55. HET NIEUWE CHINA.

In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke

door den nieuwen tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium

schuiven, hetgeen ongeveer 150 millioen van de bevolking vergiftigt.

Sedert duizend jaren en nog meer heerscht de afschuwelijke gewoonte,

aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de natuurlijke

groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen

van Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen

bestemd waren. Dit inpersen veroorzaakt gedurende den groei voortdurend

pijn, maar desondanks wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als

het geen kleine voeten heeft krijgt het geen man!

Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling

leggen van pas geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op

te voeden, ontbreken. Eens zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het

lijk van zulk een arm schepsel liggen. En toch behandelen de Chineezen

hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in Noord-China, woonde

ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling gelegd

kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en

het kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een

aardig, allerliefst schepseltje geworden. Toen kwamen de ouders met de

smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek, dat hun

natuurlijk gaarne werd toegestaan.

De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze begrippen

onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte

zilveren spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot

bekentenis te dwingen! Een gewone straf is het groote vierkante

halsblok, dat met een slot geopend en gesloten wordt. Het ronde gat

omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht hij op de

schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid

hindert, rondloopen.

Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare

instelling; de echtgenoote heeft bijna dezelfde rechten als haar man,

en staat evenals hij, onder bescherming der wet. De Chinees bewijst den

grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij door de Mandarijnen

gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties te

weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van

de veel duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn

geduldig, vlijtig en tevreden met hetgeen tot het levensonderhoud

voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897 hoorde ik in Noordelijk

China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden loon per

jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij

van den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe

zij er zich door kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit.

Zij zijn vroolijk, vriendelijk en beleefd, en toch werken zij misschien

bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen bezit. De arbeid op

zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat. De

waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het

Noorden van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en

tweewielige karren, maar over het geheel zijn straten en wegen zoo smal

en slecht, dat alleen voetgangers ze gebruiken kunnen. Bij de rivieren

en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen.

Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke

gedurende de laatste jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn

nijver, voortreffelijk volk is opgegaan. Zeker kon geweld alleen den

tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon, draadlooze

telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg

vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te

varen heeft, telefoon en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers

ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk veel langer duurt, doet er in

China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles slechts rustig

gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe

telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche

bedienden mij, dat het papier, waarop het telegram was geschreven, met

wanhopige snelheid langs de telegraafdraden liep, naar de plaats van

bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes zijn, waar

het telegram bij regen een onderdak vindt!

Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van

proef, een kleine spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van

Shanghai uitging. Toen ze gereed was, werd ze door de Chineesche

regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen te worden, doch

om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden

opgebroken en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu

hebben de Chineezen zich moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en

Japanneezen hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen

doorsnijden het land en andere zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De

Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen. De lijn tusschen Peking

en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug, die over

de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de

langste spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd!

Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die

Europeesche verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn.

Want de ervaring heeft hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn,

en zij weten, dat de groote mogendheden er reeds over beraadslagen,

China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de blanken niet

kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen

bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een

oorlog en China werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht

was georganiseerd. Toen namen de Japanners het eiland Formosa en

Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het verre Oosten uit, en

legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China aan

Duitschland voor 99 jaren Kiautschau.

De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en

vestingen tot verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu

eindelijk van hun oude dwalingen bekeerd. Tegenwoordig bezit China een

steeds grooter wordende vloot en een leger van meer dan honderdduizend

man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche

officieren wordt gedrild.

Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij

tienduizenden aan de hoogescholen van Japan. China heeft zelf veel

universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft dagbladen,

waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner

ziel denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der

Europeanen grondig bestudeeren, want wij kunnen ons slechts tegen hen

verdedigen met hun eigen wapenen!”

In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De

Chineezen, zulk een krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen

dan nog meer in kracht en gezondheid toenemen.

Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en

veroveraars. De Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk

van het Midden! Maar eens zal de draak zich verheffen, en zijn

opvoeders de klauwen in de borst drukken!

Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een

nieuwe volksverhuizing uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners

en Chineezen, die Europa zullen overstroomen en aan de blanken de

heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal het wel

niet worden.

Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen,

wat hun erfdeel en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel!

Van pool tot pool(#68251) · 第 59 / 78 题