In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit
Venetië. Zij heetten Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om
nieuwe handelsverbindingen met Azië aan te knoopen, lokte hen naar de
Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens naar het hof
van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van
katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in
het verre Oosten.
De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich
over de komst der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door
hen al het wonderbare vertellen, dat in hun geboorteland te zien was.
Hij besloot hun een brief aan den paus mede te geven, waarin hij
verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te
zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede
zeden te leeren en te verlichten.
Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar
Venetië terug. De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij
vergeefs op de keus van zijn opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat
de groote Chan hen als woordbreukigen zou beschouwen, besloten zij weer
op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis namen zij den
vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede.
Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de
onmiddellijke nabijheid van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad
en Hormoes, een stad aan de smalle, de Perzische golf met de Arabische
zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk door geheel
Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en
gebruikten wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe
reizigers uit Europa zouden wachten! Over Jarkent Chotan en het
Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds kennen en door de
woestijn Gobi ging nu hun weg naar China.
In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het
hof van den grooten Chan in Oostelijk Mongolië. Marco Polo viel zeer in
de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de jongeling
verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken.
Hij meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en
nam hem in zijn dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd
toevertrouwd, was een dienstreis naar noordelijk en westelijk China.
Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige, wonderlijke
verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij
zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen.
Zoo kwam hij steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op
nieuwe dienstreizen uitgezonden, die hem zelfs naar Indië en tot de
grenzen van Tibet voerden. Hij was drie jaar lang in een groote stad
gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad Peking een betrekking.
Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit
in een draagstoel, die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die
door vier olifanten wordt gedragen. De buitenzijde van den draagstoel
is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste met tijgervellen
belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast
den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan
roept een hunner: „Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de
Keizer onmiddellijk het dak van zijn draagstoel open, en laat een der
valken op het gevogelte los; in dezen sport schept hij veel behagen.
Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend
tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend
personen zonder moeite er plaats in vinden; in een tweede hebben de
geheime beraadslagingen plaats en een derde wordt gebruikt om te
slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met tijgervellen,
van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert,
dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere
koning zulk een tent zou kunnen betalen!
Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen.
Daarbij zijn hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken
gehuld, opdat hun adem de schotels en bekers, welke zij hun heer
aanbieden, niet bezoedelt! Telkens als de Keizer drinkt, speelt een
groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de knieën.
Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud
en zilver, edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden
slechts aan den Keizer verkoopen. En Marco Polo vindt het zeer
natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan alle koningen
der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar
goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in
omloop.
Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk
van het Midden en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een
groot vermogen. Maar de Keizer, hun beschermheer, was oud en zij
vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen zou. Zij verlangden
bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek
spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten.
Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt
werd. Ook Perzië stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn
vorst of Chan, was een der naaste bloedverwanten van Kublai Chan. De
Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren en wilde een, op
haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen
stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar
Kublai Chan. Zij werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den
Chan van Perzië een schoone, jonge prinses. Daar men vreesde, dat de
reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer 7000 kilometer
bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men te
water naar Perzië terug te keeren!
De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op
zeer vriendschappelijken voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom
Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen, want alle drie waren
bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was geweest,
kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen
stemde Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote
vrijgevigheid uit. In het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust,
naar het Zuiden, uit.
Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen,
schipbreuken en koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië
werden zij lang opgehouden; een groot deel der bemanning werd ziek en
twee der gezanten stierven ook, maar de jonge prinses en haar
Venetiaansche ridders bereikten ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas,
intusschen gestorven en de prinses moest zich met zijn neef tevreden
stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid van
haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel
naar hun vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen,
waren zij vier en twintig jaar weg geweest!
Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang
doodgewaand. Zij hadden hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in
hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten. Oostersche kleeding. Het
eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken en aan de
deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet
meer, wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen
heen te gaan!
De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden
hun familie op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden
plaats genomen en de maaltijd zou beginnen, traden de drie gastheeren
binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare, donker roode zijde. En
toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt,
verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van
het fijnste weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder
de bedienden verdeeld werden. Daarna verschenen zij in kostbare
fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels eveneens onder de
bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen
kleeren denzelfden weg!
Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de
gerechten afgenomen waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond
Marco Polo op en haalde de havelooze, afgedragen kaftans, die de
reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet hadden willen
kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe
messen open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op
de tafel, robijnen, safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want
toen Kublai hen op reis had laten gaan, hadden zij al hun bezittingen
tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een verre reis geen zware
lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne kleeren
genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken.
Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun
verwondering geen grenzen. En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie
heeren werkelijk de verloren leden van het huis Polo waren. Nu werden
zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en hoogachting. Toen
het gerucht hiervan in Venetië werd verbreid, trokken de burgers in
scharen naar het huis Polo; allen wilden de van verre gekomen reizigers
omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen hulde bewijzen.
„Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken
heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en
hij antwoordde steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat
ieder zich zijn schuldenaar voelde.” Als hij echter sprak over de
onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en vertelde van andere in de
landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij onophoudelijk
met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem:
heer Marco millioni!
Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die
elkander den handel betwistten, heerschten toen en nog lang daarna
voortdurend nijd en concurrentie. In het jaar 1298 rustten de Genueezen
een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen op de
Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij
op de vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het
bevel. Na een hevig gevecht overwonnen de Genueezen en maakten
zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden toen terug naar Genua en
trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad binnen. De
gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer
gevangenen was Marco Polo!
In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den
geleerden schrijver Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het
dictaat van Marco Polo, de merkwaardige lotgevallen der drie Venetiërs
in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben dus reden verheugd
te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien
het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht
onbekend zijn gebleven.
Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde
terug naar Venetië, huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321
stierf hij en werd in de Lorenzokerk te Venetië begraven.
Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te
herroepen. Men geloofde niet aan de waarheid zijner woorden en nog
zeshonderd jaren later—in het begin van de negentiende eeuw, waren er
geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig saamgesteld
verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis
opgeteekende, verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in
1492 Amerika heeft ontdekt, vond er steun in voor zijn overtuiging, dat
men, voortdurend naar het Westen zeilend, ten slotte in Indië moest
komen.
Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer
vreemde dingen aan. Hij spreekt van het land der duisternis in het
Noorden en van eilanden in de Noordelijke zee, die zoo ver Noordelijk
liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als men zich
daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten
staan. Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door
welks poorten hij toch dikwijls uit en in is moeten gaan.
Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de
meeste zijner ontdekkingen en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd
jaar later bevestigd. Zijn leven geleek een sprookje, maar hij neemt
onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste plaatsen in.
Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe.