Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden,
klinkt de stoomfluit van een locomotief als de lieflijkste muziek in de
ooren.
Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van
mijn Beloedsjen, stapte in den trein en reed over de groote
garnizoenstad Quetta in Britsch Beloedsjistan naar den Indus.
Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In
het zuiden van de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek
waarvan de punt in den Indischen Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de
basis van dezen driehoek echter breed. Hier stroomen de drie groote
rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra. De
Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van
den driehoek. Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van
groote, beroemde steden, van welke wij er verscheiden zullen bezoeken
zoodra wij van een langeren uitstap naar Tibet teruggekeerd zullen
zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke delta,
met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in
de golf van Bengalen uitstort.
In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de
Indisch-Arabische zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen
hoog boven in Tibet, dicht bij elkander en als een ontzaglijk
edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende, ruischende
zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het
westen doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en
in het Oosten zoekt de Brahmapoetra, door een niet minder woest en
duizelingwekkend dal den weg naar het laagland. De sedert duizenden en
nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende kracht
der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste
gebergte der aarde uitgeslepen.
De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en
ruischende stroomversnellingen ijlen zij van het gebergte omlaag hun
gebieder tegemoet. De grootste heet Satledsch en zij doorstroomen alle
een laagland, dat Pendschab heet. In dertien uitmondingen, die over een
uitgestrektheid der kust van 250 kilometer verdeeld zijn, stroomt de
Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer, dus iets
langer dan die van de Donau.
Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar
het Noorden. In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs
in Beloedsjistan, namelijk 42 graden! Om de spoorwagens tegen de
gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van kappen van stroo
voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der
raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de
Europeesche spoorwagens, maar donkerblauw en groen, want anders zou
terugkaatsing der zonnestralen door den aardbodem verblindend werken.
Om het andere raam rechts en links, ziet men in het venster geen glas,
maar is een netwerk van wortelvezels gespannen waarlangs dag en nacht
water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht die
door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte
vensternet in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien
tot twaalf graden afgekoeld en het is heerlijk zich half gekleed in den
tocht neer te zetten!
De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte
tot aan de zee waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet,
eindigt, terwijl stoombooten de trieste rivier op en af varen. Wij
rijden de Indus echter op tot aan Rawalpindi, een groote garnizoenstad,
waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op een uitstapje
over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te
sluipen.