Uit Bakoe begon ik werkelijk, na het eindigen van mijn taak als
huisonderwijzer, den 6den April 1886, mijn eerste reis door Perzië. Ik
had een reisgenoot, den jongen Tartaar Baki Khanoff, ongeveer 700 mark
reisgeld, twee stel ondergoed en twee costuums om te verwisselen, een
warm buis en een wollen deken. Wat ik niet aanhad was in een
Tartaarsche reistasch gepakt, en in een kleine lederen tasch, die ik
omhing, had ik een revolver, een schetsboek, een notitieboek en twee
Perzische landkaarten. Baki Khanoff was uitgerust met een grooten
mantel, een met zilver beslagen geweer en een dolk. Ons geld hadden
wij, ieder de helft in onzen gordel genaaid, dien wij om het middel
droegen. Voor een reis, die heen en terug door Perzië 3000 kilometer
bedroeg, was onze uitrusting dus zeer slecht; maar ik dacht: het zal
wel gaan!
Een hevige storm dwong ons twee nachten en een dag aan boord op de
Kaspische Zee te wachten, voordat het schip ons naar de Perzische kust
kon brengen. Zoodra wij aan land kwamen, omringde ons een zwerm Perzen,
die allen luid en levendig de voortreffelijkheid van hun paarden
aanprezen. Na een vluchtig onderzoek vestigden wij onze keus op twee
kleine, goed gevoede paarden, bonden onze bagage achter aan het zadel
vast, en reden weldra, vergezeld door den eigenaar der paarden, door
donkere bosschen en geurige olijvenboschjes, omlaag naar het
Elboersgebergte.
Op zekeren nacht sliepen wij op de hoogte in een dorpje, Karoan
genaamd. Toen wij den volgenden morgen opbraken, sneeuwde het zoo hevig
en had het den geheelen nacht zoo gesneeuwd, dat land en wegen onder
hooge hoopen opgewaaide sneeuw verborgen lagen. Zoover onze
omstandigheden het toelieten, kleedden wij ons warm aan en reden
verder. Geruischloos viel de sneeuw in groote zwevende vlokken, beneden
in het dal smolt ze op onze kleeren; naar boven, op de winderige
hoogten, bevroor ze weer, en spoedig waren wij aan de windzijde met dik
ijs gepantserd. Eindelijk zaten wij op den zadel bepaald vastgevroren,
de handen werden gevoelloos, de teugels bleven op den hals van het
paard liggen en de oogen deden pijn van de sneeuwjacht. Toen ik zoo
stijf werd dat het gevoel uit mijn armen en beenen was geweken, gleed
ik uit het zadel en draafde te voet verder, de staart van het paard
mocht ik echter niet loslaten, uit vrees in de verblindende sneeuwjacht
te verdwalen. Lang ging dit zoo niet, wij besloten daarom in het eerste
dorp, dat wij zouden ontmoeten, onzen intrek te nemen. Weldra doken
eenige armelijke hutten voor ons op. Voor een er van bonden wij onze
paarden vast, klopten de sneeuw van ons af en traden een donker, laag
vertrek met leemen vloer binnen. Gelijk met ons waren nog eenige
reizigers aangekomen en nu vormden wij rondom een groot vuur een
dichten kring. Het was hier wanhopend nauw en vochtig en het wemelde
van ongedierte, maar het was toch heerlijk, zich weer bij een vuur te
kunnen drogen en warmen en toen Baki Khanoff thee en eieren had
gekookt, en brood en zout machtig was geworden, werd het werkelijk
gezellig. Wij waren met ons zevenen: vier Tartaren, twee Perzen en een
Zweed, en deze mannen moesten zich gedurende den nacht in de nauwe
ruimte, zoo goed het ging, bergen. Toen het vuur was uitgegaan, maakte
de verstikkende hitte voor een vochtige koude plaats. Maar als men een
en twintig jaar is, trekt men zich van zoo iets niets aan.
Gezond en opgewekt kwamen wij eindelijk in Teheran, de hoofdstad van
Perzië. Hier was het reeds warm als in het voorjaar. Ik woonde eenige
dagen als gast bij een landgenoot, een zekeren dr. Hybennet. Toen ik
echter verder naar het Zuiden wilde, moest ik alleen reizen, want Baki
Khanoff had koorts gekregen en keerde naar Bakoe terug.
Deze reis naar Teheran was reeds tamelijk duur geweest, maar mijn goede
landgenoot had mijn kas gestijfd en ik droeg 640 mark in mijn gordel,
toen ik den 27sten April verder reed. De weg ging van station tot
station, waar men de paarden verwisselt, een nacht kan overblijven en
voor een zilveren muntstuk eieren en brood, een hoen, meloenen en
druiven kan koopen. Van het eene station naar het andere gaat een
geleider mede, die echter zelf dikwijls het beste paard neemt en den
reiziger het slechte geeft.
