijk aan een
derde bataillon, den top te bereiken, maar het kon niet stand houden
tegen de woedende aanvallen der Russen. Wie van de veroveraars nog
leefde, werd van alle kanten omsingeld en neergemaaid. Aan den
volgenden stormloop namen 1000 Japanners deel, van welke 840 vielen!
Den 30sten namen de Japanners den heuvel weer in, maar werden den
volgenden dag nog eens door de Russen verdreven.
Na een rust van twee dagen veroverden de Japanners ten slotte den 5den
December den geheelen heuvel toch en sloegen nu alle
heroveringspogingen der Russen af. Gedurende de tien dagen van den
eigenlijken strijd om het bezit van den heuvel, hadden de Japanners aan
dooden 104 officieren en 2261 soldaten verloren, en aan gewonden 184
officieren en 5029 soldaten. Ongeveer 7000 Russen waren gevallen. De
verovering van Port Arthur heeft de Japanners in het geheel 65.000 man
gekost, en de verdediging der Russen 25.000! Maar het ging ook om de
heerschappij op den Stillen Oceaan!
Twee dagen later konden de Japanners van den Tweehonderddriemeterheuvel
hun vuur richten op de schepen in de haven en deze werden nu
gemakkelijk buiten gevecht gesteld.
Terwijl onze mantels fladderden in den snijdend kouden Noordenwind,
namen wij den met bloed gedrenkten heuvel in oogenschouw, het geheel
doorschoten fort en de ingestorte loopgraven. De majoor wees mij een
plek, waar een Russische en een Japansche loopgraaf in scherpen hoek op
elkaar stieten; hier bij den hoek had een moorddadig gevecht plaats
gehad. De strijdenden stonden slechts drie meter van elkaar verwijderd
en wierpen handgranaten onder de vijandelijke troepen. Toen de granaten
op waren, slingerden zij steenen, en toen de afstand zelfs voor de
bajonetten te kort werd, vielen zij als wilde dieren op elkaar aan,
beten en krabden en beproefden wederzijdsch elkaars hals af te snijden!
De heuvel is niet grooter dan dat een middelmatig groot huis bovenop
zou kunnen worden geplaatst. Ik vroeg den majoor, hoe 9000 lijken op
deze hellingen plaats hadden kunnen vinden; hij antwoordde mij, dat zij
op enkele plaatsen verscheiden lagen hoog hadden gelegen en dat men
twee dagen wapenstilstand noodig had gehad om de dooden weg te ruimen
en plaats te maken voor nieuwe oogsten.
De terugtocht leidde ons door de nieuwe stad, met haar aardige, doch
leege huizen; Chineesche plunderaars hadden hier deuren en vensters en
alle roerende goederen gestolen. Toen wij voor het fort stilhielden,
waar Kondratenko den 15den December 1904 door een elfduims dikken
granaat werd gedood, hernam de majoor zijn verhaal. Van dit fort had ik
het model in het museum gezien en was daarom tamelijk op de hoogte van
zijn onderaardsche gangen. Nu lag alles in puin, doorschoten en
gesprongen door granaten en mijnen. Wij gingen gebukt of kropen
tusschen de puinhoopen der casematten, of een bomvrije gewelfde gang,
waar Russen en Japanners onder den grond moorddadige gevechten hadden
geleverd en achter hoopen gedoode kameraden bedekking voor het vuur
hadden gezocht. Onder ontzettende verliezen hadden de Japanners deze
casematten bereikt; zij hadden naar de gracht van het fort loopgraven
gemaakt en toen zij er nog vijftig meter van verwijderd waren, groeven
zij een mijntunnel. Op zekeren dag hoorden de Japansche geniesoldaten
in den mijntunnel een knarsend geluid, het waren de Russen, die een
contra-mijn groeven om de Japansche mijn te vernietigen. De Russische
mijn sprong het eerst en de Japanners in de naburige gang werden in
stukken gereten. Maar de uitbarsting vernielde ook een deel van het
fort en door de ontstane bres stormden de Japanners naar binnen. Men
meent bijna te stikken, als men door deze donkere, nauwe casematten
dringt, waarin de eene compagnie na de andere werd gezonden om zich
door moorddadig vuur te laten dooden. De Japanners moesten langs
spleten in den muur, waaruit de Russen hen man voor man neerschoten. En
in de gang zelf stonden de vijanden zoo dicht op elkaar, dat zij elkaar
konden beroepen. De Russen streden met dezelfde doodsverachting als de
Japanners en beider heldenmoed was bewonderingswaardig. Bijna alle
verdedigers van dit fort werden gedood en de enkelen, die de bestorming
overleefden, waren zonder onderscheid gewond!
