Schah Sevar, „de rijdende koning,” de hoofdman van een oorlogzuchtigen
stam, in het westen van Beloedsjistan, zit op zekeren avond, zijn pijp
rookend, bij het kampvuur voor zijn zwarte tent, waarvan het doek over
tamarisken-takken is gespannen. De sprookjesverteller is zoo juist
opgehouden met zijn verhalen. Daar naderen in het nachtelijk duister
twee witgekleede mannen met witte tulbanden om het hoofd. Zij binden
hun dromedarissen vast en buigen zich ootmoedig voor Schah Sevar; deze
noodigt hen uit te gaan zitten en zich thee in te schenken uit de
ijzeren kan. Nu wordt het levendig in het rond. Er naderen nog meer
mannen het vuur; allen dragen lange geweren, speren, sabels en dolken.
Eenigen leiden twee of drie dromedarissen aan den teugel.
Nu zitten veertien mannen rondom het vlammende vuur. Het is vreemd stil
in dezen kring en op het gelaat van Schah Sevar is plechtige ernst te
lezen. Eindelijk vraagt hij: „Is alles gereed”?
„Ja, heer!” klinkt het van alle kanten.
„Is de kruithoorn gevuld en is er lood in de tasch?”
„Ja!”
„Zijn de waterzakken vol?”
„Ja.”
„Levensmiddelen in de zakken?”
„Ja, heer. Dadels, zure kaas en brood voor acht dagen!”
„Ik heb u eergisteren gezegd: dezen keer geldt het Bam. Bam is een
sterk bevolkt dorp. Ontdekt men ons te vroeg, dan komt het tot heeten
strijd. Evenals de jakhals uit de woestijn zoo moeten wij nadersluipen.
Het zijn 500 kilometer, een rit van vier dagen!”
Weer staart Schah Sevar een poos in de vlammen, dan vervolgt hij: „Zijn
de rijdieren goed uitgerust?”
„Ja!”
„En tien dromedarissen meer om de buit op te laden?”
„Ja!”
Nu staat hij op en alle mannen volgen zijn voorbeeld. Hun woest gelaat
glanst als rood koper in het schijnsel van het vuur. Zij zijn geen
dieven, diefstal beschouwen zij als een laag bedrijf. Maar plunderen en
rooven is volgens hen een ridderlijke sport en hun roem is het aantal
slaven, dat zij in hun leven buit maken.
„Opstijgen!” beveelt het opperhoofd met gedempte stem. De geweren
worden over den schouder geworpen en klapperen tegen den koppel,
waaraan kruithoorn en lederen tasch, met kogels, vuursteen, staal en
tonder zijn bevestigd. In den gordel steken de dolken; toom en buikriem
zijn te voren bezorgd. In een oogwenk zitten de mannen in het zadel.
„In den naam van Allah!” roept Schah Sevar en in matigen draf verdwijnt
de troep in het nachtelijk duister.
Men volgt een bekend pad, de sterren dienen als wegwijzer. De dag
breekt aan, de zon komt op en de vooruit naar Bam wijzende schaduw der
dromedarissen valt op vast, geel zand, waar geen grashalm in groeit. Er
werd gedurende den nacht geen woord gesproken. Nu echter de eerste 120
kilometer zijn afgelegd, zegt het opperhoofd: „Wij rusten aan de bron
van het witte water”. Daar aangekomen, vullen zij de lederen zakken
opnieuw en laten de dromedarissen drinken. Daarna trekken zij zich
terug in het nabijzijnde gebergte, om de heete uren van den dag voorbij
te laten gaan. Zij kampeeren nooit bij bronnen, waar licht andere
menschen worden aangetroffen.
Met het invallen van de schemering zijn zij weer in het zadel. Ze
rijden nu sneller dan den vorigen nacht en houden in den ochtend bij
een zoutachtige bron stil. Den derden nacht beginnen de dromedarissen
moeilijk adem te halen en als de zon opgaat hangt het schuim in witte
vlokken aan hun beweeglijke lippen, die zij ongeduldig kauwen. Zij zijn
niet vermoeid, maar buiten adem en gemelijk en de huid boven hun
neusvleugels is als twee bellen opgeblazen. Maar de wilde jacht gaat
verder naar het Westen en verder stormen de dromedarissen, zonder
aanvuring der ruiters, in dwarrelende stofwolken.
Nu ligt ook het laatste woestijnpad, waarover nu en dan een karavaan
trekt, achter hen, en het gaat in razende vaart over harden
zouthoudenden slibgrond. Niets levends toont zich hier, niet eens een
verdwaalde raaf of gier, die de bewoners van Bam voor het dreigende
gevaar hadden kunnen waarschuwen. Zonder te rusten gaat het den
ganschen dag door. De ruiterschaar is even stom en stil als de woestijn
zelf, men hoort slechts het langgerekt ademhalen der dromedarissen, en
het kletteren der eeltknobbels aan hun voeten op den harden grond. Als
het avondrood zijn purperen waas over de woestijn uitspreidt, zijn nog
slechts 20 kilometer af te leggen.
Daar brengt Schah Sevar zijn dromedaris tot staan en als vreest hij,
dat men in Bam zijn stem zal hooren, roept hij fluisterend: „Halt!” Een
zacht gesis der ruiters en de dieren buigen de knie en leggen zich
neer. De ruiters springen uit het zadel binden de voorpooten der
dromedarissen met koorden vast, opdat de dieren niet kunnen opstaan en
wegloopen en zoodoende het plan verraden. De ruiters strekken zich
doodmoe op den grond uit. Eenige mannen slapen, anderen blijven wakker
van opwinding, vier posten staan naar verschillende kanten op den
uitkijk. Het doel van den rooftocht is nog niet te bespeuren, wel
echter de bergen aan welker voet Bam ligt. Als de nacht er maar was en
de bescherming der duisternis!
