28. DE DOODSKARAVAAN.

Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van Kaschmir zijn 300

kilometer. Rondom het Kaschmirdal verheffen zich de met sneeuw bedekte

toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen

van dit gebergte trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en

dertig muilezels en honderd paarden bergopwaarts. Na een reis van

ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het geweldige vlakke

trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten door

gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van

Oost-Turkestan verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de

groote rivieren van Indië en China haar bronnen hebben. In het Westen

is de Pamir, het „Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het

Hemelgebergte dat verder naar het Oosten door den Altai en

verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit de

reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in

het hartje van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan

een Tibetaansche schaapskooi herinnert, die door ontzaglijke steenen

muren is omgeven. In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar

het Oosten een rivier: de Tarim. Ze ontstaat in het Zuiden uit de

Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar loop nog andere

zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan

stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag.

De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar

beneden, en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze

is gedoemd, nooit de zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een

woestijnmeer, het Lop-nor!

Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn,

die de vreeselijkste der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en

Afrika strekt zich van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen een

woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een uitgedroogde

reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van Mongolië, de

Takla-makan, het „Roode Zand” en het „Zwarte Zand” in

Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten

slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen

Oceaan tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus

een schakel.

Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste

herinnering verbonden van mijn veertienjarig rondzwervend leven in

Azië. Het was in April van het jaar 1895, dat ik van het dorp Merket

aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten wilde trekken

tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had

een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand

voor twee maanden meegenomen, want daarna wilde ik Tibet doorreizen.

Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai een andere heette Kasim.

In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de

laatste bocht van een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad

voor tien dagen op te doen en spoedig trokken wij door een zandzee

waarvan de duinen steeds hooger werden en zich tot zestig meter

verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte

wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden.

Op den morgen van den 25sten April had ik de akelige ontdekking gedaan,

dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel slechts voor twee dagen water

had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee of drie dagen wel

ergens water zouden kunnen graven. Maar deze hoop werd teleurgesteld en

de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel vertoonden, zonden

geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes worden

verdeeld.

Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot

deel van de bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een

Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”, die het stuifzand in

ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen,

zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop

van den wind afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te

stikken in het stuifzand.

Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze

geslonken en den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water.

Daar verraste Islam Bai mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen

zouden hem gedood hebben als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s

avonds de laatste druppels verdeeld zouden worden, hadden Kasim en een

ander, half dood van dorst ze toch opgedronken! Den eersten Mei hadden

wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de kameelen

bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had

gedronken, kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest

het verstand; bijna het verlangen naar water laat iemand geen rust, men

voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij hadden een flesch Chineeschen

brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te branden in

kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den

verderfelijken inhoud in het zand vloeien.

De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich

voortsleepte tusschen de duinen kon ik ze niet meer bij houden. Ik

kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken zoo

helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf

eindelijk weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand,

zand, zand, aan alle kanten!

Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een

duinenkam, van waar ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan

liggen, Kasim zat op den grond, de handen voor het gelaat, hij ijlde

reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander Muhamed Schah

smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer

hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het

schaap aan de beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik

en rook zoo weerzinwekkend, dat de hond het niet eens wilde hebben.

Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor de urine der kameelen!

Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent

achtergelaten, met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder

mijn photografisch toestel met ongeveer duizend platen. De gids verloor

zijn verstand, en stopte zand in den mond; hij beweerde, dat het water

was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd.

’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij

vergezelde om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de

vetstaart van het schaap mede. Ik had slechts mijn horloge, het kompas,

een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine blikken doozen

met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij

mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel

waren zoo droog, dat het slikken onmogelijk was.

Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk

geleden, en verlieten nu ons wrak schip om de een of andere kust te

bereiken. De hond Jalldasch bleef ook bij de karavaan, ik heb hem nooit

teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast zich staan, toen

Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter de

duinen.

Van pool tot pool(#68251) · 第 32 / 78 题