Al te spoedig is onze rusttijd in de oase van Tebbes verstreken. De
kameelen staan weer beladen, wij stijgen op. De klokken luiden weer en
onze karavaan trekt verder door de woestijn, dagen en maanden lang,
steeds naar het Zuid-Oosten. Eindelijk komen wij aan den oever van een
groot meer, Hamun geheeten, op de grens tusschen Perzië en Afghanistan.
De noordelijke helft van Afghanistan wordt ingenomen door het
Hindukohgebergte; de naam beteekent Hindoe-dooder, omdat de Hindoes,
die zich uit het heete Indië daar wagen, alle kans hebben in de eeuwige
sneeuw om te komen. In het voorjaar smelten echter groote massa’s van
de wintersneeuw en dan dansen rivieren en beken in vroolijke sprongen
naar het dal om zich op de vlakten van zuidelijk Afghanistan tot een
groote rivier te vereenigen. Ze heet Hilmend en stroomt in het
Hamunmeer, waaraan ik op mijn reis in het jaar 1906 mijn tenten had
opgeslagen.
De kameelen het meer over te brengen ging niet, want goede booten of
zelfs veerponten waren er niet. Dus moest ik mij van ze scheiden, hoe
trouw zij mij ook gedurende maanden hadden gediend. Den laatsten avond
kocht ik al het brood, dat in het naaste dorp was te krijgen en voerde
ze daarmede, op de rij af.
De groote, mooie beesten keken hoogst verbaasd. De zwartbruine
kameelhengst keek zijn makkers tersluiks aan en scheen te willen
zeggen: „Wat mag deze fijne tractatie wel beteekenen? Moet dit
misschien een afscheidssouper zijn?”
„O neen,” antwoordde de bruin-gele buurman, „wij zijn midden in de
woestijn en te voet kunnen zij toch niet aan het doel hunner reis
komen.”
„Dat is waar! Maar zij kunnen ons tegen dromedarissen inruilen, want
voor ons, kinderen van het Noorden, zijn de zuidelijke woestijnstreken
te heet.”
„Ja,” zeide een derde kameel, „de zomer staat voor de deur, wij zouden
sterven en door de horzels worden opgegeten.”
De kameel, waarop ik reed, en die juist bezig was een snede brood
tusschen de tanden te vermalen, fluisterde de anderen treurig toe: „Ja,
wij worden als slaven verkocht! Herinnert gij u den man met den baard
niet, met zijn witten tulband, die onlangs in onzen muil keek en overal
ons lijf en onzen bult betastte, en keek of de haarkwast nog aan de
punt van onze staart zat? Hebt gij het zilvergeld in de tent van den
Sahib niet hooren klinken? Toen kocht hij, met den witten tulband, ons
voor een spotprijs. Maar wat helpt het? Het is nu eenmaal het lot der
slaven van de eene hand in de andere te gaan! Wij hadden het goed bij
den Sahib en het is wreed van hem ons te verkoopen.”
„Maar denk toch aan de weiden en het gebergte,” troostte een der
kameraden; „ik verkies ze in elk geval boven een nieuwen woestijntocht
in de zomerhitte!”
Wanneer de dieren geweten hadden, dat wij ons hier tusschen twee
woestijnen bevonden, waarvan de eene de „hopelooze” woestijn en de
andere Gehenna of „hel” heet, dan hadden zij alle reden gehad zich te
verheugen. Maar toen de nieuwe eigenaar ze den volgenden dag in lange
rijen onder de palmen wegleidde, zagen ze er diep treurig uit en mijn
prachtige kameel wendde den kop naar mijn tent om, zoolang hij er nog
een punt van kon zien. Nu vraag ik mij nog af, op welke woestijnpaden
ze nu wel trekken?
Aan de vlakke oevers van het Hamunmeer groeien rietstruiken en biezen
in overvloed, maar geen boom. Van het riet bouwen de inboorlingen hun
hutten en ook een zonderling soort boot. Bundels kurkdroge, gele biezen
binden zij tot sigaarvormige klossen samen en door het samenbinden van
een menigte van zulke spoelen ontstaat een, verscheiden meters lang,
torpedo-achtig ding, dat zij als vaartuig gebruiken. Geladen ligt zoo’n
ding nauwelijks tien centimeter boven het water; maar bij hooge zee kan
het ook nooit vol loopen of onder water worden gedrukt. Wel kunnen de
biezen los raken, maar men zorgt er wel voor, bij harden wind er niet
meê te varen.
Op veertien zulke booten van biezen werd ik met mijn manschappen en al
onze bagage ingescheept en elk vaartuig voortgeboomd door een half
naakten Pers met een langen stok. Het meer is nauwelijks anderhalven
meter diep, maar twintig meter breed, en na de vele weken van droge,
zwoele woestijnhitte, was de tocht een heerlijke verfrissching. Maar de
honden wilden in het eerst niets van onze vroolijke flottilje weten,
doch sprongen in het water, daar zij, misleid door het riet, het land
nabij waanden. Maar zij zwommen totdat zij naar adem snakten en
eindelijk half dood van uitputting uit het water getrokken moesten
worden.
Twee uur aan gene zijde van het Hamunmeer ligt Nasretabad, de hoofdstad
van Seïstan, hetwelk voor de helft aan Afghanistan, en voor de helft
aan Perzië behoort. Vijf maanden geleden had hier een andere gast zijn
intrek genomen: de pest! Nu ging de zwarte doodsengel rond en haalde in
groote massa’s zijn offers; hij haalde de boeren van den ploeg, de
herders van de kudden, en de visscher, die ’s morgens nog vroolijk in
het Hamunmeer zijn netten had uitgezet, lag ’s avonds steunend en met
koorts in zijn hut.
Azië is de geboorteplaats der Ariërs en Mongolen; het is ook de wieg
der groote godsdiensten: het Boeddhisme, het Christendom en het
Mohammedanisme. Ook is Azië de haardstede van vreeselijke ziekten, die
van tijd tot tijd als vernielende golven over de menschheid heen
rollen.
Ook de „zwarte dood” is in Azië inheemsch. In het jaar 1350 drong ze
naar Europa en veegde daar vijf en twintig millioen menschen weg!
Geheele provinciën werden ontvolkt en rondom de verlaten kerken groeide
dicht oerwoud. Velen deden boeten voor deze straf Gods, anderen gaven
zich over aan zwelgerij en drank. Men had toen nog geen flauw vermoeden
van bacteriën en nog minder van serum, waardoor het bloed ongevoelig
gemaakt wordt voor den vernietigenden invloed der bacteriën.
In het jaar 1894 kwam de pest uit China over Hongkong naar Indië, waar,
binnen enkele jaren, drie millioen menschen aan stierven! Ik herinner
mij een klein huis in het armenkwartier van Bombay, dat ik in 1902 heb
bezocht. De overheid had bevolen telkens aan het huis, waar iemand aan
de pest was gestorven, een rood kruis naast de post der deur te
schilderen—en dit kleine huis had niet minder dan veertig kruizen!
Nu, in 1906, woedde de pest moorddadig in Afghanistan, en van het dak
van het huis, waar ik bij Engelschen woonde, kon ik de lijkstoeten
zien, die de offers der ziekte grafwaarts droegen; in een plas, buiten
den stadsmuur, werden de lijken gewasschen. De kleine stad dreigde uit
te sterven, en de menschen vluchtten in scharen. Een Engelsche arts en
zijn assistent wilden hen met serum-inspuitingen helpen, maar uit haat
tegen de Europeanen maakte de Mohammedaansche geestelijkheid het volk
wijs, dat juist de christenen de ziekte in het land hadden gebracht. Op
een dwaalspoor gebracht en opgezweept verzamelden de inboorlingen zich
om een aanval op het Engelsche consulaat te doen, maar zij werden
teruggeslagen. Zooveel maar mogelijk was, trachtten zij de
sterfgevallen stil te houden en brachten daarom de lijken in den nacht
weg. Maar weldra stierven zij zoo snel na elkaar, dat er in het geheel
geen tijd meer was, graven te maken. Wie aan de hyena’s en jakhalzen
dacht, groef daarom bij zijn leven nog een graf voor zichzelf!
Processies met zwarte vaandels en offergeiten trokken de moskee der
stad rond en smeekten Allah gespaard te mogen blijven. Maar Allah
verhoorde hen niet en deze opeenhooping van menschen verbreidde de pest
slechts nog meer.
Er waren huizen, waarin men de lijken in het geheel niet meer begroef.
De overlevenden verwijderden zich in alle stilte en sloten de huisdeur.
Dan gebeurde het wel, dat een arme stakker in het leegstaande huisje
inbrak en in het eenige vertrek zich neerzette, waar het zwarte lijk
van een aan de pest gestorvene lag en hem natuurlijk binnenkort
eveneens vergiftigde. Op deze manier zijn gansche dorpen uitgestorven.
Onder de mikroscoop ziet de moorddadige pestmicrobe er uit als een
nietige, kleine, langwerpige punt, en toch ziet men ze zoo in
twaalf-honderdvoudige vergrooting. Ze leeft in het bloed der ratten en
wordt door dit ongedierte op de menschen overgedragen. Ze is ontzettend
overerfelijk; in het huis, waaruit de doodsengel zijn eerste offer
haalt, sterft de een na den ander. En in hun bijgeloovige verblinding
zijn de inboorlingen niet te bewegen, hun kleeren en den geheelen
inventaris van het besmette huis te verbranden. Zij kunnen niet
scheiden van hun have en gaan er liever mede ten gronde.
In een huis woont een arme timmerman en zijn vrouw met twee half
volwassen zonen en een dochter. Sedert twee dagen heeft hij zich mat en
zwak gevoeld en nu brandt zijn lichaam van koortshitte. In een hoek, op
den vastgestampten leemen bodem, ligt hij te ijlen en alles is hem
onverschillig, als men hem slechts met rust laat. Als zijn vrouw hem
met een wollen deken toedekt, jammert hij luid, want zijn lymphklieren
zijn groote gezwellen geworden en buitengewoon gevoelig. Na twee dagen
dringen de microben uit de builen in het bloed en de ongelukkige sterft
aan bloedvergiftiging. Zoodra het bloed verstijfd is, verlaat het
ongedierte door de kleeren van den man het lijk, want het zoekt naar
levend bloed. Voor de overlevenden, die treurend aan het doodsbed
staan, is het gevaar dan het grootst. Maar men kan de inboorlingen nog
zoo waarschuwen, zij gelooven er toch geen woord van—en sterven!
Dit rijk van den zwarten dood spoedig weêr te verlaten, was natuurlijk
een groot geluk en nu ging het door de woestijnen van Beloedsjistan
verder naar Indië. Mijn vroegere bedienden had ik laten gaan en nieuw
personeel, Beloedsjen, vergezelden mij. Wij reden op Dschambas,
snelvoetige dromedarissen, die sedert geslachten geoefend zijn in
hardloopen. Zij hebben hooge, dunne, maar sterke pooten, met groote
eeltknobbels aan de hoeven, die met doffen, zachten klank op den drogen
bodem slaan. Zij dragen den kop hoog en bewegen zich sneller dan de
waardige kameelen. Bij het loopen houden zij hem echter in horizontale
richting, bijna op dezelfde hoogte als hun bult. Elke dromedaris draagt
twee ruiters, het zadel heeft daarom twee inzinkingen, en twee paar
stijgbeugels. In het kraakbeen van den neus van den dromedaris zit een
klein dwarshout, aan welks uiteinde een fijn koord is bevestigd. Men
stuurt den dromedaris door het koord van den eenen kant naar den
anderen te werpen.—
Het is pas dertig of veertig jaar geleden, dat de Beloedsjen opgehouden
hebben in het Perzisch grondgebied te vallen om te plunderen. Pas
sedert de Engelschen zich het lot van Perzië hebben aangetrokken, zijn
er geregelde toestanden gekomen. Toch moet men altijd een escorte bij
zich hebben en ik werd daarom begeleid door zes met moderne geweren
gewapende dromedaris-ruiters. Evenals de Beloedsjen oostelijk Perzië,
zoo hebben de Turkomanen Chorassan door tallooze rooftochten
gebrandschat en op de westelijke grenzen leiden de Koerden een heilloos
rooverleven. In deze onrustige grensgebieden is er geen dorp, dat niet
zijn kleine vesting heeft, of tenminste voorzien is van een wachttoren.
Hoe het op zulk een rooftocht in de woestijn toegaat, wil ik u nu
vertellen.