Maar nu ons opgemaakt uit de schaduw der platanen en weg uit Teheran,
naar buiten in de groote, eenzame woestijn! Wij zullen pas weer kunnen
uitrusten in de oase van Thebe.
De karavaan staat reisvaardig. Ik heb de veertien kameelen met zorg
uitgekozen; dikke baaien dekens beschermen hun rug, opdat hij niet door
den last gewond kan worden en uit twee gaten in de deken steken de
bulten, die niet gedrukt of gekwetst mogen worden. De grootste kameelen
gaan voorop. Rood geborduurde halsters met glinsterende metalen
plaatjes en roode en gele kwasten versieren hun kop en boven het
voorhoofd wiegelt een bos veeren; rondom de borst hangt een riem met
veel koperen bellen en aan den hals draagt elk dier zijn klok. Twee der
klokken zijn zoo groot als die eener kerk en moesten daarom terzijde
van de lasten worden vastgemaakt, opdat ze de knieën der kameelen niet
zouden kwetsen. Deze beesten zijn niet weinig trotsch op hun tooi; zij
gevoelen hun waarde en trekken met koninklijke deftigheid de zuidelijke
stadspoort van Teheran uit.
De kameel, waarop ik rijd, is een der grootste van de geheele karavaan.
Zijn dik, bruin, wollig haar, hangt aan hals en borst lang neer.
Tusschen de bulten en op zij daarvan, vormt de bagage een klein
platform, en daar zit ik, als in een leuningstoel, een been rechts en
het andere links van den voorsten bult. Zoo kan ik gemakkelijk het land
overzien en met behulp van het kompas alles wat ik zie, op een kaart
aanteekenen: kleine gebergten, zandbanken of kloven, want dat is het
doel mijner reis. Al deze kameelen zijn geoefende telgangers. Zij
tillen de beide rechter- of de beide linkerbeenen gelijktijdig op en
krijgen daardoor een wiegenden gang, zoodat men wiegelt evenals in een
boot op een bewogen meer. Velen worden zeeziek als zij een ganschen dag
omhoog tusschen de bulten hebben gezeten.
Mijn kameel en ik waren spoedig de beste vrienden en ik ben even
tevreden over hem als hij over mij. Als hij stilstond zou ik een ladder
moeten hebben om hem te beklimmen, daarom moet hij gaan liggen, als ik
in den zadel wil komen. Hij staat echter dikwijls snel op als een
springveer, eerst met de achterbeenen, en daarna met de voorbeenen, als
ik dan niet oppas, maak ik een buiteling. Dikwijls draait hij gedurende
den marsch zijn ruigen kop om en legt hem op mijn schoot. Dan krab ik
op zijn voorhoofd, strijk met de hand over zijn oogen en klop hem op
den neus. ’s Morgens verschijnt hij voor mijn tent. Met zijn neus
schuift hij het gordijn terzijde en steekt met zijn ruigen kop zoover
de kleine tent binnen, dat ze bijna geheel is gevuld. Dan leg ik mijn
arm om zijn kop, streel dien en geef hem een stuk brood. Dan stralen
zijn lichtbruine oogen van vreugde en gaat hij weer terug naar de
grasvlakte. Het kan dan ook niet anders of men moet goede vrienden
worden met een dier, waarop men maanden lang dagelijks tien uur rijdt.
Het geluid der klokken klinkt voortdurend in mijn ooren op de maat der
schreden van de kameelen. De stappen zijn lang en langzaam en meer dan
30 kilometer legt een karavaan zelden per dag af.
Onze weg gaat naar het Zuid-Oosten. Wij hebben reeds lang de streken
aan den voet van het Elboersgebergte achter ons, waar de door rivieren
gevoede kanalen nog heerlijke tuinen en vruchtbare akkers te voorschijn
tooveren. De dorpen liggen steeds verder van elkaar verwijderd, en
slechts langs de kanalen glanst het land nog groen; zoodra wij buiten
zijn, omgeeft ons niets dan grauw-gele woestenij, met hier en daar
verdroogde bosjes gras der steppen. Steeds zeldzamer komen onze troepen
ezels tegen met struikgewas uit de steppe, dat als brandhout verkocht
moet worden. Zij zijn erbarmelijk klein en onder hun lasten bijna niet
te zien. Hun neusgaten heeft men, wreed genoeg, open gesneden opdat zij
gemakkelijker ademhalen en daardoor grooter marschen kunnen maken! Hun
lange ooren zwiepen heen en weder en de onderlip hangt als een zak
neer. De arme dieren zien er slaperig en treurig uit, en zij zijn zoo
eigenzinnig, dat zij nooit uitwijken.
