Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten
begint te wijken, ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot,
die vier mannen met stokken vooruitstuwen en zet mij neer op het dak
der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade varend, heb ik
een voortreffelijk uitzicht op deze vreemde stad, die zich langs den
linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange uitgestrekte massa op
elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen
veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen
architectuur.
Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier
en steenen dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan
houten getimmerten boven den waterspiegel, die met stroodaken en groote
zonneschermen zijn bedekt.
Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad
komen zij omlaag naar de heilige rivier, om de opgaande zon te
begroeten; bruine, half naakte gedaanten, wier lichte
kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in
schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs
de rivier; het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn
minst vijf duizend.
Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder.
Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn
hoofd is glad geschoren, alleen in den nek staat nog een bosje haar.
Hij schept met de hand water uit de heilige rivier, slurpt het op,
spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga aan, de
dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der
zonden van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop
noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het
heilige woord: „Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten
slotte wendt hij zich nog tot aarde, lucht, zon, maan en sterren, en
giet water over zijn kruin.
Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de
rand der zon zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome
pelgrims met wateroffers begroet. Men spat met de handen water in de
lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden bodem de rivier
in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers
de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin,
dan legt hij zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de
borst, alles om Vischnoeh’s honderd en acht verschillende openbaringen
zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij slechts een enkele dezer
ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening, die
ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en
’s avonds wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft
de Brahmaan in den tempel andere godsdienstige plichten te vervullen.
Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een
grijsaard uitgestrekt; hij is zoo mager, dat de huid over de ribben
spant, en even bruin als de andere geloovigen, maar zijn baard is
sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges, die
ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een
melaatsche, een man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door
zijn wonden wordt verteerd; hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de
bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw bevallig de steenen trappen
af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd. Zij waadt in de
rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt zij
uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar
haren, vult haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige
stroom van den rooden sluier, die haar lichaam omhult, afdruipt.
Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever, en gaan gezamenlijk
weer heen.
In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts
een seconde der eeuwigheid. En al deze duizenden, die met het
wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen, zijn overtuigd, dat
ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren
sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven!
Dat is voldoende.
Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De
ziel van een Hindoe moet meer dan acht millioen dierlijke gedaanten
doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten, die zij
vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht,
om zoo spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en
den hemel der goden te mogen binnengaan.
’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer
langzaam langs de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest,
morsig en grauw stroomt nu de heilige rivier geluidloos door haar
bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting bevat dit zaligmakende
water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen drijven
voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim.
Uit een steil oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek,
in snellen pas een lijkstoet den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt
door de muren der pagoden weerkaatst. Op de baar onder een wit laken
ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden uit de kaste
der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten
brandstapel. Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken
stijgen omhoog. De geur van verbrand vleesch dringt tot mij door en ik
laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn de doodgravers
echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt het
verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de
rivier geworpen!
In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het
zegenrijke water leven en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar
ook zichtbare. Voor den Hindoe is toch bijna de geheele natuur de
openbaring eener godheid en de krokodil is ook een godheid. Men mag hem
niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt met
zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met
zijn buit in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken
nooit aan wraak, doch beschouwen den krokodil nu misschien nog met
grooter eerbied dan te voren. „Op aarde is zijn gelijke niet. Hij is de
koning aller roofdieren,” staat in den bijbel.
Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het
daardoor ontstane gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte
verboden, maar ze moet in enkele afgelegen streken nog bestaan. Men
legt de dooden op een klein vlot en laat ze op de golven van de Ganges
langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik zulk een
dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven
hangen. Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als de gieren
geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen.
Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en
de sprookjesachtige stemming van een Meinacht verbreidt zich over den
oever van de Ganges. Het water ruischt zacht om een vastgeraakten
boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van het riet. Een
panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen in
het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en
zitten slapend onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den
droom opgeschrikte papegaai, laat zijn stem als een schrille fluit over
het woud weerklinken, maar niemand slaat acht op hem, zelfs de panter
wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging. Een krokodil
strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het
maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert
ingespannen en wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich
weer terug, buigt de staart als een stalen veer en verdwijnt in de
diepte.
Daar, plotseling, schokt een toon de lucht, welke in het rond schrik
verbreidt. Als schorre, klagende donder rolt het door het riet. De
tijger is ontwaakt en verlangt naar bloed! Wie eens het doodsoordeel
heeft gehoord, dat in het waarschuwingsgehuil van den tijger ligt,
vergeet het nooit meer!