In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden
geboren, die Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige
stammen en wat Mongolië heette, verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe
grooter zijn macht werd, des te grooter gebied wilde hij veroveren en
hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië onder zijn
scepter had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan
op aarde”. Hij stelde zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot
was als dat van Alexander den Grooten of van Caesar, maar hij wilde
over de gansche bekende wereld heerschen en met dit doel voor oogen
reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene
land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste
of in asch gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en
tegelijkertijd de meest woeste veroveraar, dien de wereldgeschiedenis
ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt zijner macht stond, waren
hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische
schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd
bezocht door gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan,
van Russische grootvorsten, van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch
vroeger, noch later heeft ooit een man de menschen zoo in beroering
gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer met elkaar
gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft
van het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem
nog in veel van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar,
toen hij stierf, en Dschingis Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier
zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de vader van Kublai Chan, die
in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het Midden de
grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog
schitterender dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een
juiste beschrijving van den grooten Chan en zijn rijk, welke
vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken.