Den morgen van den 21sten October richtten zich alle verrekijkers naar
het Oosten. Twee kleine, steile eilanden duiken in een witten krans der
branding uit zee op en daar achter worden nog andere eilanden
zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône
groenen. Weldra stoomen wij tusschen echte scheren.
Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa,
Afrika en Australië hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die
tot het Oostelijk half rond behoort. Europa is met Azië zoo nauw
verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen noemen.
Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die
sedert 1869 door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt
daarentegen, als geweldig eiland in het Zuid-Oosten op zichzelf, de
eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de beide reeksen groote en
ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide werelddeelen
uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden,
de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren
zin de eerste ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken
punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten
uitstrekt.
De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks
middelmatig groote eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de
twee andere groote Soenda-eilanden, Borneo en Celebes.
Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de
bosschen leven olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas
loeren tijgers en panters, en in de diepte der oerwouden huizen apen
van de meest verscheiden soorten. De grootste daaronder is de oerang
oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk, wild en
gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt
suikerriet, koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien
specerijen en kokospalmen, en de boom, welks bast de koortsstillende
chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest
noodig, want in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts.
Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee,
tusschen de bergen, die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt
men een goed gezond klimaat.
Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op
deze eilanden voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige
jaargetijden, waarvan men hier kan spreken, zijn de tijden van regen en
droogte, en de Soenda-eilanden behooren tot de regenrijkste streken der
aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn heidenen, maar langs
de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen. De wilde
stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle
levenlooze voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de
zielen der afgestorvenen nemen aan de vreugden en het lijden der
levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die met menschenoffers de
geesten verzoenen.
Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo
groot als Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na
Nieuw-Guinea het grootste eiland der aarde, komt in grootte overeen met
het geheele Scandinavische schiereiland. Java, een der schoonste en
rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch de
bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De
Soenda-eilanden staan onder de heerschappij van Nederland, het
noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen aan Engeland.
In de zeeëngte tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch
eiland, Krakatau, dat in den zomer van 1883 het schouwspel was van een
der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren tijd hebben
plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door
visschers uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou
geen zijner bewoners hebben kunnen vertellen, wat zich heeft
toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige mijlen verwijderde,
eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd. Den
26sten Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een
aschregen neerdalen, dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk
grooten afstand, het eiland voorbij voeren, meter hooge lagen gevormd
werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in beroering en vele
schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den tweeden
dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog
slechts enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een
stortvloed op, die, 30 meter hoog, zich op de naburige kusten van
Sumatra en Java stortte en steden en dorpen wegspoelde, wouden en
spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika en
Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over
de zee had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op
Ceylon en in Australië, ja nog op een afstand van 3400 kilometer te
hooren; men zou het dus door geheel Europa en nog een eind verder
gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch welke de
vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele
Scandinavische schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen.