EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarom de molenaar er bij blijft, dat geschreven is, wat

geschreven is. Waarom mijnheer de baljuw Frits Sahlmann aan

zijn oorlapje trekt, en mijn oom Herse steeds van zijn stuk

geraakt. En hoe de geschiedenis heel mooi ten einde komt.

Hij ging, en Hendrik en Fieken bleven alleen.--Op het slot zat

de oude baljuw met den poedermantel op den poederstoel; hij was

verdrietig. "Netje," zeide hij, "de mantel zit mij te stijf om de

keel." "Wel Weber, hoe kan die te stijf zitten?" "Netje, hij trekt

me, en ik ben geen turksche pacha, die vooraf probeert, of 't pijn

doet, als iemand zich met een' zijden koord verworgt."--"Nu, is

't zoo goed?"--"Hm, ja; maar dat is een verdrietige zaak." "Wat dan

toch, Weber?" "Met den Gielowschen molenaar; de oude man is zeker

gek geworden, wil ik maar zeggen, ofschoon zijne zaak zeer veel

van misdrijf heeft." "Wat heeft hij gedaan?" "Wel, wat hij gedaan

heeft? Al het koren heeft hij gehouden, wat de menschen hem gebracht

hebben, om te malen, en naderhand moet hij 't aan Itzig verkocht

hebben. Waar kijk je naar, Netje?" "Och, ik zie hem daar juist met

den raadsheer Herse aankomen." "Met den raadsheer Herse?" riep de

oude heer; hij stond op, en keek ook uit het venster. "Wat wil de

raadsheer Herse, Netje?" "Hij praat immers met den molenaar." "En heel

druk praat hij met hem, Netje!" sprak de oude heer, en zijn gelaat

helderde geheel op, en een vroolijke glimlach speelde om zijn mond;

"Goddank! nu zal ik den molenaar van slechtheid kunnen vrijspreken;

het zal op eene dwaasheid neêrkomen, want de raadsheer is meê in 't

spel." "De raadsheer is toch zoo'n goede, eerlijke man." "Dat is hij,

Netje, maar, hij doet ook soms dwaze dingen; dwaze dingen doet hij

soms!" Dit zeggende ging mijnheer de baljuw naar de gerechtszaal.

Vóór de gerechtszaal stonden de pachter Roggeboom, de bakker Witt,

de schout Besserdich, en nog wel een dozijn anderen, die allen

den molenaar aangeklaagd hadden. Toen deze nu, met den raadsheer,

tusschen hen door ging en zijne beste vrienden tegen zich zag optreden,

zakte hem het hart in de schoenen; en toen zij hem allen ontweken

en hij zijne beschimping in hunne oogen kon lezen, werd hij angstig

te moede; hij moest zich aan den arm van den raadsheer vasthouden en

zeide zacht: "Mijn lieve mijnheer Herse, mijn lieve mijnheer Herse,

ik ben zoo akelig." Zoo iets is aanstekelijk; mijn oom Herse werd ook

akelig. Voor de eerste maal, gedurende al den tijd, dat die zaak aan

den gang was, begon er een duister voorgevoel in hem op te rijzen, dat

hij zich waarschijnlijk in ongelegenheid brengen zou. Alles, wat hij,

ten voordeele van den molenaar spreken wilde, draaide verward door zijn

hoofd, en toen de oude Voss in de gerechtszaal werd binnengeroepen en

hij medeging was hij geheel en al den tekst kwijt en zelfs zijn deftig

voorkomen begon hem bijna te begeven, toen de oude baljuw zeer ernstig

de vraag tot hem richtte: "Wat verschaft mij de eer u hier te zien,

mijnheer de raadsheer?"

Mijn oom Herse was bijzonder ver in juiste antwoorden; doch, men moest

hem tijd laten; hij moest altijd eerst een grooten omweg maken, eer

hij tot de zaak zelve kwam; deze vraag was hem al te veel op den man

af, en de oude heer zag er hem te strak uit; hij mompelde dus zoo wat

tusschen de tanden van notarius publicus en gerechtelijken bijstand

voor den molenaar. "Bijstand?" vroeg de oude heer, en eene kluchtige

uitdrukking kwam op zijn gelaat. "'t Is goed mijnheer Herse, ga zitten,

als ik u verzoeken mag, en hoor toe."--Mijn oom Herse ging dus zitten,

en dat was een geluk voor hem, want hij kon, onder 't zitten, beter

nadenken en ook beter tot zich zelven komen. En zoo dacht hij dan

na, en kwam tot zich zelven. "Molenaar Voss," vroeg de oude heer,

"hebt ge van dien--en dien--en dien--koren om te malen gekregen?" "Ja

mijnheer de baljuw." "Waar is dat koren gebleven?" "Dat heb ik aan

Itzig verkocht; maar de zakken liggen bij mij in huis, die zal ik aan

't gerecht afleveren." "Zoo? Wel, dat is alleraardigst. Maar, weet ge

wel, dat ge u met groote ongerechtigheden hebt afgegeven, en dat het

zeer veel van bedriegerij heeft?" "Mijnheer de baljuw," antwoordde de

molenaar; "ik ben in mijn recht," en hij wischte zich met de vlakke

hand het klamme zweet van 't voorhoofd. "Ja," zeide mijn oom Herse,

opstaande, "wij zijn....."--"Mijnheer Herse," zeide de baljuw, "ik

heb in mijne gerechtszaal mijne eigene manieren; ik verzoek u te gaan

zitten en toe te hooren." Waarom was mijn oom Herse ook opgestaan? Nu

was hij weêr van zijn stuk geraakt en moest weêr gaan zitten, om

opnieuw tot zich zelven te komen. "Molenaar Voss, wat praat ge van

uw recht?" "Wel, mijnheer, gij hebt mij zelf gezegd: wat geschreven

is, dat is geschreven; en in mijn nieuw kontrakt van verleden jaar

staat het geschreven dat ik van elk schepel een schepel maalloon zal

hebben." "Waar is je kontrakt?" "Hier," antwoordde de molenaar en gaf

het hem.--De oude heer las het kontrakt, schudde het hoofd en zeide:

"Hm, hm! Dat is toch eene wonderlijke zaak!" Hij nam de schel en

schelde: "Frits Sahlmann moet eens binnenkomen!" Frits kwam. "Frits,

kom eens hier, wat dichter bij!" Frits kwam dichter bij; mijnheer de

baljuw trok hem aan zijn oorlapje en bracht hem bij de tafel, waar het

kontrakt op opengeslagen lag. "Frits, wat heb ik je altijd gezegd? je

zult nog eens in je onbedachtzaamheid allerlei onheil aanrichten,

en nu is 't waarlijk zóó uitgekomen, je hebt nu een paar oude lieden

tot dwaasheden verleid, die hun duur te staan konden komen, wanneer

ik niet wist, dat het enkel dwaasheden waren. Neem de pen en schrap

hier: "schepel" uit; en schrijf: "maat" er boven." Frits deed zulks;

mijnheer de baljuw nam het kontrakt en gaf het aan den molenaar,

zeggende: "Zie zóó, molenaar Voss, nu is alles in orde!"--"Maar,

mijnheer de baljuw...." riep de molenaar uit.--"Voss," viel de oude

heer hem in de rede, "ik zal met de beschuldigers spreken, dat zij

je acht dagen uitstel geven, maar dan moet je hun het koren of het

geld er voor verschaffen, anders loopt het niet goed af."--"Maar,

mijnheer de baljuw...." riep oom Herse, en hij stond op. De baljuw

zag hem aan: oom Herse was blijkbaar van zijn stuk. "Mijnheer Herse,

ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren," sprak de oude heer op

hoogst ernstigen toon. "Mijnheer Herse, gij hebt kind noch kraai, en

gij hebt zooveel, dat gij toch goed kunt leven; laat dan den notarius

publicus varen, en kunt gij daar niet toe besluiten, blijf er dan

mede uit ons rechtsgebied. Iets goeds komt er voor ons nooit uit

voort." Daarop keert hij den raadsheer zijn rug toe, schelt en zegt:

"Frederik Schult, de knecht van den molenaar, moet binnenkomen."

