Denk u eens, waarde lezer, dat een onverklaarbaar wonder u plotseling
in de oase Tebbes verplaatste, midden in de Perzische woestijn, waar
bronnen en een bosch van honderdduizend palmen den uitgeputten reiziger
schaduw en verkwikking bieden! Hoe zoudt ge reeds den eersten avond
verbaasd staan over de zonderlinge serenade, die zich van over de
woestijn doet hooren.
Bij het wegstervende daglicht zit ge in uw tent te lezen; daar ziet ge
van uw boek op en luistert toe. Het wordt u alleronbehagelijkst te
moede, zoo alleen in uw tent! Doch iederen avond herhaalt zich, zoo
zeker als de zonsondergang, dezelfde serenade, en spoedig raakt gij er
aan gewend en geeft er ten slotte niet meer om. Het zijn slechts de
jakhalzen, die hun avondlied zingen. Het woord jakhals is Perzisch en
de jakhals is de stamvader van den hond, de neef van den wolf en den
vos. Hij is grijsgeel van kleur en niet groot, heeft spitse ooren en
kleine, verstandige, levendige oogen en houdt zijn staart horizontaal,
niet hangend zooals de wolf. Hij is een roofdier en gaat ’s nachts op
buit uit. Alles wat eetbaar is, vindt zonder onderscheid genade in zijn
oogen, maar hij geeft de voorkeur aan hoenders en druiventrossen boven
de doode dieren uit de karavaan. Is er ook maar een mogelijkheid
denkbaar, dan haalt hij dadels uit het palmenbosch, dat hij heel
grondig uitplundert, als na hevige stormen de rijpe vruchten zijn
afgevallen. In een woord: de jakhals is een onbeschaamde indringer! Ik
was even verbluft als boos, toen eens op een nacht jakhalzen in onzen
tuin drongen en onzen eenigen haan den honden voor den neus wegkaapten.
Een vreeselijk spektakel had ons wakker gemaakt, in de vechtpartij met
de honden bleven de jakhalzen echter overwinnaars en wij hoorden alleen
nog het wanhopige geschreeuw van onzen armen haan in de verte
wegsterven.
God mag weten waar het gespuis zich ophoudt zoolang de zon aan den
hemel staat! In zoölogische handboeken staat, dat zij zich in holen
verstoppen, maar ik heb in de oase van Tebbes geen holen gevonden en
toch kwamen de jakhalzen in groote getallen in de oase. Zij zijn even
raadselachtig als de woestijn zelf; zij zijn overal en nergens.
Menigmaal hoopte ik hen op mijn zwerftochten in de omgeving van Tebbes
door toeval op te sporen, maar de woestenij lag zwijgend, er was niets
levends te bespeuren. En toch stonden zij in de schemering luid lachend
voor mijn tent en schenen te vragen of ik soms nog meer hanen had!
Zoodra de zon onder den horizon daalt, de schemering haar sluier over
het stille landschap uitbreidt en de palmen in smachtend verlangen naar
de terugkomst der zon insluimeren, dan begint daar buiten op nauwelijks
200 meter afstand de serenade der jakhalzen. Het klinkt als een kort
afgebroken gelach, van diepe basstemmen zich verheffend tot den
hoogsten diskant, als een klagend gehuil, dat zwelt en verstomt, om
door een andere troep beantwoord te worden of als een
gemeenschappelijke angstkreet van in nood verkeerende kinderen, die om
hulp roepen. Nader laat de toon zich niet beschrijven. Als een golf
ruischt hij om de oase. Het gehuil der jakhalzen is de stem der
woestijn; het is schreeuwen om voedsel, „Makkers, wij hebben honger,”
roepen zij elkaar toe, „wij willen op buit uitgaan.”
Voorzichtig sluipen zij naar de oase, bliksemsnel springen zij over
muren en heiningen en houden overal op verboden wegen huis.
Indien de hoenders niet zulke domme hersens hadden, dan zouden zij snel
ergens onder dak kruipen, zoodra het avondlied der jakhalzen begint.