Zoo ging het ook mij op den weg tusschen Kaschan en het bergdorpje
Kuhrud. Toen ik de list bemerkte, ruilde ik mijn paard met dat van den
geleider en deze bleef nu na een rit van verscheiden uren achter mij,
omdat zijn arm paard niet verder kon. Gedurende vier uur reed ik in
volslagen duisternis op smalle paden; klaarblijkelijk was ik verdwaald;
en moe en slaperig, wilde ik juist afstijgen, mijn paard aan een boom
binden en mij voor den nacht in mijn deken wikkelen, toen ik in de
verte een licht zag schijnen. Aha! Dat is het posthuis van Kuhrud!
dacht ik; maar toen ik naderbij kwam, was het het licht van een
Nomadentent. Ik reed er heen en riep. Niemand antwoordde, maar aan de
schaduw, op het doek der tent, zag ik, dat ze bewoond was. Toen ik nog
eens vergeefs had geroepen, steeg ik af, opende met een ruk de deur der
tent, en vroeg den weg naar Kuhrud.
„Kan men dan midden in den nacht niet rustig slapen?” klonk binnen een
stem.
„Ik ben een Europeaan, en gij moet mij den weg wijzen,” antwoordde ik
barsch.
Nu kwam een oud man naar buiten; hij zeide geen woord, maar ik begreep
dat ik hem, mijn paard bij den teugel leidend, moest volgen. Hij liep
in de duisternis tusschen de struiken door en toen hij mij had gebracht
bij een beek, die een voet diep en aan beide zijden door dichte
olijvenboomen omgeven was, wees hij met den vinger naar de bergen
omhoog en verdween, stom als een visch, in de duisternis. Nu steeg ik
weer op en liet aan mijn paard de leiding over en na twee uur hield het
ook voor het posthuis stil. Ik was volle vijftien uur in het zadel
geweest en het avondeten smaakte mij beter dan anders. Daarna strekte
ik mij languit op den steenen vloer, nam het zadel voor hoofdkussen en
dekte mij toe met de deken; een ander bed heb ik mij gedurende de
geheele reis niet kunnen verschaffen!
Zoo bereikte ik eindelijk Ispahan, waar vele bouwwerken aan de
verdwenen grootheid van deze voormalige Perzische hoofdstad herinneren.
Van daar ging het verder naar het Zuiden, naar Persepolis, de beroemde
stad der oudheid, waar de groote Perzische koningen Xerxes en Darius
hun paleizen hadden. Nu weiden slechts arme herders hun schapen in deze
streek, maar van de paleizen zijn nog veel prachtige zuilen
overgebleven, die weerstand hebben geboden aan de 2400 jaren die er
over heen zijn gegaan. Niet ver van Persepolis ligt Schiras, met zijn
rozentuinen, lustsloten, fonteinen en kanalen. De stad heeft haar roem
te danken aan de onsterfelijke dichters, die binnen haar muren hun
schoonste liederen zongen.
Op het kerkhof van Schiras ligt een Zweed begraven, dr. Fagergren; hij
stierf meer dan dertig jaar geleden en had dertig jaar in deze stad
gewoond. Eens klopte een derwisch, een bedelmonnik, aan zijn deur en
zeide: „De opperpriester in Bagdad zendt mij om u te bekeeren.” De
dokter gaf hem een geldstuk om van hem af te komen, maar de in lompen
gekleede monnik liet zich niet afschepen. Nu vroeg dr. Fagergren of hij
hem een bewijs kon geven van de wonderdoende macht van den
opperpriester.
„Ja,” antwoordde de monnik, „gij zijt een Europeaan, en ik zal met u
spreken in welke taal gij wilt.”
„Nu, spreek dan eens Zweedsch,” riep de dokter, en tot zijn grootste
verbazing zeide de bedelaar in zuiver Zweedsch een zang op uit Tegner’s
Fridjof sage! De gewaande bedelmonnik was namelijk de Hongaarsche
professor Bambery, die destijds verkleed door Perzië reisde om
ongehinderd toegang tot de heiligdommen te krijgen!
Hoe meer ik de kust van de Perzische golf naderde, des te warmer werd
het en op zekeren dag was het in mijn slaapkamer 39 graden Celsius. Men
reist daarom gedurende den nacht. Daar ik snel placht te rijden, kon de
oude stalknecht het laatste eind niet medekomen: ik reed dus den
geheelen nacht alleen verder, met de revolver in de hand, voor het
geval roovers zich mochten vertoonen. Maar ik was toch blij, toen de
zon opging en de spiegelgladde watervlakte van de Perzische golf mij
tegenstraalde. Onder een warmte van 45 graden, zooals ik ze te voren en
daarna nooit meer heb bijgewoond, bereikte ik de kuststad Buschehr. In
negen en twintig dagreizen had ik 1500 kilometer te paard afgelegd.
