40. EEN HEILIGE STAD.

Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het

Oosten voert, is buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd

millioen, voor het meerendeel Hindoes, bewoond. Het wemelt van steden,

van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar oud zijn, en van

ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten

hebben.

De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun

kleine, bruine, aardige kinderen spelen spiernaakt voor de hutten.

Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op hun negende jaar worden zij al

uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter nog gescheiden,

totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de jonge

vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog

ongelukkiger is een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van

haar man op een brandstapel laten verbranden; deze huiveringwekkende

gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft, maar haar lot is

desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit den

weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op

dien dag een ongeluk overkomen!

Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van

Hindoes en Mohammedanen in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of

kleine ronde mutsen, brengt een voertuig mij naar een bungalow, zooals

het Indische logement heet, waar ik mij door een bad verfrisch.

Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome,

Mekka en Lhasa bestonden, was Benares de geboorteplaats van den

oerouden Indischen godsdienst, en nog steeds is de stad het hart van

het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer dan twee honderd

millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken

sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer

gezond te worden, de ouden om hier te sterven; en wie in de verte

sterft, laat zijn asch naar Benares zenden, opdat ze in het

zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde. In Benares

predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus’ geboorte, en voor zijn

aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares ook een

heiligdom.

De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en

den stank van allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links

zijn open winkels, waar sierlijke vazen, schalen en bekers van koper en

andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk, worden verkocht. De

afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige

koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met

sleependen gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet

men goudsbloemen, want het wordt als een goed werk beschouwd, deze

viervoetige heiligen er mede te voederen.

Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend

voor haar tweeduizend tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van

dezen Brahmaanschen godsdienst zeker even weinig worden als mij!

Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen! Lees in

elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie,

waarmede natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood

bezongen worden. Maar wat gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over

de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen, als gij niet zelf een Hindoe

zijt.

De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh,

den instandhouder en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de

overige millioenen goden afkomstig; zoo beteekent bijvoorbeeld de godin

Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze godin werden vroeger

nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben

verboden, nog slechts geiten.

De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de

goden. De gansche natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de

stier, de aap, de krokodil, de slang, de schildpad, de adelaar, de pauw

en de duif. Leugen, diefstal en moord zijn geoorloofd, maar als een

Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar van een koe

inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor

alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf!

Dit bijgeloof is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed

gedrongen, en bestaat tegenwoordig nog in volle kracht. Een koe te

dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen voor het vee

bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de

Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen

van een nieuw model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd!

En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen

slachten en het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel

afschuwwekkender is dan weduwen te verbranden of der godin Kali

kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze van voelen van de

onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend

door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij

te eten; met een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes

mij bezochten, had het in het geheel geen doel hen iets voor te zetten.

Bij groote feestelijkheden, welke de Engelsch-Indische Vice-Koning in

Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s in goud

geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun

plaats pas kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen

aan. Nam een voornaam Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij

een afvallige, die uit zijn kaste was getreden.

Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het

Noord-Westen binnendringende Ariërs was veroverd, dus sedert meer dan

4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld, en het onderscheid

tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in Europa

tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen,

de geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu

zijn er duizenden van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle

goudsmeden bijvoorbeeld behooren tot dezelfde kaste, alle

sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste behooren,

verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten.

Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest

hij het recht tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen

groote sommen betaalt, kan hij dit recht onder zekere boetedoeningen

terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat in het verorberen van

vier, van de koe komende, stoffen: melk, boter en mest in tweeërlei

vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid en heiliger dan alle

menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen!

Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten

van Benares. Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een

bijzonderen tempel, die gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze

vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten en die verzoend moet

worden met bloedige offers.

Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist

bezig een geit te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven

gerst en noten, en raadden mij dringend aan een buidel vol mede te

nemen, om niet met ledige handen de heilige apen te naderen. Nauwelijks

had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven mij

reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede

stemming de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte,

gingen ze op de achterpooten staan, hielden mijn hand met een hunner

zwarte pooten vast en namen met den anderen een greep gerstenkorrels.

Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder, totdat

mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde,

bruine oogen aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen,

krabden zich den nek of onder de armen en verdwenen in een oogwenk, om

op de takken der naaste boomen te gaan schommelen. De apentempel is hun

kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen zich

in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond.

Met „aapachtige handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken

der huizen loopen, balkons en galerijen opklauteren, over de straten

springen, zich in de kronen der boomen slingeren, die een tempelhof

beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels

van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook

uitstekend bij geschilderde en uitgesneden scènes uit de godensagen der

Hindoes, die den achtergrond vormen!

Van pool tot pool(#68251) · 第 44 / 78 题