De oude molenaar was geheel verslagen en ternedergedrukt naar de

deur gegaan; mijn oom was hem gevolgd; maar men kon 't hem aanzien,

dat het in zijn hoofd bruiste en kookte. In de deur bleef hij staan;

hij strekte beide armen vóór zich uit; nog sprak hij geen woord;

maar nu--nu kwam Frederik binnen en schoof hem een goed eind op zeide

en de deur uit;--hij wierp een knorrigen blik op Frederik,--de oude

gerechtsdienaar Ferge deed de deur dicht, en dat was de laatste blik,

dien hij in rechtszaken gedaan heeft, want sedert dien tijd liet hij

den notaris geheel en al varen.

"Mijn zoon," zeide mijnheer de baljuw tot Frederik, "kom een beetje

dichter bij! Gij zijt het immers, die met mijne Fieken Besserdich

wilt gaan trouwen?" "Neen mijnheer," sprak Frederik. "Ei," zeide

de oude heer, en keek hem nauwkeuriger aan, "dient ge dan niet

bij den molenaar?" "Neen," zeide Frederik weder en verroerde zich

niet. "Wat?" vroeg de oude heer, "zijt ge dan niet de molenaarsknecht,

Frederik Schult, tot wien ik eens gezegd heb, dat ik aan hem denken

zou?" "Die Frederik Schult ben ik, mijnheer, maar ik dien niet meer

bij den molenaar; daar ben ik vandaan gegaan; en de deern wil ik niet

meer hebben, want zij liet mij loopen, en de molenaarsknecht ben

ik ook niet meer, want sinds een half uur ben ik onder de soldaten

gegaan." "Wel, ga daar maar onder! Ik geloof, dat je daar op de rechte

plaats zult wezen. Maar, mijn zoon, er ligt bij mij nog wat voor je in

't zout. Zijt gij 't niet geweest, die 't eerst den mantelzak van het

paard des "chasseurs" afgenomen hebt?" "Ja," "En ge hebt den mantelzak

open gemaakt, en er geld uitgenomen en dus geweten, dat er geld in

was?" "Dat heb ik," antwoordde Frederik, en hij zag er onverschrokken

uit, "en ik spreek het ook niet tegen." "Welnu, luister dan eens heel

goed naar 't geen ik je zeggen zal. Dat geld is onbeheerd goed, want

de Franschen hebben het laten varen; gij hebt het gevonden en hebt het

je ook al toegeëigend, want ge hebt er van genomen; nu is er evenwel

nog een kerel, dien noemen ze "fiscus;" dat is een brutale kerel,

die alles inslokt, wat hij krijgen kan, en bovenal is hij verzot op

onbeheerd goed, en dit heeft hij, om zóó te spreken, ook al in zijne

kaken. Maar somtijds krijgt hij ook aanvallen van zachtmoedigheid,

wanneer hij eene oprechte, ware eerlijkheid aantreft, en iemand hem

die recht duidelijk voor de oogen stelt. Dat laatste heb ik nu naar

mijn vermogen beproefd en mijnheer de "fiscus" heeft ten uwen gevalle

afstand van het geld gedaan. En, zie hier, mijn zoon, dit is 't, wat

er bij mij voor je in 't zout ligt!" Dit zeggende, nam hij een doek

weg, en de mantelzak van den Franschman kwam te voorschijn. "Frederik

Schult, de mantelzak en het geld behooren u toe!"

