Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel
rond en de aarde vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt,
en daarom het „Rijk van het Midden” wordt genoemd. Alle andere landen
liggen rondom China en zijn vazalstaten!
De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste
geestelijke en wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering
geeft hij aan zijn regeeringsperiode een bepaalden naam; die dan tevens
zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij zelf onder zijn zonen
uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste
bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze
later zijn geest en den geest zijner voorouders de noodige offeranden
brengen zal. Gele kleeding en de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden
van het keizerlijke huis. De keizer staat hemelhoog boven het volk en
de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk te tellen.
Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het
recht den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun
toegestaan, maar de keizer had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen
had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden Jezuïten aan zijn hof,
die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden
maakten.
China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde.
Toen Ninevé en Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds
een hooge beschaving, en gedurende vierduizend jaren is die hetzelfde
gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts puinhoopen over, maar
China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt op een
groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen
tijden; verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over
heengegaan, rassen en rijken hebben elkaar hier bestreden en afgelost.
Maar China is door de afgesloten ligging van land en de afschuw van het
volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd hetzelfde als
vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang
in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane.
Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China
aan de geboorte van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie
Keizergeslachten. Twee en een halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde
een machtig, vooruitziend Keizer den grooten muur, het geweldigste
bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450
kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven
echter maar 5 meter dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en
hier en daar is een poort. Hij is van steenen, tegels en vlechtwerk
vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is hij nu gedeeltelijk
zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen
van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs
en dikwijls door zijn fraaie poorten gegaan.
Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een
vredelievend volk. Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te
blijven van alle indringers, omheinden zij zich met muren. De 1553
steden van China hebben geweldige steenen muren. En de groote Keizer in
de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was, liever
dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral
dreigde het rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche,
Tartaarsche en Mongoolsche nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige
ruitervolken. Voor hen was de Chineesche muur een onoverkomelijke
hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden. Toen
die ruiterbenden, de Hunnen, den zuidelijken weg naar China versperd
zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden in de vierde eeuw,
in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa.
Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet
beschermen. In het jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco
Polo, Kublai Chan, de kleinzoon van Dschingis Chan, het land. Hij was
eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het Keizerkanaal aan,
tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat de
rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des
rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten
in jonken vervoerd, en men had toen zeer veel van de Japansche
zeeroovers te lijden gehad; nu konden de jonken langs het nieuwe kanaal
zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal is 1350
kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt
tegenwoordig nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige
heerschappij der Mongolen.
In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende
Mandschoedynastie, een geheel anderen volksstam, veroverd. Zij voerden
als haardracht den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de
Portugeezen Macao, in de nabijheid van Hongkong, veroverd. Sedert dien
tijd en vooral gedurende de laatste tientallen jaren zijn de Europeanen
steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche
bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook
onder Chineesche bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester
gemaakt van de beste havens van China. Tweemaal, den laatsten keer bij
gelegenheid van den bokseropstand, in het jaar 1900, werd Peking
veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche troepen
verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het
diepst van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur
der wrake zal slaan.
Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des
Hemels” heerscht nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan,
Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In oppervlakte is het gezamenlijk
Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een half maal zoo
groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke
vijfde mensch op aarde is dus een Chinees!
Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat
heerlijk. Het verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is
groot; in het Zuiden heerscht bijna tropische warmte, in het Noorden
rondom Peking in den winter, snijdende koude. De grond is buitengewoon
vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst, boonen,
erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies
staan de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het
land door waterrijke rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der
akkers en voor het vervoer der waren dienen. Het grootste gedeelte van
China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen zijn een
voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij
steeds lager. Langs de kusten strekken de laaglanden zich uit. Zes van
de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk zijn aan
uitnemende havens.
Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een
door de natuur gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke
rijkdommen aan steenkolen en China bezit grootere steenkolenlagen dan
eenig ander land onzer aarde. Daardoor is zijn toekomst ook verzekerd
en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen.
Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds
over een vroege, hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de
oudheid de geboorteplaats van wetenschap en kunst; en zoo beheerscht
Europa nu het overig deel der aarde. Want een volk, binnen zulke
kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met z’n
buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en
uitvindingen ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China
ook hierin een uitzondering. De Chineezen hebben hun kusten nooit op
zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben elk verkeer met vreemde
volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling, binnen
eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is
ongelijk aan elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld.
Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de
Chineezen het schrift. Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk
tegenwoordig nog door hen bij het schrijven wordt gebruikt en de
vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim. De
Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij
het schrijven loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde
men in China papier. In een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu
wilde kameelen rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven
en geschriften op papier, die sedert het jaar 205 in de woestijn
begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd. Reeds 600 jaar na
de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit; in
Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus
kende China reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het
kruit kenden de Chineezen reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren
geleden waren zij reeds meester in het gieten van brons; in het
binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar,
donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen
en draken, vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste
bijzonderheden op het fijnst en kunstigst bewerkt. De
porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder de heerschappij van
de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen,
schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke
kleurensamenstelling en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de
Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen vervaardigen. Porcelein uit
dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur betaald. In
Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten
rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien
duizend gulden. Vergelijkt men het fraaiste porcelein, dat wij
tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit den tijd van Khang-Li,
dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is.
Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of
wat anders, ligt altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert
overoude tijden was naar de zijden stoffen uit China in Europa
buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen is
degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en
karakteristiek, als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn
onze huizen, als wij ze vergelijken met de villa’s der Chineezen en
vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen daken met groote en
kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen
uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van
daar ging ze naar Korea en Japan.
De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk;
zij behoort, even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen
taalstam. In het Chineesch zijn alle woorden één lettergrepig en
onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan, zal gaan of gaande”
zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis blijkt
òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men
bijvoorbeeld: „ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de
toekomende en de verleden tijd, door de woorden „morgen” en „gisteren”
worden aangeduid. Een enkel woord bijv., „li” kan een menigte
verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak,
naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De
taal wordt in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het
dialekt der Mandarijnen of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft
zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche taal bezit daarom 24000
verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één vrouw op
de honderd, kunnen lezen en schrijven.
De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna
onuitputtelijk. Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee
hielden en hun runensteenen oprichtten, werd in China reeds een
geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving van alle
provincies” heette, en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der
Chineezen kan men hun geschiedenis vierduizend jaar terug volgen en het
merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij zich door de grootste
nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke wordt
daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche
boeken zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een
tamelijk groote bibliotheek aan te schaffen. Van het aantal Chineesche
boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip; de
katalogus er van omvat reeds 122 deelen!