In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander
de Groote, koning van Macedonië met een vloot nieuwgebouwde schepen de
Indus af en landde in de stad Pathala, daar waar de deltaärmen van de
rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want de bewoners
waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen
na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten
konden terugkeeren. Bij de stad werden een vesting en verschillende
scheepswerven gebouwd.
Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de
heerschappij aanvaard over het kleine Macedonië en niet alleen de
volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland
onderworpen. Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de
Perzen verslagen en de Klein-Aziatische rijken, Lycië, Kappadocië en
Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen knoop
doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de
rechthoekige bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen
Grootvorst Darius Kodomannus, die hem met zijn geheele leger tegemoet
was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester van den Perzischen
kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde
handelssteden der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte
Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren nog een bloeiende stad is. Door de
Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter Ammon, waar de
priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van
Ammon gaven.
Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat
over, overwon aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche
Babylon en Susa, waar 150 jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus
(Xerxes), die over „127 provinciën, van Indië tot Koes” heerschte, zijn
hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun „den heerlijken
rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had
getoond. Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van
den Perzischen grootvorst in de asch leggen, ten teeken dat het nu met
de oude heerschappij voorbij was. Darius over Ispahan en Hamadan
vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië, het
tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den
Syr-darja en het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000
man sterk leger naar het zuiden, naar Indië, veroverde het geheele
laagland van Pendschab en onderwierp alle volkeren die ten Westen van
den Indus woonden.
Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke
overwinningen die hij behaald, en de uitgestrekte landen, die hij
veroverd had. Overal had hij Grieken en Macedoniërs aangesteld, die
naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten voeren.
Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en
Babylon zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een
ontzaglijke leemte aan te vullen, de woestijnen, die wij juist op den
weg van Teheran over de oase van Tebbes, door Seïstan naar
Beloedsjistan zijn doorgetrokken.
Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een deel van het
leger op een meer noordelijk gelegen weg over Seïstan naar
Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs
de kust van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de
Perzische golf tot aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien.
Geen Griek had tot nu toe deze zee bevaren en met de schepen van dien
tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was deze onderneming ook een
gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want Alexander
wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg
verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou
verbinden. Om de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen
voorzien, besloot hij zelf den gevaarlijken weg, door de woestijn,
langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden, die hem op dezen
marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst!
De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op
schitterende wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die
ooit werden gemaakt. De door hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo
nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden kan gebruiken, ofschoon
de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd is, sterker
verzand en ondieper.
Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht
blootstellen, voordat hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van
den Indusmond en van het werkelijk bestaan der groote wereldzee. Daarom
voer hij met de snelste schepen van de vloot: dertigriemige schepen en
kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven elkaar
geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den
romp van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken
Indusarm af, terwijl troepen langs den oever de schepen dekten.
Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft
bereikt en de oevers mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en
slibbanken door te roeien zonder loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds
den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke storm, en
gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden
vaartuigen en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om
onder de visschers eenige mannen te vinden, die als loods zouden kunnen
dienen, en nu ging het verder stroomaf. De rivier werd steeds breeder
en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche bries van de
zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt
bereikt. Het grauwe troebele water van den stroom joeg steeds hoogere
golven op, het roeien werd steeds moeilijker, daar de roeispanen nu
eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden. Toen wist
men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van
de zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm
beschutting te zoeken, waar de schepen aan land werden getrokken.
Daarop viel de eb in, en het water daalde sterk, alsof het door de zee
werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden zonken
diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want
zij konden voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het
vlotmaken der schepen, kwam de vloed weer op en nam ze meê op zijn rug.
Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en
vloed, konden de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van
Alexander kwam eindelijk bij een eiland dat zoet water in overvloed
had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende branding, aan den
uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den
hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich
overtuigd had, dat ook van de bovenste rij banken, van de triremen of
driedekkers niets anders meer dan hemel en water was te zien, offerde
hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de zilvervoetige zeegodin
Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden om
bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn
gebed had geëindigd wierp hij een gouden beker in den stroom.
In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een
tulbandvormigen doek om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige
Koning der Macedoniërs daar, hoog opgericht en slank op den
achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke zee, welke hij met
dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij tevoren
drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen
passaatwind in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der
woestijn, waar verstikkend stof rondom paarden en transportwagens
dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde, en zich volkomen
bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam na
meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven.
Er zijn steden in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren
in Midden-Azië, die tegenwoordig nog den naam van Alexander dragen!
Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en
dertig jaar oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde in geheel
Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk
aan daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden.
Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen
en op vredescongressen verstandige toespraken houden, doen knapen en
jongelingen er goed aan zich nu en dan den ridderlijken, zonnigen tijd
eens te herinneren, toen de zwaardslagen der Macedoniërs, op de hoofden
en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een
echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg
door het heete zand der woestijnen baanden.