Tusschen China, in het Zuiden en Oost-Siberië in het Noorden, strekt
zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam Mongolië
draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote
uitgestrektheden van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het
stuifzand zich tot hooge duinen ophoopt, en waar de karavaanwegen en de
bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn gordel, een der grootste
van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi, hetwelk in hun taal woestijn
beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo, hetwelk in
Hollandsch zandwoestijn wil zeggen.
Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat
het geestelijk opperhoofd der Mongolen, hun paus, de Dalai-Lama in
Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks
in groot getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot
deel der mannelijke bevolking wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat
in een monniksorde. De Chineezen verheugen zich hierover, want het
vreedzame kloosterleven, doet de, in oude tijden zoo oorlogzuchtig,
wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de godsdienstoefening
voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere
banen. Zij denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië
en half Europa onder zijn scepter had en dat hun voorvaderen „de gouden
horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken zijn, geheel
Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in
ontsteltenis brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens
het geheele Rijk van het Midden veroverd hebben, en in de gele aarde
het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken der Chineezen tegenwoordig
nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de wereld eens
sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden
zijn in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China
zijn vazallen of schatplichtigen vorsten noemt, wonen vreedzaam op de
steppen, in hun tenten, met hun acht banieren.
De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten
en leven van schapenvleesch, melk, boter en kaas, Tot hun huisdieren
behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai, sterk
gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden
trekken zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de
droogte den groei van het gras verhindert of het gras is afgeweid,
breken zij op, beladen de kameelen, met hun tenten en overige have, en
zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen gelijkt in vorm op
een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie latten, en wordt
met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen.
Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken
verschillende volken in verschillende deelen der aarde tot dezelfde
levenswijze en dezelfde gewoonten.
De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk; ik heb hen op de
grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel
Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging
regelrecht naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk
grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte, daarna door geheel Mongolië
en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het Baikalmeer
tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897.
Toen was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten
van de Ienessei, gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in
een voertuig heb gemaakt, want van Peking tot Kansk is 3000 kilometer
en onderweg rustte ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de
hoofdstad van Oost-Siberië.
3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud
bedekte bergen, en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven
der paarden op den hard bevroren grond, en hoeveel keeren wentelden de
wielen mijner wagens!
In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de
Russische grens noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die
mij het recht gaf de Mongolen en hun paarden in dienst te nemen, en als
het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten. Verder proviand,
ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke
dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte;
arme kerels, die dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten
afleggen.
Maar zij waren er mee tevreden en verheugden zich zeer na geëindigden
diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen
terugkeeren.
Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft geen koetsier op
den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien
vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den
horizon laat gaan. Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen,
noch poststations. Toch moet men onophoudelijk van paarden verwisselen.
De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen der Mongolen.
Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op
reis. Men moet dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig
liggen, en ten tweede de menschen vooruit doen weten, dat zij een
bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom worden koeriers te
paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt dan
zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de
dorpen der buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een
paar Mongolen mede, als geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook
zwerven, rijdt men altijd in rechte lijn van het eene naar het andere.
Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven, maar rijdt dwars
door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens
zelfs een glimp van oude wagensporen.
De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt
de reiziger reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter
zich heeft. Het is een houten kar op twee middelmatig groote raderen,
geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig loopend, en met blauw doek
overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee zijvensters
geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in
het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken
niet springen. Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust
onmiddellijk op de assen der wielen. Een zitplaats is er ook niet. Men
legt daarom zooveel kussens, pelzen, en wollen dekens er in als men
maar machtig kan worden, en zit daarop, om niet geheel bont en blauw te
worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats in, dat men de
beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een
persoon berekend.
Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen
waarin een paard of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier
op een der boomen of loopt naast den wagen. Ik had mijn reistasch aan
den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn groote bagage had ik met
kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij te
Stockholm aan.
Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde van elken
boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een
lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide
einden van den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen
loopt hier geen trekdier. Aan de einden van den dwarsboom zijn
bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere ruiters winden de einden
van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen, en
wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over
de steppe, de kar achter zich meêtrekkend.
Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de
opgedwarrelde stofwolken verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen,
van achteren komende, naast de mannen rijden, die de dwarsboom op de
knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen den kop en steken
dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten,
terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden,
en den wagen verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige
troep. Onder het verwisselen van paarden, hetgeen maar een paar
seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil. Hij rijdt met
dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over
verwonderen, hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men
niet juist door het voorraampje van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs
niets van dit telkens terugkeerend verwisselen van paarden.
Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder
de grootste vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid
wordt, komt een nieuwe ruiter aansuizen en windt de treklus om zijn
lijf.
Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit
verscheiden tenten bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met
hun eigenaars, die den vorigen dag door de koeriers zijn opgeroepen,
gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat de kar met een ruk stil
en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt of men wil
uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men
liever dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen
te blijven, om door dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig
te gaan gevoelen. Aan elk station krijgen de tot daarheen meegenomen
Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier altijd met blanke,
zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein
geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden
gebruikt.
Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze
steppe. Voor kleine kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst
niet bang, alleen als zeer diepe groeven den weg dwars doorsnijden,
matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij er in het geheel niet
toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de wielen er
dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het
dak van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens
heen en weer!
In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door
kameelrijders getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat
het mij een aangename rusttijd toescheen, toen wij nu in matigen pas
door de zachte sneeuw gingen.