De Perzische golf, een bocht in den Indischen Oceaan, scheidt Perzië
van Arabië. Arabië is een langwerpig schiereiland tusschen de Perzische
golf en de Roode Zee; in het Noord-Westen wordt het door de
Middellandsche Zee, in het Zuid-Oosten door den Indischen Oceaan
bespoeld. Maar dit schiereiland is zoo groot als het derde deel van
Europa. Het grootste gedeelte van het kustland is onderworpen aan den
Sultan van Turkije, maar het wilde, oorlogzuchtige heidenvolk der
binnenlanden, de Bedouïnen, is zoo goed als onafhankelijk. Slechts
weinig deelen van Arabië zijn bewoond; ontzaglijke uitgestrektheden
zijn kale zandwoestijnen, waarin nog geen Europeaan den voet heeft
gezet. Kort bij de kust van de Roode Zee liggen twee Arabische steden,
die voor alle Mohammedanen even heilig zijn als Jeruzalem en Rome voor
de Christenen. Zij heeten Mekka en Medina. In Mekka werd in het jaar
570 na Christus, de profeet Mohammed geboren, in Medina stierf hij in
het jaar 632 en hier ligt hij begraven. Hij is de stichter van den
Mohammedaanschen godsdienst en sedert hij aan de Arabieren den Islam
predikte, heeft zijn godsdienst zich zoo sterk over de oude wereld
verbreid, dat hij nu meer dan twee honderd millioen belijders heeft!
Een bedevaart naar Mekka is de vurige wensch van alle aanhangers van
Mohammed; wie daar eens geweest is, kan rustig sterven en gedurende
zijn leven draagt hij den eeretitel hadschi. Uit Afrika en de
binnenlanden van Azië gaan jaarlijks ontelbare bedevaartgangers naar
deze heilige plaatsen.
Aan de Arabische kust in de Perzische golf ligt het wereldberoemde
eiland Bahrein, waar de parelvisscherij in den zomer en herfst aan de
Engelsche bezitters ervan over de elf millioen mark jaarlijks oplevert.
Ongeveer 5000 booten met 30000 personen bemand, zijn dan op zee. Elke
eigenaar van een boot stelt eenige duikers aan. Zulk een duiker gaat
zelden dieper dan twaalf tot dertien meter en blijft hoogstens vijftig
seconden onder water. Hij heeft was in de ooren, een knijper op den
neus en met een steen aan de voeten en een koord om zijn lijf, springt
hij over boord en verdwijnt in de diepte. Op den bodem der zee
aangekomen, verzamelt hij in een mand, die hij voor het lijf heeft
gebonden, zoo veel schelpen als hij in der haast maar grijpen kan en op
een teeken wordt hij weer aan de oppervlakte getrokken. Hier opent de
eigenaar van de boot de schelpen, neemt er de kostbare parelen uit, die
naar grootte en soort zeer verschillend van waarde zijn en verkoopt ze
voor de Indische markten.
Aan Arabië grenst in het Noord-Oosten Mesopotamië, dat door de Euphraat
en de Tigris wordt doorstroomd. Van Buschehr bracht een Engelsche
stoomboot mij daarheen en op de troebele golven voer ik stroomopwaarts.
Van het dek af zag men de koperkleurige, half naakte Arabieren op
prachtige, ongezadelde paarden rijden. Zij weiden hun kudden schapen op
de steppen en dragen lange lansen. Dikwijls overstroomen geheele wolken
van groene sprinkhanen de stoomboot, en men kon er slechts aan ontkomen
door een overhaaste vlucht in de kajuit; rondom den schoorsteen lagen
zij verbrand en bedwelmd in reusachtige hoopen.
Na een riviertocht van verscheiden dagen landde ik in Bagdad. Van den
voormaligen glans der stad is niet veel meer overgebleven. In de tiende
eeuw was het de grootste stad der Mohammedanen, en hier werden de
Indische en Arabische sprookjes verzameld, die onder den naam „Duizend
en een Nacht” bekend zijn. Niet ver van Bagdad, maar aan de Euphraat,
lag in den grijzen voortijd het groote, prachtige Babylon, dat honderd
koperen poorten had en welks muren zoo breed waren, dat zes wagens er
naast elkaar op konden rijden. Bij de wateren van Babylon hingen de
gevangen Israëlieten hun harpen aan de wilgen, en over de toekomst van
Babylon voorspelde Jeremia: „En Babylon zal tot steenhoopen worden en
tot woning der draken, tot een wonder en tot aanfluiting, zoodat
niemand er in zal wonen.”