De dag was windstil en heet. Tegen den avond komt een zwak koeltje uit
het Noorden en Schah Sevar glimlacht. Oostenwind zou hem en zijn
ruiters tot een omweg hebben gedwongen, om de speurende dorpshonden
niet te vroeg onrustig te maken. Het is nu negen uur. Binnen een uur
slaapt geheel Bam. De ruiters zijn met hun maaltijd gereed en steken
het overschot, dadels, kaas en brood, weer in den zak. „Zullen wij de
lederen waterzakken leegmaken, om den last der dieren voor den aanval
te verlichten,” vraagt een der Beloedsjen.
„Neen,” antwoordt Schah Sevar, „misschien komen wij er niet meer toe de
lederen zakken voor onzen terugtocht in het dorp te vullen.”
„Nu is het tijd,” zegt hij dan, „de wapens gereed houden!” Zij stijgen
weer op en rijden langzaam naar het dorp. „Pas als zich iets verdachts
toont, rijd ik sneller, en gij volgt mij. Gij drieën met de
last-dromedarissen blijft in de achterhoede.” Als valken turen de
roovers naar hun doel. Langzaam verheffen zich aan den westelijken
horizon de omtrekken van den berg. Nog 5 kilometer, maar hun oogen, die
door het leven in de vrije lucht gescherpt zijn, onderscheiden reeds de
tuinen van Bam. Zij komen nader en nader. Daar blaft een hond—een
tweede valt in—alle dorpshonden slaan nu aan; zij hebben de
dromedarissen bespeurd!
„Voorwaarts!” roept de hoofdman. Onder het aanvurend geroep der ruiters
verdubbelen de dromedarissen hun kracht, zij weten wat op het spel
staat. Hun kop ligt bijna parallel met de aarde; zij vliegen voort,
vlokken schuim en stofwolken dwarrelen om hen heen. Het geblaf der
honden wordt steeds razender, eenige komen de dromedarissen reeds
tegemoet. Nu bereikt de wilde jacht den ingang van het dorp. Kreten van
wanhoop klinken, de slapenden worden gewekt, vrouwen en weenende
kinderen vluchten naar het gebergte. Voor geregelde verdediging is geen
tijd meer, de overval was te plotseling; er ontbreekt een leider. Als
opgeschrikte hoenders loopen de ongelukkigen door elkaar en de ruiters
vallen op hen neer. Schah Sevar zit hoog opgericht op zijn dromedaris
en leidt den aanval. De anderen springen af en overweldigen drie
mannen, twaalf vrouwen en zes kinderen, die snel worden gebonden en
door twee Beloedsjen worden bewaakt, terwijl de overige ruiters de
naburige huizen doorzoeken. Hun buit bestaat uit twee jonge mannen, die
vergeefs weerstand bieden, twee zakken koren, een weinig huisraad en al
het zilver, dat zij konden vinden.
„Hoeveel slaven?” brult Schah Sevar.
„Drie en twintig!” klinkt het van verschillende kanten.
„Dat is voldoende, laadt op!”
De slaven en de gestolen goederen worden op de dromedarissen
vastgebonden. „Maakt haast, maakt haast!” roept het opperhoofd.
„Denzelfden weg terug!” In de haast van het opbreken ontstaat een
ontzettende verwarring, eenige dieren hebben zich in de koorden van de
andere verward. „Terug!” De scherpe oogen van het opperhoofd hebben een
naderenden troep gewapende mannen ontdekt. Drie geweerschoten knallen;
plotseling door den nacht en Schah Sevar stort achterover uit het
zadel; zijn dromedaris wordt schuw en snelt de woestijn in. De
linkervoet van den ruiter zit nog in den stijgbeugel en zijn hoofd
sleept door het stof, dat den bloedstroom uit de voorhoofdswond
verstopt. Maar daar glijdt de voet uit den beugel; „de rijdende koning”
ligt als een lijk voor de poorten van Bam.
Nog een tweede roover is zwaar gewond en wordt door de dorpsbewoners
neergehouwen.
Bam is ontwaakt. De in de koorden verwarde dromedarissen, worden met de
slaven en den overigen buit gevat. Maar twaalf ruiters en tien
lastdromedarissen zijn, gevolgd door eenige woedende honden, in de
duisternis verdwenen, en zestien bewoners van het dorp worden vermist.
De geheele overval was het werk van een half uur. In dezen nacht slaapt
niemand meer in Bam.
Nu moeten de dromedarissen zich tot het uiterste inspannen; zij hebben
een dubbelen last te dragen, maar aangezet als op de jacht stormen zij
verder. Zonder ophouden gaat het den ganschen nacht, en den geheelen
volgenden dag door. Nu en dan kijken de roovers om. Bij de zoutachtige
bron wordt voor eerst halt gehouden; wachters bezetten de nabij gelegen
heuvels. Er wordt gegeten en gedronken en alles in orde gebracht voor
den verderen rit. Er is geen minuut te verliezen. De gevangenen zijn
verlamd van schrik; de jonge meisjes half gestikt door het weenen; een
klein jongetje in een gescheurd hemdje roept vergeefs om zijn moeder.
Anderen, van de geroofde kinderen hadden zich moe geweend en zijn toch,
ondanks het heftig schudden gedurende den rit, uitgeput ingeslapen.
Witte banden worden voor de oogen der kinderen gebonden, anders
herinneren zij zich den weg en vluchten vroeg of laat naar Bam terug.
Dan gaat de woeste rit verder en na acht dagen afwezig te zijn geweest,
is de ruiterschaar weer terug met hun buit; maar zonder opperhoofd. De
behandeling der slaven is goed, en—de tijd heelt alle wonden!