Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had
geteld, die ik heb ontmoet, dan zouden het er vele, vele duizenden
zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het
Zuiden, gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche
dieren niet nu eens afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van
verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche naam van den wilden ezel
is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap met het
paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als
een middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp
gehoor, aan den staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de
buik en de pooten is hij wit. Speurt hij gevaar dan snuift hij luid,
heft den kop in de hoogte, spitst de ooren en blaast de neusvleugels
op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard. Maar als men
hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het
onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen
ezel en paard en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast
de kiangs der woestijnen als landloopers uit.
De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert
vele jaren mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan
den oever van een zoutmeer. Daar komt een kudde wilde ezels in een
stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het bevel van een leidenden
ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame, maar
onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit
zulk een verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn
als men zijn nieuwsgierigheid volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven
een fraaien halven cirkel om ons heen en houden halt naast onzen weg.
Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht en
elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert,
loopt achter om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En
deze manoeuvre herhaalt zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt
alsof de wilde ezels door onzichtbare ruiters bestuurd worden. Zij
schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer voort kunnen, te
willen bespotten.
Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid
weidt een kudde Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend
rond. Maar zoodra het donker wordt, verzamelen zij zich midden op de
vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen troep; merries en veulens in
het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten uit, die voor
wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de
stilte van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen.
Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van
gevaren afwisten. Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en
beproefden in het geheel niet te ontvluchten. Zij slurpten ijverig met
water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden blijven
en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de
vrijheid misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan
de verzorging hunner moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders
wilden ze niet meer aannemen, nadat ze in handen der menschen waren
geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven te beveiligen.
Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds
voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den
wilden ezel vrij en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan
wien Ik de woestijn tot woning heb gegeven en zijn woonstede op de
zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament.
Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren,
zonder nog vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat
in Tibet’s hoogste bergen leeft. In het Tibetaansch heet het yak en
deze naam is ook in de meeste Europeesche talen overgegaan. Zijn kleur
is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij grijsachtig. De
tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als de
tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige
beharing. Van terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult
heeft; vlak boven de voorpooten is het hoogste deel van den rug, en
vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel der staart; hals en nek
dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk en plomp,
dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een
heftigen strijd met een mededinger afgestompt.
Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet
leven, heeft hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag
onder de huid noodig, en daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen
koude op de wereld hem iets kan hinderen. Als zijn adem als twee wolken
damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich het beste.
Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het
onderste deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten
dikwijls zoo welig omgeeft, dat de haarvlokken tot den grond reiken.
Als de yak op steenharden, bevroren of met puin bedekten ligt, dan
dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht en warm
op.
Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets
groeit, en een karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men
dagen lang geen grashalm, pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook
heel zelden, kleine armzalige struiken, en om boomen te zien, moet men
nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen. En toch zwerven
deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven van
mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw
als een kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar
scheren zij ook het slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee
af, dat langs de oevers van de hoogste bergbeken groeit en zoo kort is,
dat een paard het niet zou kunnen afgrazen.
Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene
dagen en nam slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een
Afghaan en heette Aldat. Hij was een geweldige yakjager, en placht de
buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche kooplieden te verhandelen,
die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons nachtkwartier
200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men,
als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en
hartkloppingen kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik
een grooten yakstier toch eens ging zien, die op een helling boven mijn
tent weidde, en daar ik Aldat beloofd had, dat hij onderweg mocht
jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik mede. De stier
had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts
aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw
siepelde tusschen de steenen, het weer was koud, winderig en
bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer op den rug kroop Aldat in een
gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend als een op roof
uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een
ternauwernood merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk
zijner bewegingen gade. Voorzichtig legde hij het geweer goed,
ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij vermoedde niets
kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de
nabijheid van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen
tijd zal hij wel geen mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot,
zoodat de echo tusschen de rotswanden weergalmde. De yak sprong in de
hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna deed hij eenige
onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde zich in
evenwicht te houden, viel, stond met moeite weer op stortte daarna
zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder
een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de
wraakzucht van den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was
dood en een uur later reeds gestroopt en in stukken gedeeld.
Dat gebeurde den 9den September. Den 23sten konden de verwanten van den
yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan. Eenige
mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat
zij juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een
pels en vulden het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf
heuvel werd de lat van een tent rechtop gezet, en aan de spits bonden
zij den behaarden staart van een wilden yak. Die onder dezen grafheuvel
sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager!