De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen
in het oostelijk deel van Tibet en doorstroomen daar parallel naast
elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting
uitstrekken. Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het
zuiden tot aan de zee voortzetten, maakt de Blauwe Rivier in
West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt het Rijk
van het Midden in twee deelen.
Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe
Rivier.” De Chineezen zelf noemen haar de groote of de lange rivier,
hoog in het westen, de Goudzandrivier. Slechts drie rivieren der aarde
zijn langer dan zij: de Nijl, de Mississippi en de Amazone rivier. De
Ob en de Jenisseï zijn even lang als de „Blauwe”, namelijk 5200
kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld 224 maal zooveel
water als de Theems waaraan Londen ligt!
In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde
uit. Want in haar stroomgebied wonen niet minder dan 180 millioen
menschen, ja, een achtste van de gezamenlijke bevolking der aarde woont
in het gebied van deze rivier.
De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft
meer onderdanen dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s
westelijke provincie Sz-tsjwan, die eveneens door de Blauwe Rivier
wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een bevolkingscijfer, zoo
groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa
geweldig ineen!
Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking
is de hoofdstad van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen
Europeesche stoombooten.
Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China.
Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het
Chineesche rijk. In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den
zuidelijken oever der Blauwe rivier een groot meer. Meer heet op zijn
Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad, „pe” Noorden, „nan”
Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking „de
Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent „ten noorden van het meer,” en
Hunan, „ten zuiden van het meer.”
De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der
merkwaardigste van geheel China. Haar bewoners zijn krachtige,
onafhankelijke menschen, en de beste soldaten; maar zij zijn veel
heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad
van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen
buitenlanders en der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen.
Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad
van Sz-tsjwan kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der
jonken, welke bij tienduizenden het vervoer der waren en het verkeer
van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke tijden hebben
onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere
klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de
rivier, andere weer aan de stroomversnellingen in Hupe en Sz-tsjwan.
Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een
sieraad van het grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap,
waardoor de rivier zich een bedding heeft gegraven. Hier zou een
schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen, zonder maar een dag
gebrek aan onderwerpen te hebben.
In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van
cypressen, in andere dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot
elastisch en buigzaam te maken en de kans dat in de stroomversnellingen
lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke plaatsen
worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op
elke tien jonken er één vast vaart en elke twintigste geheel ontredderd
wordt. De reis van Hankou naar Tongking duurt 35 dagen, terug echter
slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft. De stroom
afwaarts gaan is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste
schipbreuken plaats.
Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om
waren en passagiers aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter
lang; de achtersteven is hoog gebouwd en heeft een soort kajuit, die
met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt. Een jonk, die
den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande
zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo
groot zijn, dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal
gebruikt als men met den stroom meêdrijft, opdat de groote als
stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren. De jonk heeft ook een mast
en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men stroomopwaarts
gaat en er een gunstige wind waait. Zoodra het stroom af gaat wordt het
ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat wil zeggen—ze
heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze lek
wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen,
voordat ze met water wordt gevuld en ondergaat.
Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen
de sterke, zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is
duidelijk, dat het schip zelfs bij den gunstigsten wind, als een
notendop in de stroomversnellingen naar beneden zou dansen. Om dit te
verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter langen
tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de
boot door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever
loopen, omhoog getrokken. De oever is echter gewoonlijk sterk hellend,
de rotsen stijgen bijna loodrecht uit de rivier op. Met aapachtige
vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden de
levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den
arbeid te verlichten. De opzichters volgen en drijven hen met kreten en
slagen aan; maar zij slaan niet hard en steeds slechts met een bos
bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt.
Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken.
Dikwijls ziet men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door
verschillende trommels aan boord stelt de bestuurder der boot zich met
de trekkende mannen in verbinding. Bovendien staan nog zes mannen
steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden
rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten
denzelfden dienst in het water.
Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door
deze trossen werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier
sedert vele duizenden jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd
ongeveer twintig man om te sturen en de boot met lange staken van den
oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen den stroom te
helpen.
Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij
hebben de steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De
eene week na de andere hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun
geheele lichaam is met opengescheurde plekken bedekt, die ternauwernood
genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral aan de schouders
ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar
zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch.
En welk een loon ontvangen zij voor een vijf en dertig dagen durende
reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks drie maal rijst en
driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden,
waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd
duurt, krijgen zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een
tienurigen arbeidsdag achttien cent loon! En toch maken zij grapjes en
lachen.
In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water
helder. Steden en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel.
Zij verheffen zich met hun muren, trappen, poorten en pagoden
gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen. Elke duimbreed
grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker. In
den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer
is zij een chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa.
Op eenige plaatsen, waar het dal nauwer wordt, kan het water soms meer
dan 30 meter hooger staan dan in Februari. Dan is het gevaarlijk de
rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken en klippen
bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den
stroom meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het
uur stroomaf. Bij de dorpen en steden liggen aantallen van zulke
jonken, die op werk wachten. Elke rots, elke bocht, heeft haar eigen
naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele draak” of zoo
iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun
roofnesten liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor
geschikte plaatsen, de jonken. Daarom ziet men soms tegen
vooruitstekende rotswanden groote letters; deze beteekenen: „De
waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker
gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten
gewaarschuwd.
De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet
groot te zijn. Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder
averij in Hankou met zijn jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te
nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke oogen zal hij de groote,
Russische schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker
niet aanzien. Hankou is de grootste theehaven van China en de
geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren geleden werd de thee
in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, evenals in veel
andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de
nationale drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs
de karavaanwegen door Mongolië en Siberië te vervoeren; nu neemt de
uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon hebben het rijk van
het Midden daarin overvleugeld.