17. EEN REISSPROOKJE.

Toen ik te Bagdad aankwam, bestond al mijn geld nog slechts uit

ongeveer honderd mark of tweehonderd Perzische zilveren kerân, en

daarmede moest ik toekomen op de 950 kilometer lange terugreis naar

Teheran, waar ik pas weer nieuw geld kon krijgen. Maar dat schrikte mij

niet af. Als ik maar een 300 kilometer ver, de stad Kirmanschah zou

hebben bereikt, kon ik mij in het ergste geval bij een karavaan

verhuren. Aangenaam was het zeker niet, den geheelen weg te moeten

loopen, en verder geen loon te ontvangen dan wat brood, augurken en

meloenen.

Allereerst sloot ik mij aan bij een karavaan van vijftig muildieren,

die Engelsche waren van Bagdad naar Kirmanschah vervoerde. Ze werd

vergezeld door tien Arabische kooplieden te paard; acht pelgrims en een

Chaldeesch koopman hadden zich eveneens aangesloten. Voor vijftig kerân

huur voor een muilezel mocht ik er mij ook bij aansluiten; ik moest

voor mijn eigen voedsel zorgen.

Den zesden Juni 1886, ’s avonds te tien uur, begon ik deze reis. Als ik

er nu op rijperen leeftijd aan denk, schijnt ze mij een sprookje, of de

ondoordachte streek van een nieuwbakken student!

In den warmen zomernacht leidden mij twee Arabieren op mijn muilezel

door de nauwe straten van Bagdad. Slechts hier en daar brandde nog een

mat flikkerend licht van een olielamp. Maar in de bazaars heerschte

uitgelaten leven. Daar zaten de Arabieren bij duizenden, aten, dronken

koffie, rookten en babbelden. Want het was juist de vastenmaand,

gedurende welken tijd zij alleen na zonsondergang iets mogen gebruiken.

Op de binnenplaats van een karavanserei was mijn karavaan nog bezig met

pakken, en daar ze pas ’s nachts te twee uur zou opbreken, legde ik mij

tot zoolang op een hoop koopwaren en sliep als een marmot.

Veel eerder dan ik wenschte was het twee uur. Een Arabier schudde mij

wakker en slaapdronken klauterde ik op mijn muilezel. Onder het geroep

der drijvers, het klingelen der bellen en het gebimbam der groote

klokken van de kameelen, trok de lange karavaan de duisternis in.

Weldra lagen de laatste huizen der voorsteden en de palmenhagen van

Bagdad achter ons en voor ons de zwijgende, sluimerende woestijn.

Geen mensch bekommerde zich om mij. Ik had immers mijn muilezel betaald

en mocht nu doen en laten, wat ik wilde. Nu eens reed ik vooruit, dan

weer was ik de laatste in den stoet, en dikwijls was ik gewoonweg

ingeslapen. Aan den weg lag een doode dromedaris en een troep hyena’s

en jakhalzen smulden aan het lijk. Toen wij naderden, slopen zij

geluidloos snel weg de woestijn in. Een eind verder hielden eenige

vette gieren de wacht bij het kadaver van een paard en fladderden met

zwaren vleugelslag voor ons weg.

Na een rit van zeven uur bereikten wij een karavanserei, waar de

Arabieren hun dieren aflaadden en den geheelen dag wilden uitrusten.

Het was hier zoo heet als in een oven en men kon niets beters doen dan

half slapend op den steenen vloer gaan liggen.

Den volgenden nacht reden wij in acht uur naar het groote dorp Bakuba,

dat omgeven is door een bosch van prachtige dadelboomen. Hier legerden

wij weer op de binnenplaats van een karavanserei en ik babbelde juist

wat met twee mijner reisgenooten, toen drie Turksche soldaten naar mij

toekwamen en mijn pas verlangden.

„Ik heb geen pas,” zeide ik hun.

„Goed, dan betaalt u ons tien kerân per persoon, en wij laten u toch de

grenzen over.”

„Ik geef geen stuiver,” was mijn antwoord.