Daar stond Frederik en zag mijnheer den baljuw en den mantelzak aan, en

dan weêr den mantelzak en mijnheer den baljuw, en begon zich eindelijk

heel hard achter de ooren te krabben. "Wel," vroeg de oude heer en

legde hem de hand op den schouder. "Nu, wat dan, Frederik?"--"Hm"

zeide Frederik, "ja, mijnheer de baljuw, en ik bedank u ook zeer, maar

't komt me niet recht gelegen." "Komt het geld je niet gelegen?" "Nu

ja, het geld komt me wel gelegen, maar 'k heb er op dit oogenblik

maar niet veel aan. De deern wil me niet hebben, en ik ben onder de

soldaten, en daar kan ik het toch niet meênemen." "Hm," zeide de

oude heer, terwijl hij met groote stappen in de kamer op en neder

ging; "dat is toch eene wonderlijke zaak." Eindelijk bleef hij voor

Frederik staan en zag hem met een beteekenisvollen blik in de oogen,

zeggende: "Frederik Schult, kontant geld is tegenwoordig schaarsch,

en ik weet plaatsen, waar de huisvader zich daarom de handen aan stuk

wringt, en vrouw en kind in tranen nederzitten."--De molenaarsknecht

Frederik Schult keek op; hij zag in de oogen van den ouden baljuw, en

't was hem, alsof hem vandáár een straal tegenblonk, die zijn hart

verwarmde. "Dumouriez!" riep hij uit, greep naar den mantelzak, nam

dien onder den arm, en zeide: "Ik weet waar ik wezen moet, mijnheer de

baljuw. Adjuus, mijnheer!"--Hij wilde weggaan; de oude heer ging hem

na tot aan de deur. "Frederik Schult," zeide hij en nam zijne hand,

"mijn zoon, als ge uit den oorlog terugkomt, moet ge eens bij mij

aankomen, en mij vertellen hoe 't je gegaan is."

De gerechtszaal was ledig; mijnheer de baljuw zat bij zijne vrouw in

hare kamer en zeide: "Netje, die molenaarsknecht, die Frederik, als

die eens bij mij terugkomt, dan zal ik mij, geloof ik, meer verblijden,

dan wanneer eene prinses mij kwam bezoeken."

Toen de molenaar en mijn oom Herse den slotberg afgingen, spraken

zij geen woord, maar uit geheel verschillende oorzaken; de molenaar

zweeg, omdat hij geheel in zich zelven gekeerd was,--mijn oom, omdat

hij geheel buiten zich zelven was; hij kon de woorden niet vinden. Ten

laatste barstte hij uit: "Dat moet een gerechtsdag verbeelden? Dat moet

een vonnis verbeelden! Die oude baljuw, die oude lompe kerel, laat

die een mensch aan het woord komen? Molenaar Voss, wij gaan verder,

wij gaan ter tweeder instantie." "Mijnheer Herse," zeide de oude

molenaar, geheel verslagen; "ik ga niet verder, ik ben ver genoeg,

ik ben al tot den grond gegaan." "Vader," sprak de oude bakker Witt,

die achter hen aan was gekomen, en de woorden van den molenaar gehoord

had, "trek u dat niet te zeer aan, 't kan alles beter worden. En gaat

nu meê naar mijn huis; uw Fieken is er ook." "Mijn Fieken?" Maar de

bakker liet hem niet verder aan 't woord komen, en de oude molenaar

volgde hem in 't huis als een lam. 't Was niet de armoede, maar de

schande, die hem nederdrukte.

Mijn oom Herse ging niet mede het huis in; hij liep vóór de deur op en

neder, en allerlei gedachten kwamen bij hem op. Mijn oom had altijd

veel gedachten, en gewoonlijk gingen die in zijne hersenkast rond,

als kleine, aardige, nette kinderen met heldere, blauwe oogen, en al

verjoegen ze elkaâr ook menigmaal, of al duikelden ze over elkander,

of al speelden ze dikwijls blindemannetje en al richtten ze allerlei

dwaasheden uit, zoo waren ze toch altijd in zondagskleêren, en in

zijn oog, netjes en sierlijk om aan te zien;--doch, de gedachten, die

voor de deur van Witt bij hem opkwamen, waren als eene bende havelooze

bedelkinderen, die zich niet lieten afwijzen maar de handen uitstrekten

en uit éénen mond riepen: "Raadsheer, raadsheer Herse, help gij den

molenaar! Gij hebt hem in de knoei gebracht, help er hem nu ook weêr

uit!"--"Goede hemel," zeide mijn oom, "laat mij toch met rust! Ik

wil immers; ik wil eene hypotheek op mijn huis nemen, maar waar zal

't geld vandaan komen?" En de kleine bedeljongens brachten hem zóó in

't nauw, dat hij bij bakker Witt, in de oprijpoort moest gaan staan,

om van hen bevrijd te worden.

