Op zulke ren-dromedarissen, als de roovers van het vorige hoofdstuk
rijden wij nu door Noord-Beloedsjistan, naar het Oosten. Verschroeide,
dorre woestijnen en steppen, slechts schaars begroeid met distels en
bosjes gras, zich verplaatsende duinen van fijn geel zand, en lage,
door den overgang van koude en hitte verweerde bergruggen,—dat is het
stempel van dit land. Slechts enkele nomaden zwerven hier met hun
kudden schapen rond en de vreemdeling vraagt zich dikwijls af, waarvan
hier mensch en dier kan leven. Wel zijn er eenige dalen en ook bronnen
en nu en dan rijden wij door een strook weelderige tamarisken en
saxaulstruiken met takken met groene naalden, hard hout en wortels die
tot aan het grondwater reiken. De groote karavaanweg, dien wij volgen
is echter ontzettend verlaten. En de hitte wordt nu, einde April, met
elken dag drukkender. De thermometer wijst in de schaduw 42 graden, en
als men op zijn dromedaris tegen de zon inrijdt dan is het alsof het
hoofd in een gloeienden oven steekt. Als er wind is, dan gaat het nog,
maar dan jaagt het zand als spoken over den heeten grond. Als de lucht
stil is, dan schijnen de omtrekken der bergen in kleine haastige golven
te trillen. De loop van een geweer, dat in de zon heeft gelegen, zou
brandblaren veroorzaken aan de handen; in het midden van den zomer
wikkelen de Beloedsjen zelfs stukken vilt om hun stijgbeugels om de
naakte dromedarissen voor brandwonden tegen hun flanken te behoeden.
Deze streek is een der heetste der aarde. De zon staat ’s middags zoo
hoog, dat het grootste deel der schaduw van een dromedaris onder het
dier zelf verdwijnt. Met welk een verlangen, ziet men den zonsondergang
tegemoet, en wacht totdat de schaduwen verlengen, en de ergste hitte
afneemt. Maar koel wordt het hier niet eens in den nacht, integendeel
wordt men dan nog gekweld door zwermen muggen.
Verder naar het Oosten worden de dalen vruchtbaar; maar myriaden
vraatzuchtige sprinkhanen verteren de weelderige tarwe; zij waren juist
in het jaar, dat ik dit land bezocht bijzonder talrijk.
Buitendien wemelt Beloedsjistan en ook Perzië van schorpioenen, deze
kleine woestijnbewoners, die zich in tweehonderd verschillende soorten
in alle warme streken der vijf werelddeelen ophouden. Eenige zijn
nietig klein, andere tot vijftien centimeter lang. Zij zijn zwartbruin,
of roodachtig, of zooals in Beloedsjistan, stroogeel. Hun lichaam
bestaat uit een kop en borststuk zonder geledingen, een achterlijf van
zeven ringen met geledingen, en zes staartringen. Het laatste dertiende
lid bevat twee giftklieren en is voorzien van een angel, die zoo fijn
is als een naald. Het gift is een heldere vloeistof.
De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in
muren, en daar zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en
kruipen in kleeren en bedden. In oude tijden geloofde men aan hun
opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament zijn zij ons wel
bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote,
vreeselijke woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen,
een verdord land waar geen water is.” Zij komen ook in het Nieuwe
Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig: „Ziet, ik geef U
macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden
tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats
uit de Openbaring van Johannes: „En uit den rook gingen de sprinkhanen
op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de schorpioenen op de aarde
hebben.”
Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde
rond, maar heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van
sterrenbeelden, dien wij den dierenriem noemen als achtste der twaalf
beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude Egyptische
tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze
oudheid in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier.
’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan
op de jacht. Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen
om den angel niet te beschadigen en dadelijk gereed te zijn voor aanval
en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt slachtoffer gevonden
bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt het
met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven
zijn naar omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den
doodsteek; dan zuigt hij zich vast in de zachte deelen van het
slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn kaken.
De jonge schorpioenen komen levend ter wereld en gelijken van den
eersten dag af op de oude; ze zijn echter nog licht van kleur en zacht.
Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder, die intusschen
steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als
zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere
behaarde eveneens giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer
vaak voorkomen.
De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk.
In sommige gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende
smarten gestorven. Andere krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke
pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen wordt gestoken wordt
tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische hutten,
in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen
gevonden, ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner
bedienden wel gebeurd, en zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast
te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken daar het gansche lichaam
na den steek jeukt en brandt. In Oost-Turkestan is men gewoon, den
schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een
brijachtige massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek
waar de angel ingedrongen is. Of de kuur helpt weet ik niet.
Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen zoo ver
gaat, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in
levensgevaar vindt. Zoo moet hij, als men hem in een kring gloeiende
kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft er uit te komen, zijn
giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls genomen, en
telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring
rondliep en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het
midden bleef zitten. Misschien zeide hem zijn verstand, dat de kolen
zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar voor dat het zoover was,
had een groote steen hem reeds verpletterd. Zeker is medelijden met
dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men
ze ontmoet.