Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar
in Kobe woonde en van zijn vriendelijke familie voer ik den avond van
dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den 11den
November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de
opgaande zon schenen zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de
nachtelijke uren stoomde het schip den Stillen Oceaan in en stevende
ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten. De hemel was donker,
en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige,
staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en
grijs, ginds in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan
Nieuw-Genua en Australië zou komen, en hier in het Oosten, waar men,
steeds verder varend eindelijk de kusten van Californië zou bereiken.
De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde
breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de
periodieke winden van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van
de zee, en brengen regen, terwijl de winter tamelijk droog is, daar dan
de wind uit tegenovergestelde richting waait. In het algemeen is Japan
echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en ook is er een
groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke
deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven
maanden.
In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken,
want nu zou de Foejijama in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was
nog niets te zien; maar de sneeuwtop van den berg zweefde reeds flauw
wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht naar de Foejijama en
met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu
vertoonde de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter
alleen de top met een merkwaardig regelmatigen vlakken kegel, die van
boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van den krater; want de Foeji
is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen rustte.
Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar
nog steeds was alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld
tusschen de wolken en toen wij aan de kust voor anker gingen, verhief
zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren nu vlak bij den berg, en ik
kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de avondzon de
sneeuwvelden purper deed glanzen.
De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste
berg van Japan. De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778
meter boven den spiegel van de Stille Zee.
De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels
en heiligdommen bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan
ontelbare geloovigen ter bedevaart naar zijn top. Hij is de trots van
Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon bezit. Sedert het
grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook door
allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst.
Op welke voorwerpen is de kegel van den Foejijama niet te vinden! In
zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon
mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en
schalen, presenteerbladen en schotels, op schermen en waaiers, ja op
alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden top! En voor den schilder
is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een nieuwen
voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den
Foejijama en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu
eens zag men hem tusschen de takken van den Japanschen ceder, dan weer
tusschen de hooge stammen der boomen, dan weer onder hun kronen. Hier,
boven een schuimenden waterval of een stil meer, welks spiegel zijn
kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp,
boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der
visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan
het einde van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren
van een rijstveld en de geopende waaiers eener danseres!
De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is
het eerste punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den
dag de stralen der opgaande zon opvangt. Als de jonge Japanner,
jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd, en in zijn
geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij
den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het
gezicht bleek, geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere,
gespleten oogen, in Europeesche kleederdracht en de handen in de
broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten. Eindelijk ziet
hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top
naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en
zijn oogen vullen zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk
en trots, dat hij behoort tot den Foejijama en het land van de opgaande
zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren!