21. DE VADER DER IJSBERGEN.

Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den

Mus-tag-ata, den vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen,

die ver boven alle andere bergen uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus

een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden schedel hoopt zich

de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden

druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw

gepoederde ijsmuts. Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen,

waarin de sneeuw zich verzamelt als in schalen, langzaam zinkt en ook

hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan geweldige ijstongen,

die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters naar

omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven,

van welke puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee

omlaag genomen in de dieper gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag,

de lucht wordt, des te meer dooit het ijs; maar de druk van boven

vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom zich

steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu

gaandeweg de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen

geweldige hoopen en steenen muren, die men gletschersteenen noemt. De

ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata zendt naar alle kanten

verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers lang en

tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt

verscheiden knobbels en pyramiden van helder ijs.

Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet

en op yaks ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn,

anders loopt men gevaar uit te glijden en in een der spleten van het

ijs te vallen, die overal zijn. Als men zich over den rand van zoo’n

spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe grot met heldere glazen

wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de

gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens

geruischloos en zacht, alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven

gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen. Op den bodem der ijsspleten

siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken in statige

watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den

hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in

het rond. Is het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de

gletscher ook stiller, en als de winter met zijn scherpe koude komt,

dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken bevriezen tot ijs.

De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er

mee over gladde, gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou

kunnen gaan. De yak zet zijn hoeven zoo vast neer, dat het witte

sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo steil omlaag gaat, dat

hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten uit;

houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te

vallen. Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit

geweldige op elkaar gestapelde granietblokken bestonden. Dan was het

geraden stevig vast te zitten, want de yak deed sprongen als een

krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier en

moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef

mij niets anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te

doen glijden en toen ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek.

Maar ik krabbelde er weer uit op open terrein. Maar Jolldasch, mijn

hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde erbarmelijk. Ik

floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen

de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij

eindelijk in het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij

wat ontevreden, dat ik hem op zulk een avontuur had meegenomen!

Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den

top van den „Vader der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder

gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen, was ons kamp

opgeslagen.

Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en

wij hadden, levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en

een tent bij ons. Tegen de steile hellingen op ging het eerst door

losse steenen, daarna over sneeuw, die steeds dieper werd. De lucht,

die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en steeds vaker bleven

de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te voet en

dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den

eersten dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den

spiegel der zee ligt. Toen hadden wij voor heden genoeg en bleven daar

den nacht om den volgenden morgen het klimmen te vervolgen.

Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn,

dat zij mij toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen

schoffelden de sneeuw weg en omringden onze kleine tent nog met een

muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en de ketel thee aan het

koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht met

den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en

de Kirgiezen rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan

zweefde, als een zilverwitte ballon recht boven den kruin van den berg,

ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk schouwspel.

De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden

glinsterden verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart

op de witte vlakte, onder hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun

neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden van den berg onder de maan

verder.

Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas

gedooide sneeuw weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en

rookerig. De mannen steunden en klaagden van hoofdpijn en duizelingen

in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen. Geluidloos

was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een

nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de

berghelling omlaag gestort.

Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige

wereldruimte, welker donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant!

Wij, in onze rookerige tent, lagen op een hoogte, waar de geweldigste

bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en Australië niet reiken.

Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika eenige

toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op

elkaar moeten Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten!

Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek,

gierde een woedende sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De

dichte wolken jachtsneeuw waren geheel ondoorzichtig en verder omhoog

gaan, zou een gewisse dood zijn geweest. Ik mocht nog blij zijn in zulk

weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden door de opgewaaide

sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de weide

en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet

men voorover en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een

hoogte van 6300 meter, heeft mij nog langen tijd in de leden gezeten.

Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout

droeg, eensklaps in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens

en een achterpoot op de sneeuwkorst hangen, het overige gedeelte van

zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een donkeren gapenden

afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet in

het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het

kostte ontzaglijk veel moeite, voordat het dier weer aan een koord

omhoog getrokken was.

Van pool tot pool(#68251) · 第 25 / 78 题