„Geef dan uw baaien deken en uw reistasch!” riepen de soldaten en

trokken mijn eigendommen naar zich toe.

Maar nu was mijn geduld ten einde. Ik gaf den kerel, die mijn reistasch

had gegrepen, een stomp tegen de borst, zoodat hij zijn buit liet

vallen, en dien met de baaien deken ging het eveneens. Toen de

onbeschaamden mij nu wilden aanvallen, snelden twee Arabieren toe tot

mijn verdediging. Om verder een dergelijke bejegening te ontgaan, ging

ik toch maar liever naar den stadhouder en liet mij voor zes kerân een

pas geven.

Hierdoor was ik goede vrienden geworden met mijn Arabieren, en leenden

zij mij nu een paard, in plaats van mijn muilezel. Zoo trokken wij ’s

avonds te negen uur bij heerlijken maneschijn verder en reden den

geheelen nacht door. Nu en dan dommelde ik op mijn paard in; maar nadat

het eens voor een aan den weg liggend kadaver was geschrokken, mij uit

den zadel had geworpen, en er van door was gegaan, zoodat de mannen der

karavaan het pas na veel moeite weer opgevangen hadden sliep ik

gedurende den nacht niet meer.

Den geheelen dag kampeerden wij weer in het naaste dorp. Maar deze

manier van reizen vond ik verschrikkelijk; het ging zoo langzaam, en

men zag zoo goed als niets van het land zelf! Toen dus een oude Arabier

ons uit Bagdad op een prachtig ros inhaalde, besloot ik met zijn hulp

mij van mijn gezelschap te scheiden. Hij was er toe bereid voor vijf

kerân per dag. Eerst bleven wij nog bij de karavaan, maar zoodra de

maan was ondergegaan, versnelden wij onze vaart en toen de klank der

klokken achter ons, zwakker was geworden, draafden wij snel in den

nacht verder.

Den 13den Juni bereikten wij ook gelukkig Kirmanschah. Nadat ik mijn

Arabier had betaald, had ik nog maar vijftig penningen over! Daarvoor

kon ik noch een kamer huren, noch mij voldoende voeden, en het

vooruitzicht bij de Mohammedanen te moeten gaan bedelen, was niet

bepaald aanlokkelijk.

Ik had hooren spreken over een rijken, Arabischen koopman, Aga Hassan

genaamd, en naar zijn prachtig huis in Kirmanschah richtte ik mijn

schreden. Met bestoven rijlaarzen, en de karwats in de hand, kwam ik

door een reeks kamers eindelijk bij den heer des huizes, die met zijn

secretaris tusschen boeken en papieren zat te werken. Hij droeg een,

met goud geborduurden, witten zijden mantel, op het hoofd een tulband,

en op den neus een bril en zag er even vriendelijk als voornaam uit.

„Hoe gaat het u, mijnheer?” vroeg hij.

„Dank u, altijd goed,” antwoordde ik.

„Van waar komt u?”

„Van Bagdad.”

„En waar wilt u heen?”

„Naar Teheran.”

„Bent u een Engelschman?”

„Neen, een Zweed.”

„Een Zweed? Wat wil dat zeggen?”

„Nu, ik ben uit het land, dat Zweden heet.”

„Waar ligt dat?”

„Ver weg in het Noord-Westen, achter Rusland.”

„Ach zoo, nu weet ik het.—Is u misschien zelfs uit het land van de

ijsbergen?”

„Ja, juist uit dat land ben ik, uit het land van Karel XII.”

„Maar dat doet mij heel veel genoegen! Ik heb van de merkwaardige

heldendaden van Karel XII gelezen. U moet mij vertellen, ook van

Zweden, zijn tegenwoordigen koning, zijn leger, en ook van uw eigen

tehuis, uw ouders en broers en zusters. Maar het allereerst moet u mij

beloven gedurende zes maanden mijn gast te zijn. Wat ik bezit behoort

u, u behoeft slechts te bevelen.

„Ik ben u ten zeerste dankbaar voor uw goedheid, maar ik kan niet

langer dan drie dagen gebruik maken van uw gastvrijheid.”