Bij het laatste dorp aan den rand der woestijn, houden wij ons eenige
dagen op, om ons op de gevaren voor te bereiden, die ons wachten.
De oudste van het dorp bezit tien kameelen, die hij ons graag enkele
dagen wil verhuren, zij zullen ons met water in lederen zakken en hooi
proviandeeren en ons op den rechten weg brengen. Onze eigen kameelen
zijn reeds overvloedig belast.
Nu is geen spoor van leven meer rondom te bekennen. Eenige kleine
bergmassa’s verheffen zich als eilanden; maar daarachter is de horizon
van de woestijn zoo glad als die der zee. De Perzische woestijn heeft
maar weinig oasen, waarin de karavanen water en levensmiddelen kunnen
krijgen. Maar de woestijnstreek in het Noorden, Kewir genaamd, bevat
geen enkele oase, daar groeit geen grashalm, daar kruipt niet eens een
spin. Want de grond van Kewir is zout, en als het ’s winters regent dan
wordt de zouthoudende leem zoo glad als ijs. En dat is juist het doel
mijner reis, want dat deel is bijna nog niet onderzocht.
Maar het duurt een geheele maand, voordat wij het punt hebben bereikt,
vanwaar wij het waagstuk zullen ondernemen, de Kewir te doorkruisen.
Tot zoover ging alles kalm zijn gang, de eene dag verliep vrijwel als
de andere. Op zekeren dag sneeuwde het echter zoo dicht, dat de eerste
kameelen mijner karavaan nog slechts als vage nevelgestalten voor mij
uit schommelden, want het was winter, toen ik deze reis ondernam, en
dagenlang hing de nevel zoo laag over de woestijn, dat ik, evenals op
zee, mij slechts op mijn kompas kon verlaten. Daarbij hadden wij ’s
nachts 14 graden koude. Maar wij hadden overvloed van brandhout, want
aan den rand der zandwoestijn, waar de wind hooge duinen had opgewaaid,
groeien tamarisken in overvloed, planten der steppen, die verscheiden
meters hoog kunnen worden en wier harde stammen in ons kampvuur helder
opvlammen.
Pas bij het dorp Dschandak begon ik den eigenlijken tocht in de
woestijn en nam slechts twee gidsen en vier kameelen mede. Maar eerst
moesten wij aan den rand van de woestijn vier dagen blijven liggen,
daar het regende. Wordt een karavaan in de Kewir zelf door regen
overvallen, dan kunnen de mannen nog van geluk spreken, als zij met
verlies van bagage en de dieren, weer levend uit het zoutachtig
leemmoeras komen. Veel karavanen zijn echter reeds in deze woestijn ten
ondergegaan. Daarom was het voor ons een geluk, dat het regende,
voordat wij op den gladden leembodem waren gekomen. Toen echter na vier
dagen een grootere karavaan van het Zuiden kwam en ondanks het nog
bedenkelijk dreigende weêr den doortocht wilde wagen, sloot ik mij
daarbij aan.
Het was stikdonker, toen wij opbraken. Een vuur werd ontstoken, en bij
het schijnsel daarvan laadden wij de kameelen op. Weldra verdween het
vuur achter ons en voor ons lag, in het nachtelijk duister gehuld, de
Kewir. Waarheen het ging was niet te zien, men moest zich geheel
overgeven aan zijn kameel. Alom heerschte diep stilzwijgen, dat slechts
werd verbroken door het klinken der klokken.
Zonder oponthoud trokken de Perzen den geheelen morgen en het grootste
deel van den dag verder. De krachten der mannen en die der dieren
werden tot het uiterste ingespannen, want ieder oogenblik kon er
opnieuw een stortregen losbarsten. Aan het opslaan van een kamp voor
den nacht viel niet te denken!
Slaperig en huiverig zat ik in mijn mantel gehuld op het zadel, totdat
het was alsof de klokken den vroegdienst aankondigden en de dag
doorbrak. Maar ook nu hielden de Perzen geen halt en bleef mij niets
anders over dan ze te volgen. „Houdt U dapper, mijnheer,” zeide een van
mijn begeleiders, „verderop, als wij aan den anderen kant zijn, moogt
ge slapen! Wie alleen uit de karavaan achterblijft, is verloren.” De
Perzen gelooven waarlijk, dat er booze geesten in de woestijn
rondwaren, die den achtergeblevene beheksen. Hij hoort wel het geluid
der klokken, maar van uit een tegenovergestelde richting, loopt
daarheen, verwijdert zich steeds meer van de zijnen, raakt eindelijk
het spoor bijster en verzinkt.
