Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië.
Hier landt men, als men met de stoomboot van Europa door het
Suez-kanaal naar Indië reist, en van hier gaat men met den spoortrein
verder. In de haven liggen ontelbare schepen, die daar lossen en lading
innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met 300.000 inwoners.
Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende
volkeren en godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het
binnenland hebben leeren kennen, en nog verscheidene andere. Zelfs de
brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar onder glas.
In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à
zevenhonderd jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs
man, Zoroaster, en grondvestte den godsdienst, die door geheel Perzië
en de daaraan grenzende landen geldt en in wiens naam Xerxes zijn
onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen in het
jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië
overstroomden, vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster
naar Indië. En die rest van het volk leeft nog in Bombay en draagt den
naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke bezitters van Bombay en
beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den handel der
stad.
Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het
vuur, het water en de aarde. Om de aarde door graven niet te
verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding niet te ontheiligen,
hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven.
Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland,
verheffen zich lage, ronde torens, die „de torens van het zwijgen”
heeten. In een dezer torens wordt het lijk, naakt, zonder lijkkist,
neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode nog slechts het
geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren en
doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen
van het park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de
verwanten der dooden zich ongestoord aan hun smart overgeven. En
prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen zijn: in het Westen
en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige, door
den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt
Bombay, de Koningin van den Indischen Oceaan.
Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en
binnen twee uur vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste
Oosten af. Zij is 151 meter lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en
vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort aan een groote, rijke
maatschappij, de „Peninsular and Oriental”, die van het Engelsche
postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen gulden;
daarvoor neemt zij de post naar de kusten van Azië en Australië mee.
Van Engeland naar Suez leveren de passagiers de voornaamste inkomsten,
maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk schip betaalt
voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog
altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel
Afrika moeten omvaren.
Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten
onderzoeken, want Bombay is een broeinest der pest. Daarna worden de
sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven beginnen te draaien; een
uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit is, maar dan
glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de
meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn
huizen, kerken en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten.
Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip
slechts toegang; hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en
daar achter ligt de kajuit van den kapitein. Het middelste dek met zijn
beschermend zonnedak staat ter beschikking der reizigers. Voor een tien
kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal dit dek
rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat
de ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een
prachtige salon bevat schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op
het achterdek ligt de rookkajuit, waar men na het eten koffie drinkt.
Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar het zoo warm is, dat
men zich niet kan toedekken.
Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De
Engelsche bediende komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt
intusschen in een groote porceleinen kuip een bad van zeewater voor mij
gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en krijgt dan zijn
eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt
gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager
ligt. Hier vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het
diner, dat door Portugeezen, een gemengd ras uit de Portugeesche
bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt toebereid en gediend.
Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt
snel in zee, de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de
witte golven van de stoomboot in den electrischen lichtglans, die van
het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren buiten in de duisternis
kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit Bombay komen
of er heen gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien
rechts de eilandengroep der Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en
voor ons strekt zich een zand- en grintgordel uit, waarover de branding
der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder blauw, lichte
wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip
glinsteren als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s
avonds vertoont zich een prachtig kleurenspel: in verblindend
blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van den bliksem in de
wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter
kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en
eindelijk geheel is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren
brug over de zee. De nacht is stil, men hoort niets dan het eentonig
stampen der machines en om één uur wandel ik nog op het dek op en neer,
om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel van vrijheid,
als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft
rondgezworven!
Den 17den October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt
van Indië. Indien wij van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na
anderhalven dag bij den aequator zijn en voor ons zouden zich de
geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken.
Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten
slotte twee kleine, eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte
kusten door de stormen van den Indischen Oceaan worden gezweept,
Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van het vasteland
van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze
vaart stellen.
In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags
aan den horizon het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van
verre glinstert de witte band van de schuimende branding, die in den
zomer zeer grootsch is, want dan waait daar maanden lang onafgebroken
de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is een zegen voor
heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten,
waarvan driehonderd millioen menschen leven.
Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige
reeks Aziatische en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de
hoofdstad van Ceylon en een voorname haven van allerhande schepen, die
tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten uit de haven
bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien:
Singhalezen en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen
zich op de bagage der reizigers; zij hebben slechts een roze of witte
lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een kam op het hoofd. Een
sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige
bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige
„rikscha’s” die door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen
wouden van slanke kokosboomen wisselen de hutten der inboorlingen met
de huizen der Europeesche beambten en kooplieden.
Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan;
zij brengt reizigers en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië
moeten en nu door ons worden opgenomen, terwijl de „Moldavia” haar
veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe passagiers
zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie
met verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun
woonsteden terugkeeren, maar ook kooplieden en personen, die voor hun
genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch ingenieur onder, die in Siam
een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar
Hongkong reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats
vinden.
Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch
en onder het hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee
weer in, terwijl van de zeventig nieuwe passagiers verscheiden dames
spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon het schip maar zeer
weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte
van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan
Sumatra’s Noordkaap houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus
een reis van zestig uur.