„U bedoelt toch zeker drie weken.”

„Neen, u bent te vriendelijk, maar ik moet beslist naar Teheran.”

„Dat is werkelijk jammer! Misschien bedenkt u zich nog!”

Nu bracht een bediende mij naar een naburig huis, dat bijna een paleis

was; dit was mijn woning! In een groote zaal met Perzische tapijten en

zwart zijden divans richtte ik mij huiselijk in. Twee secretarissen

vormden mijn gevolg, en bedienden waren bij elken wensch aanwezig.

Wanneer ik honger had, bracht men mij uitgelezen stukken, aan het spit

gebraden schapenvleesch, haantjes met rijst, zure melk, kaas en brood,

abrikozen, druiven en meloenen, en daarna koffie en een waterpijp;

wanneer ik wilde drinken, werd mij een zoete drank aangeboden van het

sap van dadels en ijs. En indien ik wilde uitrijden om de stad en de

omgeving te zien, dan wachtten Arabische volbloedpaarden op mij! Voor

mijn huis lag een stille, door muren omgeven tuin, waarvan de paden met

marmer waren geplaveid. Onder de bloeiende seringen kon ik den geheelen

dag rondloopen en bij den geur der rozen mij overgeven aan mijn

droomen. In een bassin met kristalhelder water zwommen goudvisschen,

een hooge fijne waterstraal ging loodrecht omhoog en glinsterde als een

spinneweb in den zonneschijn. In dien verrukkelijken tuin sloeg ik mijn

nachtleger op. Kortom, het was gewoon een sprookje uit „Duizend en een

Nacht”, en toen ik den volgenden wakker werd, wilde ik maar niet

gelooven dat het werkelijkheid was. Mijn vijftig penningen had ik nog

steeds in den zak.

Maar toen de laatste dag van mijn verblijf was aangebroken, kon ik mijn

toestand niet langer verbergen.

„Ik moet u iets onaangenaams toevertrouwen,” zeide ik tot een der

secretarissen.

„Zoo?” antwoordde hij zeer verbaasd.

„Ja, mijn geld is geheel op.”

„Hoe vreemd, dat u als Europeaan, u zonder geld op zulk een verre reis

hebt kunnen begeven.”

„Ja, de reis werd langer dan mijn plan was, en nu ben ik geen cent meer

rijk.”

„Nu, wat hindert dat? Van Aga Hassan kunt gij zooveel geld krijgen als

u wilt.”

Het middernachtelijk uur sloeg juist, toen ik van mijn edelen vriend

afscheid nam. Gedurende de vastenmaand werkte hij den ganschen nacht

door.

„Het spijt mij, dat u niet langer kunt blijven.”

„Ja, ook mij spijt het, u te moeten verlaten en u uw groote goedheid

niet te kunnen vergelden.”

„U weet toch, dat roovers en bandieten de wegen door het gebergte

onveilig maken? Ik heb daarom bewerkt, dat u de post moogt vergezellen,

die door drie soldaten wordt geëscorteerd.”

Na een laatste dankbetuiging en afscheid vertrok ik. De secretaris

reikte mij een met zilver gevulden lederen buidel. De koerier en de

soldaten stonden reeds reisvaardig en reden eerst langzaam door de

nauwe, donkere straten der stad, daarna in flinken draf, toen de huizen

schaarscher werden en eindelijk, toen ons aan alle kanten de woestenij

omgaf, in gestrekten galop. Zoo ging het zestien uren voort, wij

wisselden driemaal van paarden en legden achter elkander 170 kilometer

af. In Hamadan rustten wij een dag en reden daarna op negen

verschillende paarden verder naar de hoofdstad. Gedurende de laatste

vijf en vijftig uren sliep ik in het geheel niet meer en half dood van

vermoeidheid, haveloos en met gescheurde kleeren reed ik eindelijk door

de Zuid-Westelijke poort de stad binnen.

Dat was het sprookje van mijn eerste reis naar Teheran en door Perzië!

Van pool tot pool(#68251) · 第 21 / 78 题