Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de
stoomboot „Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf
werelddeelen, hetwelk zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den
aequator, de watervlakten van den Indischen en den Stillen Oceaan van
elkaar scheidt.
In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden,
die nog door geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge
zandwoestijnen, want de regen van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de
bergketenen in het Oosten, waar dan ook de rivieren ontspringen.
Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië nog
veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige,
die het eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen.
Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en
Zuid-Australië rustten haar uit en groote sommen gelds werden er aan
besteed. Men koos als leider der expeditie Robert Burke, een even
moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid en een
kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door
onbekende, woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee
dozijn kameelen komen met drijvers en nam levensmiddelen voor een
geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren tot in de kleinste
bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo
uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en
toen het gezelschap Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was
de geheele stad op de been. Al waren velen slechts toegesneld, om de
kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog nooit had aanschouwd, zoo
kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van het
geografisch onderzoek verwachtten.
Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich.
Eenigen hunner waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de
plantenwereld van het land, de vreemde families van de buideldieren, de
steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een dezer geleerden
heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport
moesten verzorgen.
De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want
juist dan begint het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks
onverschrokken op los, ging de Murray, de grootste rivier van Australië
over en bereikte de zijrivier, de Darling. Daar werd een vast kamp
opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter. Burke,
Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien
kameelen verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de
Cooperrivier, die in het Eyremeer uitloopt.
Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende
excursies in de omgeving gemaakt en een bode naar de Darling gezonden,
om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk hier heen te halen. Maar de
bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want de eene week
na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij
ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders,
Wills en de beide bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en
proviand voor twee maanden, regelrecht naar het Noorden te gaan, en het
werelddeel tot aan de kust van Queensland aan de golf van Carpentaria
te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen en paarden tot
den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het
uiterste geval verlaten.
Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur
ongelijkmatig en verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige
bedding van de Cooperrivier trok, waren er voldoende waterplassen. In
de schaduw was de temperatuur 36 graden en als het ’s nachts soms eens
23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud.
Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze
korte rivieren, die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk
nog slechts plassen in de schaduw van ondoordringbare bosschen welke
door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden gevormd. De laatste
behooren echter niet tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe
gummiboom, die in de kolonie Victoria en op Tasmanië voorkomt. Men
schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen, want hij legt
moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel,
dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is
echter nog merkwaardiger, want hij wordt honderd en twintig meter hoog
en een ander soort Eucalyptus moet zelfs een hoogte van honderd en
vijftig meter bereiken.
Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door
de droogte waren gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij
moesten zij hun lederen zakken, met water gevuld, medenemen. Soms zagen
zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden vlogen, en zij meenden
dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij de
richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard
geregend dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken
van droogte de takken hangen.
Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens
raasde een woedende storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven
was schaars; in de slechts weinige aanteekeningen der expeditie worden
bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven, wilde eenden en
ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien,
slangen, visschen en ratten.
Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk
zijn jongen zeven maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik
met zich draagt, en in Australië even thuis is als de lama in het
zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen zeggen zelfs
niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der
schaapherders.
Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die
met schilden, speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets,
meer bekleed was. Deze laagstaande wilden gaven hun in ruil voor
kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls visch. Zij
klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het
woud jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de
vlucht. Zulke kangeroes, die van voren en van achteren even lange
pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden zij nog nooit gezien!
Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren
zij niet ver meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats
trokken Burke en Wills te voet door moerassen en bosschen, welker
hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen bestond, maar desondanks
zouden zij het water van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch
verborg het en de moerassige bodem maakte het hun onmogelijk het te
bereiken, al waren zij er zeer dicht bij.
Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn
heldendaad zou noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf!
De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste
reis, die wel ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen.
Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens
gevierd. De bliksemstralen flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en
gummiboomen midden in den nacht even hel verlicht waren als op den
heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd. Om de
kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor
de uitwaseming van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En
toen de regen was opgehouden, kwam de droogte weer met verstikkende
hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn besten vriend, verlangde.
Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers
een acht voet lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld
der wilden, op, maar werden er ziek van. Toen zij eens in een dal in
een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen, die het geheele dal
onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde te
verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij
gansche dagen wachten, omdat de bodem in modder was veranderd.
Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg
hij slaag. Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een
rampzalig paard ging denzelfden weg. Water was er in overvloed. Gray
werd ziek en stierf.
Den 21sten April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste
kamp, waar hun kameraden, zooals bevolen was, hun terugkomst zouden
afwachten. Burke meende het reeds uit de verte te zien. Hoe verlangden
zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en daar waren zij van
den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was
gevallen.
Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van
een boom stonden slechts de woorden ingesneden: Graaft, 21 April. Zij
groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun
kameraden dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats
hadden verlaten! Gelukkig vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker
en gedroogd vleesch, voldoende voor de reis naar het Engelsche station.
Maar waar waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog
op het lijf bleven hangen, te vervangen? Na een onafgebroken marsch van
vier maanden en voortdurende ontbering waren allen zoo uitgeput, dat
elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij in het eerste
kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag
vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het
noodlot hen niet behandelen.
Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun
kameraden nog in te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste
kameelen waren reeds lang krachteloos, terwijl die der anderen, zooals
in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig mensch zou in
elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor
gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een
westelijken weg voor, die hem zekerder en beter toescheen, en die hen
naar de stad Adelaïde in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert
langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende naam.
Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de
inboorlingen, visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs
ratten, die met huid en haar op gloeiende kolen werden gebraden en
tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer, de ander weigerde spoedig
verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen. Maar de
levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de
„hopelooze bergen” hield het water geheel op.
Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den
weg hielden zij zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van
de inboorlingen kregen. Verder hadden zij niets dan nardozaad hetwelk
zij op de klavervelden verzamelden. Half dood van honger en uitputting
bereikten zij het kamp.
Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten
waren koud. Er werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan
naar inboorlingen. Wills was niet meer in staat hen te vergezellen,
maar hield een kleinen voorraad water en zaad.
Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon
Burke niet verder, King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de
krachten van Burke waren geheel uitgeput. Op zekeren avond zeide hij
tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven, totdat ik
werkelijk dood ben......... Laat mij dan maar liggen, zonder mij te
begraven.” Den volgenden morgen was hij dood.
Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste
woorden, welke hij vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven
luidden: „Ik kan hoogstens nog vier tot vijf dagen leven, als het warm
wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.”
Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste;
uit Melbourne, Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook
in Sidney en andere steden verontrustte men zich zeer om het lot van
Burke. Eindelijk trof men King aan, die het vertrouwen der inboorlingen
had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde, en hun levenswijze
had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig.
Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij
kreeg. De beide dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche
vlag. Later werd hun asch naar Melbourne gebracht, waar op hun graf een
statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken is zoo goed als
alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote
verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze
bergen.”