De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van
China, wordt gevormd door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht,
op een Chineesche slede, ben overgegaan om Antoeng, aan den
noordelijken oever van de Jalu, een stad met 5000 Japansche en 40.000
Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich de eenige
brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd.
Onder den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat
het brak was de slede, die door een Chinees met een langen stok werd
voortgestooten, er reeds over heen gesuist.
Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een
genoegelijken tocht met den spoortrein. De afstand tot Moekden is
slechts 320 kilometer; toch duurt de reis daarheen twee lange dagen.
Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan en Rusland
gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te
zenden. Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een
trein bereikt zelden zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche
consul te Antoeng had op acht ritten niet minder dan vier
spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was de trein
met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de
machinist echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te
rijden en ik legde den afstand dan ook af zonder ongeval.
De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en,
bevroren tusschen pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en
weer geschud. Twee langwerpige metalen kisten, gevuld met gloeiende
kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet bevriezen. Op een klein
station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief eerst
op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling
opklautert. Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den
trein met alle wetten der zwaartekracht te spotten, en het was haast
onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond terecht
kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men
bijna met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt.
Het was Kerstavond 1908, toen ik te Moekden, de hoofdstad van
Mandschoerije aankwam, waar ik bij den Japanschen consul logeerde. Bij
Moekden werd van den 26sten Februari tot den 10den Maart 1905 de
bloedigste slag van den Russisch-Japanschen oorlog, ja een van de
grootste der wereldgeschiedenis geleverd. Hier streden 850.000 man met
2500 kanonnen tegen elkaar, en 120.000 dooden bleven op de plaats
liggen! Twintig dagen heeft het geduurd, voordat de door de Japanners
ingesloten Russen den terugtocht aanvaardden. Nu waren de Japanners
meester van Mandschoerije, maar dit werd na den vrede weer aan China
teruggegeven.
In de straten van Moekden heerscht een bont, aantrekkelijk leven. De
lange, slanke Mandschoes zien er krachtig en zelfbewust uit. De vrouwen
vertoonen zich maar zelden buitenshuis; zij dragen het haar in hooge
wrongen op het hoofd, en verminken, in tegenstelling met de Chineesche
vrouwen, hun voeten niet. Tusschen het gewoel der inboorlingen ziet men
veel Chineezen, kooplieden, officieren en soldaten, in heldere gewaden,
met blanke knoopen, Japanners en Mongolen, nu en dan ook Europeanen. Op
de breedere straten klinkt vroolijk het bellen van den paardentram. De
huizen zijn aardig en soliede gebouwd en overdekt met bont, beschilderd
snijwerk, draken, papieren lantarens, aankondigingen in zwarte
Chineesche letters op roode schilden. De winkels zijn aan de
straatzijde open, en tusschen de houten zuilen van de voorgevels liggen
de waren op tafels uitgespreid. Naar de vier hemelstreken heeft Moekden
prachtige stadspoorten, in voornamen Chineeschen bouwtrant. Maar rondom
strekt zich een kale woestenij uit, vol graven.
In Pei-ling, het „Noordelijk graf”, rust de eerste Chineesche Keizer
der Mandschoedynastie, en naast hem zijn zoon, de groote Khang-hi, die
een en zestig jaar het Rijk van het Midden heeft geregeerd. Pei-ling
bestaat uit verschillende op tempels gelijkende gebouwen. Allereerst
komt men in een hal, met een geweldigen steenen schildpad, die een
steenen tafel met Chineesche en Mongoolsche inschriften, ter
verheerlijking van den dooden Keizer, draagt. Diep in het stille park
ligt het graf zelf, een geweldige steenen kolos, met gewelfd dak. In
een afzonderlijk paviljoen is de Keizer gewoon zijn godsdienstoefening
te verrichten, voordat hij de graven zijner voorouders bezoekt. Onder
naaldboomen staren steenen paarden, olifanten en kameelen elkaar en de
bezoekers aan.
In het „Oostelijk graf” rust Keizer Tai-tju, de groote stamvader, die
ongeveer drie honderd jaar geleden den grondsteen legde van den Gelen
Tempel „Hwang-tje.” Deze tempel is de grootste Lamatempel van
Mandschoerije; de abt was een dikke Mongool, gastvrij en beleefd, maar
wat aanmatigend. Hij werd echter veel vriendelijker, toen hij vernam,
dat ik vijftig dagen lang de gast was geweest van den Taschi-Lama.