Zoo gaat het den ganschen dag door verder. De lucht ziet er
onheilspellend uit; overal wolken. De woestijn is zoo glad als een
dorschvloer; nergens slechts het kleinste heuveltje. In het westen
daalt de zon en ligt als een gloeiende bol in een omhulsel van wolken.
Een schitterend roode stralenbundel breidt zich over de woestijn uit,
waarvan de oppervlakte als een purperkleurige zee verlicht is. In het
noorden is de lucht donker paars en tegen dezen achtergrond komen de
kameelen als steenrood uit, een tooverachtig kleurenspel!
De zon gaat onder en de kleuren verbleeken, de lange schaduwen van de
kameelen op den grond verdwijnen en een nieuwe nacht komt in het oosten
op. Al spoedig is de karavaan onzichtbaar geworden, maar de klokken
klinken onafgebroken door. Nu en dan breekt de maan door de wolken en
werpt onze schaduwen op den dorren grond der woestijn. Steeds gaat het
voort.
Te middernacht werd de lucht nog donkerder. De Perzen zaten zwijgend op
hun kameelen en dommelden in. Weldra was niemand meer wakker dan de
leider die de eerste kameel aan den teugel hield, en ik, op den
laatsten kameel van den stoet gezeten. Daar vallen op eens groote
regendruppels, en eer er een minuut voorbij is, klettert de regen op
kameelen, ruiters en bagage neer.
In een oogwenk is de karavaan veranderd! Schel, angstig en gejaagd
klinken de klokken, als riepen zij brandgevaar over de daken en door de
straten van een brandende stad. De mannen zijn van de kameelen
gesprongen. De regen slaat tegen den gladden woestijngrond, en eenige
beesten beginnen al uit te glijden. Als het leven ons lief is, moeten
wij haast maken, anders zuigt de woestijn ons nog in dit laatste uur
op!
Met hard geroep zetten de mannen de kameelen aan, de klokken slaan,
alsof zij de dooden voor het laatste gericht willen opwekken.
Daar valt de eerste kameel! Op dezen grond zijn de beesten er slecht
aan toe. Zij hebben geen hoeven zooals paarden, maar weeke, breede
eeltzoolen, en als zij uitglijden gaat dit verwonderlijk snel. Alle
vier de pooten glijden in de eene richting en het zware lichaam in de
andere. Dat is voor den kameel al niet aangenaam, maar voor den ruiter
is het nog veel pijnlijker; daareven zat hij nog zoo goed ingepakt
bovenop, en nu spartelt hij daar beneden in het slik. Nu valt de eene
kameel na de andere en moet weer opgeholpen worden. Dat geeft telkens
oponthoud en onderwijl wordt het slik steeds weeker! Met iederen stap
zinken de kameelen dieper in den modder, „Pats” klinkt het als zij een
stap doen en „klets” als zij den poot uit den grond trekken, en zoo
patst en kletst het om al de negen en vijftig kameelen van de karavaan
heen. De regen stroomt naar beneden en de klokken bengelen. Maar
zoolang wij ze nog hooren, strijden wij met moed; eerst als zij
zwijgen, heeft de woestijn ons overwonnen.
Daar zijn zij op eens stil!
„Wat gebeurt er?” vraag ik.
„Wij zijn in den duivelspoel,” antwoordt een stem, en langzaam beginnen
de klokken zich weer te doen hooren. Na elkaar moeten de beesten een
met zout water gevulde bedding doorwaden. Als de beurt aan mijn kameel
komt, druk ik de knie stijf aan. Er is niets te zien, ik hoor slechts
hoe de kameelen voor mij plassen en hoe het water naar alle kanten
opspat. Nu glijdt de mijne de steile helling af, slingert met de
beenen, balanceert met het lichaam, om zich in evenwicht te houden, dan
plast hij door het water en klautert aan den anderen kant de hoogte op.
„Tamarisken!” hoor ik iemand roepen.
Gezegend zij dat woord, want het beteekent onze redding! In de
zoutwoestijn groeit niets en waar men aan de eerste tamarisken komt, is
weer zandgrond. Dan is alle gevaar geweken en nieuwe levensmoed treedt
in de plaats van de grootste vermoeidheid. Na twee uren komen wij dan
ook gelukkig in een dorp der woestijn aan, waar wij na het doorgestane
levensgevaar ruimschoots rust namen. En het doel der reis heb ik
bereikt: in mijn schetsboek neem ik de eerste landkaart dezer beruchte
zandwoestijn als overwinningsprijs mee!