52. SHANGHAI.

Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad

ligt aan een kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom

de stoomboot, die hier voor ’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en

varen met kleinere lichters stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de

vlakke oevers levendiger, de huizen liggen steeds dichter bij elkaar,

fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche

schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout,

overblijfsels van een lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog

gebouwd en van de masten wappert de blauwe draak op geel veld.

Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn

prachtige, hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk

Europa, de stad der Blanken in het land der Gelen, het rijke machtige

Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast de Chineesche stad, die 650000

telt.

Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht

mij een automobiel naar de woning van den consul-generaal, waar ’s

avonds uitsluitend Zweden aan een gastmaal vereenigd waren. Op den

volgenden dag, den 3den November vielen twee gewichtige verjaardagen,

die van de keizerin-weduwe van China en van den keizer van Japan, van

twee heerschers, die zich door kracht en beleid, onderscheiden hebben

en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt.

De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur

van Shanghai gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden

elkaar snel op en vulden de uren van den korten tijd die ik in China’s

grootste haven- en handelsstad doorbracht. Uit Europeesche straten met

electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, sociëteiten en

publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten

in de Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van

gele mannen in blauwe rokken en zwarte vesten met kleine koperen

knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen met onbuigbare dikke

zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en een

langen staart in den nek.

Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij

op hun klanten wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven

zonder voorbeeld. Een voortdurend haasten, een eeuwig komen en gaan,

een onafgebroken omzet van geld en koopwaren.

Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek

in een Chineesche hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in

een groote zaal tegenover twee honderd Chineesche studenten.

„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die

er mij heen gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw

reizen!” En eer ik het zelf wist, stond ik al op een katheder en

vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte luisterden, in

de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn

Takla-makan. Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van

alle kanten, en ik moest allen de hand schudden. Een zonderlinge

samenloop was het echter, dat er in deze zaal iemand was, die mijn

bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in mijn

laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan

naar Shanghai gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in

het Oosten te geleiden. Hij was twee jaar te voren in Oost-Turkestan

geweest en had een reis door de bedding van de Chotan-Darja gemaakt. En

op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest en hij had

Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo

bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche

studenten van onze gemeenschappelijke avonturen vertelde.

Van pool tot pool(#68251) · 第 56 / 78 题