Hier stond Hendrik, bezig om zijne beide bruintjes, die nog niet

verkocht waren, te zadelen en op te toomen; en toen mijn oom hem in

het roode buis, en met den krijgsman onder den neus, ter nauwernood

herkende, kwam Frederik juist de poort in en gooide zijn' mantelzak

in de kribbe, zoodat het rammelde en klonk. "Hendrik," riep hij hem

toe, in den beginne is alles moeilijk, zeî de duivel en hij droeg

molensteenen, maar..."--hier werd hij den raadsheer gewaar en bleef

in zijne rede steken;--"goeden morgen, mijnheer Herse, en neem 't

mij niet kwalijk, maar, gij kunt mij een groot genoegen doen. Zie,

de molenaar heeft mij nog tot Sint-Jan gehuurd, en blijven moest

ik eigenlijk zoo lang; maar, 'k heb toch zoo'n grooten lust om te

trekken; en zeg gij hem nu, als hij mij laat gaan, dan woû 'k hem

het Fransozengeld leenen, totdat ik terugkom, want dat hebben ze mij

vandaag op het slot toegewezen, en 't ligt hier in de kribbe."

Weg waren uit de verstandskast van mijn' oom de kleine

bedeljongens,--de aardige, zondagsch-aangekleede kinderen sprongen

er in rond en duikelden, en hij zelf begon bijna te duikelen, over

een' halsterketting, toen hij naar Frederik toesprong en uitriep:

"Frederik, Frederik! Je bent een--je bent een--een engel!"--"Ja,

een oude, mooie engel!" zeide Frederik.--"Frederik," riep mijn oom,

"dat willen we dadelijk op schrift brengen."--"Neen, mijnheer Herse,"

zeide Frederik, "dat willen we niet doen; daar zou weêr een schrijffout

kunnen insluipen, en dan kon daar weêr ellende door ontstaan. Wat van

mond tot mond gesproken is, dat zal gelden."--"Hendrik," zoo wendde hij

zich nu tot dezen; "hebt ge alles, ook met Fieken, in orde?" Hendrik

stond achter zijn paard, hij had beide zijne armen op den zadel

gelegd, zag daarover heen en knikte met het hoofd, want spreken kon

hij niet.--"Nu dan!" riep Frederik en reikte naar den teugel van

het spattige rijpaard; maar Hendrik trok hem den teugel uit de hand,

sprong in den zadel, en, hem den toom van den fraaien, bruinen ruin

toewerpende, riep hij uit: "Broeder! het beste is voor jou nog te

slecht!"--"Maar," riep mijn oom, "wilt gij dan den molenaar en Fieken

niet...?"--"'t Is alles al in orde!" riep Frederik. "Adjuus, mijnheer

de raadsheer!" En weg draafden zij, de Brandenburgsche poort uit.

Wij, kinderen, stonden bij de poort en keken hen na. "Dat zijn geen'

Fransozen!" zeî Johan Bank.--"Dat zijn een paar van de onzen!" zei

Frits Risch. En 't was alsof een eigenaardige trots over ons gekomen

was.

"God geve, dat zij wederkomen!" sprak de oude vader Rickert.

En zij kwamen weder. Na jaar en dag en nogmaals na jaar en dag was

een voorjaar voor Duitschland aangebroken. Veldslagen hadden plaats

gehad, bloed had gestroomd op de bergen en in de dalen, maar de regen

had het weggespoeld en de zon had het opgedroogd, en de aarde liet

gras daarover groeien en de wonden van 't menschenhart waren door

de hoop verbonden met een' balsem, dien zij vrijheid heeten. Vele

zijn naderhand weder opengegaan, want het scheen wel, dat het niet

de echte, van den hemel afkomstige, balsem was.