Wat hebben zij al niet op hun geweten, deze onzichtbare en al te
luidruchtige straatroovers, die van Kaap Verd, het groene voorgebergte
van het uiterste Westen der oude wereld tot in het hart van Indië, van
hetgeen de woestijn oplevert en van afval leven! Hun stamboom is bijna
even oud als die der palmen, bij de volkeren van het Oosten is de reeks
hunner euveldaden, ruim zoo groot als bij ons het zondenregister van
den beruchten Reintje de Vos. In Simson’s driehonderd „Vossen”
herkennen wij gemakkelijk de jakhalzen en sedert dien tijd zijn
ontelbare anecdoten aan hun naam verbonden. Hun tehuis is echter niet
alleen de stille, vlakke woestijn. Indien in de prachtige sociëteiten
te Simla, het zomerverblijf van den Vice-Koning van Indië, de
regimentsmuziek speelt, behoeft men het hoofd slechts buiten het raam
te steken en men hoort het jammerlijk blaffen en het klaaglied der
jakhalzen!
Overigens valt er niet te spotten met deze dieren. In het jaar 1882
werden in Bengalen niet minder dan 359 menschen door jakhalzen gedood!
Vreeselijk is het echter, als dolheid hen aangrijpt. De laatste
grenscommissie in Seïstan heeft het moeten ervaren. In den nacht sloop
een dolle jakhals het leger binnen, en beet een slapende in het gelaat,
zes maanden later was de man dood. Andere slopen in de huizen der
inboorlingen, gingen op den loer liggen en wachtten een gelegenheid tot
bijten af. Het vreeselijkste gebeurde echter op een donkeren
winternacht, toen de Noordenwind huilde en het stof langs den grond
veegde, toen kwam één jakhals met onhoorbare schreden in het kamp der
Engelschen. Hij kroop een tent binnen, waar verscheiden mannen sliepen
en pakte, blindelings om zich heen bijtend, het allereerst een wollen
deken. De slapers sprongen op en grepen naar hun wapenen. Het kamp
bestond uit drie afdeelingen en eenige honderden aan pinnen vastgezette
dromedarissen. In de ondoordringbare duisternis was niet te zien,
waarheen de indringer zich keerde, maar spoedig hoorde men nu hier, dan
daar de dromedarissen van ontzetting en wanhoop brullen en toen de
morgen grauwde, telde men acht en zeventig gebeten lastdieren. Zij
werden afgezonderd van de andere, en toen ook zij door dolheid werden
aangegrepen, heeft men ze doodgestoken. Een dolle dromedaris, die
vastgebonden staat, verscheurt zich zelf. Honden en geiten, die door
den jakhals gebeten waren, werden dadelijk doodgeschoten. Het akeligst,
bij het uitbreken der ziekte onder deze dieren, is de weerloosheid der
menschen daartegen. In het holst van den nacht en onhoorbaar sluipt de
jakhals naar het kampvuur en heeft reeds gebeten, voordat men naar het
geweer heeft gegrepen, slechts door een goed gemikten kogel kan men hem
van het lijf houden.
Twintig jaar geleden had ik zelf een klein avontuur. Met twee bedienden
en eenige paarden reed ik uit de binnenlanden van Perzië naar de kust
van de Kaspische zee en kampeerde op zekeren avond in een dorp in het
Elboersgebergte. Daar de karavanserei berucht was om haar ongedierte,
maakte ik het mij gemakkelijk in een tuin, welks vruchtboomen en
populieren werden beschermd door een anderhalven meter hoogen muur,
waarin geen enkele deur was. Om in den tuin te komen moest men over den
muur klauteren. Toen het donker werd, gingen mijn mannen het dorp in;
ik hulde mij stevig in mantel en wollen deken, het zadel diende als
hoofdkussen en spoedig was ik in diepen slaap. Misschien had ik een
paar uur geslapen, toen een schuifelend geluid mij wakker maakte, het
kwam van twee lederen kisten, waarop de overblijfselen van mijn
avondeten stonden: brood, honig en appelen. Ik richtte mij op en
luisterde ingespannen, hoorde echter niets dan het kabbelen van een in
de nabijheid stroomend beekje. De duisternis liet niet toe iets te
zien, de sterren fonkelden slechts mat door het gebladerte en zoo sliep
ik weer in.
Na een poos werd ik weer door hetzelfde geschuifel bij de kisten gewekt
en hoorde, dat aan de riemen werd getrokken.
