Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de Satledsch, haar
bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den
Himalaja om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste
weg om uit het hoogland van Tibet in het gloeiend heete laagland van
Indië af te dalen. Daarbij doorsnijden wij een reeks verschillende
hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren en planten hebben. De
tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen van den
Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou
sterven indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de
wolf, de vos en de haas komen zoo wel in Indië als in Tibet voor.
Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der
eeuwige sneeuw, (3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit
en sleutelbloemen, precies zooals op onze hoogere breedtegraden onder
gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte van 3600 meter beginnen
de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige dennen
en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte
omgeven ons geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom,
die Himalaja-ceder heet, en op den Libanon beroemde verwanten heeft;
van ceders van den Libanon waren de schepen gebouwd met welke de
Phoeniciërs, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee
beheerschten. Op 2100 meter hoogte groet ons de eik, en verblijdt ons
de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte echter ontplooit zich
een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud en
spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de
geheele rijkdom van het Indische oerwoud.
De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch
Afrika. Bevrucht door den regen van den moesson, of kunstmatig
bevloeid, geeft de grond voedsel aan wilde en verbouwde planten. Wel is
waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen over groote
uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de
plantenwereld daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de
lucht van bedwelmende geuren is vervuld, alsof het een reusachtige
broeikas was.
Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van
verscheidene millioenen menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden
heeft de weldadige plant zich naar Afrika en de kusten van de
Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika.
Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig
vleesch een heerlijke kost, en de groote bladeren der bananen worden
tot het bedekken van daken, voor zomerschermen en andere nuttige
doeleinden gebruikt.
Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van
den mangoboom! Hij is 15 meter hoog en onder zijn blauw-groene
lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van de
mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur.
Maar als gij mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord
schuldig blijven, want hun smaak herinnert niet aan die van eenige
andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer goed smaken.
Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel
van Sina, China) en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel
Indië en van daar verder verbreid; ’t zijn vruchten die ieder bekend
zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren, walnoten en vijgen
van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit. De vijg
is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is
overal te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en
ook in het Nieuwe Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom
bracht Boeddha klaarheid in de raadselen van zijn godsdienst. Daarom
heet deze boom Ficus religiosa. In het Boeddhisme is de lotusbloem
(Nymphaca stellaris) die evenals de waterlelie op het water drijft,
niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld van den Boeddhistischen
godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke
hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den
Noord-Oosthoek van den Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam,
eveneens op het Zuidelijk uiteinde van Dekan, en in Birma op het
Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen verbouwd
en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele
bloesems, en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot,
openspringt, vertoonen zich een menigte zaden, die met zacht wollig
haar zijn bekleed; dit haar is de katoen. Als de afgeplukte zaadhulsels
in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines van de zaden
losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over
de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en
Arabië verbouwde men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren.
Alexander de Groote bracht hem naar Griekenland, en nu zijn bijna over
de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing staat het hoogst
in Noord-Amerika.
Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te
nemen in het verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar
1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek naar Europa vervoerd, in 1896 steeg
de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de uitbreiding van de
rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag op
eens zoo groot werd, begon een zinneloos vellen van boomen, waarvan het
ingedampte melksap kaoetsjoek levert; maar nu is men tot verstandiger
methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste van alle
kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden
voorzien, en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna
gekookt, geroerd, geperst, op blikken platen uitgespreid, samengerold,
en in stukken in den handel gebracht.
Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel,
de bast van de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de
Groote het eerst in Europa heeft binnen gevoerd, gember, kardamome en
sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt geperst. Bovendien
groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen en een
vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp
zaadhulsel open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin
wordt en in de lucht verstijft. Dat is opium. De opbrengst van de
opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het grootste deel naar
China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine
opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp
vastgekleefd en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in
twee diepe teugen ingeademd, en reeds na het tweede balletje valt de
opiumrooker in een op den dood gelijkenden slaap, vol liefelijke
droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn
omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is
de werkelijkheid zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een
afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg. Wie eenmaal tot deze zonde is
vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In Perzië wordt het
opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts aan
over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het
openbaar.
Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de
morphine; inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook
daaruit is een hartstocht ontstaan en de ongelukkige menschen, die het
morphinespuitje niet meer kunnen ontberen zijn even zeker verloren als
drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel eerder dan
anderen.
Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap
er van bevat 20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet
het sakkara, en de Arabieren die het naar de kusten van de
Middellandsche zee brachten, noemden het sukkar. Zoo heet het ook met
kleine afwijkingen in alle talen in Europa en in vele van Azië. Ook de
palm groeit in vele soorten in Indië, vooral de dadelpalm, de kokospalm
en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt de sago bereid; ze
is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den
ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen
geeft de grond van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten
voedsel, zooals den sandelboom, welks hout tot fijne meubelen wordt
verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die 40 meter hoog
wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden
vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers
roesten er niet in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen;
slaap- en restauratiewagens der spoorwegen zijn ook meestal van
teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood veroordeelde boom drie
jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan; hij sterft
dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de
werk-olifanten zonder moeite wordt gedragen, en op het water der
rivieren, langs welker loop hij naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven.
En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat
omvat, dus tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland;
twee vijfden er van zijn vazalstaten, al het overige met Birma vormt
het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook een Engelsche kroonkolonie.
Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft ontdekt, trad
Europa met het verre land in nadere verbinding.
Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de
Oost-Indische compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en
onderwierp steeds een grooter deel van het land. Nu zijn de Engelschen
honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher, en het
merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der
aarde met 300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen
wordt geregeerd. Behalve het Engelsche deel van het leger leven er daar
slechts 76000! Het wonder is slechts daardoor te verklaren, dat de
Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig meer haten dan
hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers.