De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China.
Een open dal wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in
ontzaglijke vertakkingen en armen naar het trogvormig bekken van
Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich van het Noorden naar
het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata.
Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en
weelderig gras groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der
Kirgiezen verstrooid, als de vlekken op een pantervel. Een dezer tenten
had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en met veel genoegen
bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen.
De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij
leven van hun groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal
paarden, kameelen en runderen. Zij zijn afhankelijk van het gras der
steppen, en trekken, evenals andere nomaden, van de eene plaats naar de
andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over een stellage
van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de
kudden het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer
op, pakken ze met hun overige have op de kameelen, en zoeken een andere
weide. Het is een vrij geboren, mannelijk volk, en het heeft de
eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht en op de ruime
vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke
zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe
dichter of dunner wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of
zwart of grijs, grof of fijn puin daar ligt, alles dient hen als
herkenningsteeken. Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de
Kirgiezen steppe, op weg mij enkele oogenblikken ophield, om de paarden
te laten rusten, gebeurde het, dat mijn Kirgisische koetsier zich
omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een gevlekte
merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best
een kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was.
Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan
maakte ik uitgestrekte tochten te paard of op den yak en nam een kaart
van de omgeving mede. Als de regen in stroomen neerviel bleef ik in de
tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen. Ik had hun taal vlug
leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid.
Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de
wacht, en daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen.
Zij zijn allerliefst en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens
groote, krachtig gebouwde, half wilde nomaden zullen worden. Maar alle
kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en de menschen hen
hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en te
weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig
met het afroomen der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten
bij den pot, waarin het vleesch kookt.
Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde
opening, in het dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de
weide of de yaks in het gebergte. Nu en dan gaan zij ook op de jacht en
maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang worden de kudden
binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken ooien
en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met
het oog op de wolven.
De Kirgiezen zijn Mohammedanen en dikwijls hoort men hen voor de tenten
Arabische gebeden zingen.
Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij
zagen, dat ik het goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan
zij en dat ik er mij in verheugde onder hen te leven. Van heinde en ver
kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen en melk, buitgemaakte
wilde schapen en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai
uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden mij gaarne, waarheen ik wilde.
Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere
te geven. Het zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in
den morgen verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte,
waar de wilde jacht zou plaats vinden.
Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee
en veertig Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad,
bonte mantels en gekleurde gordels met de geborduurde mutsen, met
dolken en messen en koppels waaraan vuurslag, boor, pijp en
tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk
aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den
Mus-tag-ata wonen, was er bij. Zijn lange mantel was donkerblauw, zijn
gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden
rand en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij
was lang van gestalte, had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel,
smalle schuinliggende oogen, en evenals de meeste Kirgiezen
vooruitstekende kaakbeenderen.
De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het
wemelde bont door elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en
zeker zat de opperste hoofdman Choat Bek, ondanks zijn honderd elf
jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte al
eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den
korten, witten baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf
zonen die ook reeds grijsaards waren, omringden hem, elk op een groot
paard.
Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats
voor ons vrij te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen
nader, stijgt af en sleept het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede
Kirgies pakt den bok met de linkerhand bij den horen en snijdt hem met
één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het beest uitbloeden,
grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over de
vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige
snelheid nadert. Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder
oorverdoovend geraas, hetgeen door het woest geschreeuw en het
klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een stofwolk
suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een
stormwind. De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor
mijn voeten en dan jagen zij als een storm weer voorbij.
„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal
het razend toe gaan!”
Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim
bedekte paarden, komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok
ontstaat een onontwarbare kluw van menschen en paarden, die
ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend stof. Zij
strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen,
stooten en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over
elkaar, en andere paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in
den zadel zitten, bukken zich en grijpen naar de vacht. Eenigen
buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden te worden,
anderen hangen half onder hun paarden.
Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog
tusschen de menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden
tegen de flanken, deze worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen
zich. Nu is het stierengevecht in vollen gang.
Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te
trekken. Zijn paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter
achterwaarts uit het gedrang terug te trekken en nu springt hij snel
als de wind in wijde kringen over de vlakte, de anderen hem na, en als
zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met
onweerstaanbaar geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik
staan de paarden als vastgemetseld, en nu begint de strijd opnieuw.
Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren; mutsen en karwatsen
liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt.
„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de
strijders behoeven te zijn,” zeide ik tot Choat Bek.
„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar
geleden, dat ik zoo oud was als u nu!”