Nadat wij de crypte, waarin Kondratenko is gevallen, in oogenschouw
hadden genomen, reden wij een der „hanenkam forten” voorbij, dat nooit
veroverd is geworden. De verdediger, kapitein Wagnet, geraakte in zulk
een woede over de capitulatie van Stöszel, dat hij, verre van het bevel
te gehoorzamen, het fort in de lucht liet springen. Verder zag ik een
versterking, welke de Japanners het „spookfort” noemden, omdat zij er
steeds rook uit hadden zien opstijgen. Daar hadden de Russen een
keuken!
Zeker is, dat de Japanners nu in Port Arthur geheimen hebben.
Verschillende forten worden niet getoond aan vreemdelingen. Maar de
vesting heeft voor hen niet meer dezelfde beteekenis, als ze voor de
Russen had. Rusland had een sterk punt in het uiterste Oosten noodig,
terwijl de Japanners een voortdurende bedreiging van hun nabijliggende
eilanden niet konden verdragen. Voor hen is de hoofdzaak, dat geen
vreemdeling Port Arthur bezit. Daarom werden, na den oorlog, slechts
weinig forten weer in orde gebracht en het garnizoen bedraagt slechts
2000 man. Bovendien wonen 4000 Japanners en even zooveel Chineezen
binnen het gebied der vesting.
Ten slotte reden wij naar de haven, waar vier Russische slagschepen,
twee kruisers en 59 kleine oorlogschepen door de Japanners werden
genomen. Wij gingen op een voormalig Russisch stoombarkas, en gedurende
een tocht in de haven en naar de buitenreede, hield een Japansch
zeeofficier een leerrijke voordracht over gebeurtenissen, die drie à
vier jaar geleden waren gebeurd en de gansche wereld in spanning hebben
gehouden. In den 400 meter breeden ingang wees hij mij de plaats, waar
de door dichters bezongen luitenant Hirose en zijn manschappen onder
het vuur van het Russische fort, twee schepen in den grond boorde, om
den ingang te versperren, en de in de binnenhaven liggende Russische
schepen als in een muizenval te vangen. Toen Hirose en zijn kameraden
voor dit moeilijk werk, van hetwelk niemand terugkeerde, vertrokken,
hield admiraal Togo een toespraak tot hen, beval hen: „in het graf te
gaan” en dronk hen met water toe!
Op de buitenreede drijven een menigte roode boeien op de oppervlakte
der zee. Deze wijzen de plaatsen aan, waar negentien schepen door
mijnen en torpedo’s in den grond werden geboord. Een vierde mijl naar
het Zuid-Oosten van den ingang ligt het Russische vlaggeschip
Petropawlowsk, 23 vademen diep. Slechts vier man konden zich redden,
toen dit schip, 13 April 1904, zonk, en onder de verdronkenen bevonden
zich admiraal Makarow en de groote schilder Wereschtschagin, die beiden
een beter lot hadden verdiend. Een halve mijl verder Zuid-Westelijk
ligt 19 vademen diep, het slagschip Sebastopol. Zoowel de voor- als de
achtersteven van het schip zijn door boeien aangegeven.
Voor dat de winterschemering was gedaald bevond ik mij weer in de
binnenhaven. Ik nam afscheid van mijn Japansche vrienden en een extra
trein voerde mij van de sombere, gedenkwaardige vesting weg.