Nu sprong ik op en kon een half dozijn jakhalzen onderscheiden, die als
schaduwen tusschen de populieren verdwenen. Van slapen kwam dien nacht
niets meer, want ik had meer dan genoeg te doen om de brutale dieren op
een afstand te houden. Lag ik weer een poos stil, dan waren zij er
onmiddellijk weer en trokken aan de riemen, slechts als ik met de zweep
op een kist sloeg, trokken zij af. Maar spoedig gewenden zij daaraan,
en liepen slechts een paar schreden ver. Toen kwamen mij mijn appelen
in de gedachte en wanneer de jakhalzen weer naderslopen, wierp ik een
appel in de troep en van dit onschuldig verdedigingsmiddel bediende ik
mij zoolang, totdat de laatste appel in de duisternis was weggerold. De
meeste worpen troffen niet; slechts eens ontlokte ik aan een der
brutale dieven een klaagtoon.
Wat duurde deze nacht lang! Eindelijk grauwde tusschen de populieren de
ochtendschemering en zonder eenig geraas sprongen de jakhalzen over den
muur.
Nu had ik tenminste ongestoord kunnen ontbijten, maar het overgebleven
avondbrood hadden de indringers tot de laatste kruimels opgeruimd. Men
vertelde mij later, dat de jakhalzen in deze streek zoo kwaadaardig
zijn, dat twee of drie sterk genoeg waren een man te overmeesteren.
Sedert dien nacht liet ik mijn bedienden altijd in mijn nabijheid
slapen.
Daar wij nu eenmaal over zulke ongewenschte gasten spreken, die
dadelijk present zijn als in de Sahara de leeuw of in Oost-Perzië de
panter hun buit hebben gedood, mogen wij de hyena’s niet vergeten, want
ook zij behooren tot het woestijnvolk. Een vreemd dier is de hyena,
noch hond, noch kat, eerder een middending er tusschen en grooter dan
deze beiden. Zij is morsig, grijsbruin met zwarte streepen en vlekken,
heeft een ronden kop, een zwarte snuit, zwarte oogen en zulke korte
achterpooten dat de borstelige rug naar achteren valt. Ook zij gaat ’s
nachts op buit uit en daalt in West-Perzië uit haar schuilhoeken in de
bergen omlaag naar de wegen der karavanen, om naar doode ezels, paarden
en kameelen te zoeken. Liggen de lijken niet diep genoeg begraven, dan
krabt zij onder de grafsteenen de lijken uit, want zij leeft bijna
uitsluitend van verrot vleesch.
Een heirweg in Perzië op een zachten, door de maan beschenen nacht. Een
uitgeputte kameel is gestorven en ligt met de pooten uitgespreid en den
moeden kop op den grond, als een zwarte massa neer. Het lijk verspreidt
een walgelijken stank, maar daar houden de hyena’s van, zij worden er
door gelokt. Zij snellen uit hun holen toe, hun schor geblaf komt
nader, daarna knorren zij zacht en blijven een oogenblik rondsnuffelend
met gespitste ooren op de vlakte staan. Het slijm druipt uit de hoeken
van hun bek, zij hebben gedurende verscheidene dagen niets gegeten. Nu
speuren zij den kameel en snellen toe. Zij zetten de voorpooten vast op
den grond en rukken met de tanden de huid van den buik van het kadaver
open, dan boren zij den snuit in het zachte deel der buikholte en eten
zich zat aan darmen en spieren. Eenige schreden verder zitten de
aasgieren te wachten. Eensklaps breken de hyena’s hun smulpartij af.
Met de pooten nog in den buik van den dooden kameel, richten zij den
kop op en spitsen de ooren alle naar dezelfde richting. Zoodra wij in
den maneschijn komen aanrijden, verdwijnen zij als schaduwen in de
duistere woestijn, maar nauwelijks zijn wij voorbij, of zij zijn er
weer, en wroeten verder in de ingewanden van den kameel, totdat zij
opnieuw worden gestoord. Pas als in het Oosten de dag grauwt, zoeken
zij hun holen weer op.
Zoo zweeft het vierbeenige volk der woestijn rondom den rand van de
oase van Tebbes en deelt het onmetelijke rijk met den panter, den
wilden ezel en de fijne, sierlijke gazellen. En in de ontzaglijke,
uitgestrekte vlakte ligt zulk een oase vergeten en eenzaam als een
eiland in den oceaan.