Tien kilometer westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen
van het in de 17de eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van
mijn reisgenooten van de „Dehli”, pater Robert, een katholiek priester,
tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden, een zeer
beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij
over dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens-
en meisjesscholen, het groote Meteorologische observatorium, waarin
iederen dag weerkaarten bewerkt worden, en het Zoölogisch Museum, dit
alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan het hoofd van elke
afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden door
nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken
de Mis. Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek
zijn en hun Ave Maria en Onze Vader met innige vroomheid bidden.
1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000 zijn Protestanten. De
zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den Heiland:
„Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en
plichtsbesef aan hun taak en stellen zich aan de grootste gevaren
bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken en Protestanten
helpen elkaar niet. Voor den Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste
wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels” in Peking gewijd. In ’t
Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de Engelsche
zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche
Baptisten den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke
godsdiensten brengen de Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat
zij moeten gelooven.
De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende
lessen of liever wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan
eenig ander land. De voornaamste is Confucius, een tijdgenoot van
Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd oden bestaand boek
en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf
jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen. „Handel jegens
iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van zijn
geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der
wereld gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo
in ’t verkeer met vreemden.
Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een
groote kennis had kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm
geboren ben en leeren moest.” Hij zag in rijkdom een ongeluk en in
weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen in het hoogste
aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als den
grootsten wijze van alle tijden.
Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven
leer echter veelal tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t
begin van onze tijdrekening drong het Boeddhisme in China door en
beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de godsdienstige
voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan
zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in
de geschriften van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote
achting voor al de drie leeren.
Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten
heeft echter een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor
de geesten der voorouders, de vereering ervan. Ook het eenvoudigste
huis bevat een altaar der overledenen, voor wien men nooit anders dan
den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag onder geen
omstandigheden gestoord worden. In de 17de eeuw regeerde in China
Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en zestig jaar
lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en
toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij
afstand, enkel en alleen uit achting voor den geest van zijn
grootvader, dien hij niet in het getal van zijn regeeringsjaren wilde
overtreffen!
Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van
China door graven worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die
tegen het einde der 13e eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij
beval de oude kerkhoven om te ploegen en in akkers te veranderen, en
deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste hindernis
bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde
kerkhof heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van
China reist alleen daarom naar Moekden om aan de graven van zijn
voorouders te offeren; want hier in Moekden liggen Khang-Hi en
Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers,
regeert nog in China.
De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de
vooroudersvereering der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden
dit met het Christendom onvereenigbaar, Maar deze piëteit is den
Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over. Zooals de
bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met
hun voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer
samenhang dan met het tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij
hen de plaats in van vaderlandsliefde. Wel heeft de Chinees zijn
vaderland in engeren zin lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen
land gebeurt, laat hem koud. De bewoner van Kanton maakt er zich niet
druk over, wanneer de Russen Mandschoerije en de Japanners Korea
wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover beleiders
van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij
neemt het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn
bezwaren tegen zijn geloof uitspreekt.
De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der
Chineezen. Daarbij hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en
zoeken toevlucht bij de goden van wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik
in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal met vrijstaande
beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten
de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster
doormidden gezaagd, de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de
tong uit den mond gerukt en een andere zondaar gloeiend ijzer in de
oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken zijn eigen
ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de
opengesneden buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke
grootte en meer dan afschuwelijk. In een hoek der zaal stonden
verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was er niet stevig
opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag
waarom de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de
smart in het vagevuur wordt voor den gestorvene des te korter naarmate
hij langer in deze tempelzaal van het doodenrijk mag blijven staan!
Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en
ijlt, dan gelooven zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en
op de plaats waar hij het bewustzijn verloor, draagt men zijn lichaam
rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor te brengen! En ’s
nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat
de arme ziel de weg naar huis weer terug vindt!