Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen
wij nu door het dal van de Satledsch, die, hoe verder wij omlaag komen,
steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over
ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de
steenblokken dansen, zoodat het ver in het rond dreunt en het
borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen alle naar de
hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht,
eerbied afdwingend, verder stroomt.
De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten
der ooren en de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in
het vroege ochtenduur omgeeft ons milde lucht, en spoedig komen dagen,
waarin men met eenig verlangen de koelte in het hoogland van Tibet
gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte een mijner
honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de
toenemende warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet
terug! Zijn longen en al zijn organen waren aangepast aan de ijle lucht
en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten loopen.
De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks
15000 inwoners, maar zij is een der schoonste steden der wereld en een
der machtigste, want in haar cederwoud verheft zich een slot en in dit
slot staat een Keizerstroon. En de Keizer is de Koning van Engeland,
wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning. Als de
verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun
beroep niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en
wie in de Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn
staf, de regeering, de opperbevelhebbers van het leger, beambten en
officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar Simla, en daar
leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in
Londen. Dan stijgt het getal inwoners tot 30.000.
Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden
en de huizen kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De
straten loopen terrasgewijze boven elkaar, en overal in het rond is
donker, dicht woud. Maar door de open plekken tusschen de ceders ziet
men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en de
kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de
gebergten van den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk
zijn, na de verstikkende lucht van Indië, in Simla weer te herademen;
maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen aan Tibet’s snijdende
koude, daar te rusten.
Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme
lijnen over ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in
de Pendschab en nu omringt ons de zengende gloed van dit laagland. Wat
zou men niet geven voor een zacht koeltje van Tibet’s sneeuwbergen!
Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend met
water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas
limonade met ijs te drinken.
Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad
aan de Dschamna, een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog
toebehoorde aan een van het Noorden gekomen Mohammedaansche
vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de zetel van den
Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog
aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer
opgetrokken, welker muren en zuilen zijn ingelegd met steenen van
groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet, nephrit en agaat. In een
dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open, door dubbele
zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen.
Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer
doorzichtig is en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer.
In de troonzaal stond vroeger de troon van den Groot-Mogol, de
pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met talrijke diamanten
versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die nu den
Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische
Koning Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens
milliardenschat, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende
diamant, de Kohinoor of „berg des lichts”, die nu tot de Britsche
kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar. Nu nog is de
pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de
gouden pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert,
evenals de overige; zij werden, de een na den ander, gestolen of er
uitgebroken, als de opvolgers van Nadir Schah zich in geldverlegenheid
bevonden.
Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli
heeft rondgewandeld, en zich een weg heeft moeten banen door
luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan is het een dubbel genot onder
de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt men de
Perzische woorden ook, die boven den ingang staan: „Als het paradijs op
aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!”
Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van
den Groot-Mogol, en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een
gebouw opgericht, dat nog heden als een der schoonste op aarde wordt
beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis, en is een
grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den
Groot-Mogol, Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van
de moskee is bijgezet.
Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd;
men heeft er twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft
indertijd niet minder dan 20½ millioen gulden gekost!
Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een
tuin, die het heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen
goudvisschen en drijven lotusbloemen; in het rond weelderig groen, vol
zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn- en rozengeur waait
ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts.
Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte
wolken, zweeft op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk,
als alleen de liefde uit het puin der aarde weet tevoorschijn te
tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft zich een hooge,
slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige
moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden
staan, achter een traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten
van den Schah Dschahan en van zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De
sarcofagen van beiden rusten in de crypte.
De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar de groene
achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer
steeds nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn
sneeuwwit, de schaduwen lichtblauw. Hier en daar schijnt het gebladerte
een groenen weerschijn op het witte marmer te werpen. Als de zon in
vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig
schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal
in maneschijn te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend,
ligt de tuin dan, maar de belichting der marmeren muren is nu ijzig
koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen de koepel glanst
zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen
gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het
rond en het vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich
zachtruischend naar den heiligen Ganges.