Doch daaraan dacht in dit schoone voorjaar niemand, en in mijne kleine

vaderstad groeide en bloeide het in tuinen en velden, en de bezwaarde

menschenborst haalde ruim adem; want vrede met God en menschen lag

over de wereld verspreid. Het scherpschutterskorps van oom Herse had

zijne een-en-twintig jachtgeweren in de kast gezet; en mijn oom had

er een muziekkorps uit bijeengebracht, wat hij eene kapel noemde;

't kwam hem daarbij zeer te stade, dat hij hun in den oorlogstijd

geleerd had, om allen tegelijk af te vuren, want nu vielen zij van

zelf met violen en fluiten en klarinetten gelijktijdig in. Des avonds

brachten zij serenades, en ik kan nog heden de melodie zingen, daar

zij altijd hetzelfde stuk speelden; mijn oom heeft mij later gezegd,

dat het variaties waren op het mooie thema: "Gisteren was neef Michel

hier."--Toen de slag bij Leipzig gewonnen was, brandden er vreugdevuren

op den Uilenberg en op den Molenberg en de stad was geïllumineerd;

geschoten werd er wel is waar niet, want wij hadden geene kanonnen;

maar kanongebulder hadden wij toch; de adjudant van den raadsheer,

Johann Heinz, en de oude dokter Metz waren namelijk op den gelukkigen

inval gekomen, om eenige zeer zware steenen op eene mestkar te leggen,

en gooiden die met alle geweld tegen de groote poort van den ouden

podagreusen Kasper aan, zoodat er een echt kanongebulder ontstond en

de poort in stukken viel.

En wat was 't een gejuich, en wat was 't eene heerlijkheid, wanneer

de eene moeder aan de andere vertelde: "Zeg eens, nicht! mijn Jochem

is er ook bij geweest, en hij heeft geschreven, dat hij er gelukkig

afgekomen is." En Hendrik had ook geschreven, en Frederik had zijne

groeten laten doen. En toen dat in Stavenhagen bekend werd, ging het

van mond tot mond: "Wel, die goede Frederik! Laat hem maar loopen! Dat

is een oud gediende!" En iedereen sprak van den ouden Frederik en

zóó heeft zich, van lieverlede, in mijne vaderstad Stavenhagen,

de overlevering verbreid, dat de oude onderofficier Frederik Schult

eigenlijk den slag bij Leipzig gewonnen had; hij had aan zijn' overste,

Warburg, gezegd, hoe 't gedaan moest worden, en die had het aan den

adjudant van den ouden Blücher gezegd, en de oude Blücher had gezegd:

"Frederik Schult heeft gelijk!" Dat had hij gezegd!

Maar ook deze tijd vol gejubel en vol twijfel, vol vrees en vol hoop,

was voorbij, en het schoone voorjaar was gekomen, van 't welk ik

hierboven gesproken heb. En op zekeren dag was eene mooie koets den

weg naar het slot opgereden en de menschen zeiden, dat het op het slot

feestelijk toeging. Frits Sahlmann kwam den eenen dag in de stad en

vertelde, dat het met mamsel Westphalen wel spoedig gedaan zou wezen;

want als dat acht dagen zoo voortging, dan zou zij zeker nog maar

in de graten hangen, en de gasten zouden, naar hij zeide, acht dagen

blijven. Den anderen dag kwam hij weder en vertelde, dat mijnheer de

baljuw al klokke negen was opgestaan en het venster had opengemaakt

en gezongen had, met zijne natuurlijke stem gezongen!--en de vrouw van

den baljuw had achter hem gestaan en had hare handen ineengeslagen; en

hij,--Frits Sahlmann,--moest vele komplimenten doen aan mijn' vader en

mijne moeder, en, zoo het mogelijk was, moesten zij van middag komen

eten. Op den derden dag werd ik netjes aangekleed en naar het slot

gezonden: vele komplimenten aan mijnheer den baljuw en aan mevrouw, en

aan de logeergasten en zij werden verzocht op thee en een avondbroodje,

mamsel Westphalen ook, en mijne moeder stampte het mij behoorlijk in,

dat ik tot de jonge dame altijd "genadige vrouw" moest zeggen.

Toen ik binnenkwam en mijne boodschap overbracht, zat mijnheer de

baljuw op de kanapé en naast hem zat een oud heer, die er zeer ernstig

uitzag, en de baljuw zeide tot hem: "Dat is mijn peetekind, dat is

burgemeesters Frits." En de vreemde heer werd vriendelijker en ik

moest hem de hand geven en hij vroeg mij naar 't een en ander. Terwijl

ik nog bij hem stond, werd de deur geopend en binnenkwam--de Fransche

overste Von Toll, en hij had zijn arm om eene jonge, beeldschoone vrouw

geslagen; dat was zijne "genadige vrouw." Ik keek den overste aan en

't was mij, alsof ik hem al meer gezien had, en daar de mensch, als

hij in 't onzekere is, juist niet het verstandigste gezicht vertoont,

is mij dit toen zeker ook wel zoo gegaan, want zij lachten beiden

en toen ik de komplimenten van vader en moeder had uitgestameld,

zeiden zij, dat zij komen zouden; de vreemde dame streek met hare

hand over mijn hoofd en zeide, dat ik stug haar had, en misschien ook

wel een stuggen aard, en de baljuw zeide: "Daar kunt gij wel gelijk

in hebben, kindlief, maar wat hij met zijn onbuigzaam hoofd misdoet,

daar zal hij dan maar met een' weeken rug voor moeten boeten."

Dien avond ging het weêr heel feestelijk toe bij ons, maar 't was niet

zoo vroolijk, als toen mijn oom Herse Julius Caesar voorstelde; en

punch werd er ook niet geschonken, maar Marieken Wienk moest langkurk

brengen; dat was toen de beste wijn, want geen mensch wist toen wat

van grand vin château of champagne. De mannen spraken over den oorlog,

en de vrouwen van de bruiloft, die morgen op den Gielowschen molen zou

plaats hebben, en toen de gasten weggingen, keerde de overste zich naar

mijn' vader toe en sprak: "Maar, mijnheer de burgemeester, niemand mag

ontbreken van al degenen, die in dit stuk hebben medegespeeld!" Mijn

vader beloofde hem, dat niemand ontbreken zou.

Den anderen middag gebeurde het weder eens, dat de oorlogs- en

bagagewagen van den baljuw gesmeerd werd, en hij en zijn vriend

Renatus Von Toll zaten er naderhand in en reden de Malchinsche poort

uit. "Juffrouw Stahl," zeide mamsel Westphalen later: daar zaten zij

beiden te zamen in het rijtuig en keken zoo vriendelijk en onschuldig

in de wereld rond als een paar pasgeboren tweelingen. En, juffrouw

Stahl, in de mooie koets der logeergasten had de genadige vrouw Von

Toll, en de vrouw van den baljuw en de vrouw van den burgemeester

en ik de eer te rijden; en de vrouw van den burgemeester had haar

jongen, haar Frits, medegenomen en die bengel hing mij den heelen

weg over, op 't lijf, zoodat mijne voeten begonnen te slapen, en

als de huzaar-onderofficier Frederik Schult er niet geweest was,

dan zou ik, bij 't uitklimmen, van de treê gevallen zijn. Dat komt

van die kinderen, dat zeg ik."--En op een' grooten korenwagen zaten

de bakker Witt en zijne dochter, en Luth en Fiek Besserdich en Frits

Sahlmann, en mijnheer Droi, en van achteren in den wagen lag een hoop

armen en beenen: dat waren de kleine Fransche kindertjes van mijnheer

Droi. Mijn vader en de overste reden te paard. "Maar, waar blijft

de raadsheer?" vroeg de overste. "Hij komt," antwoordde mijn vader,

"maar wanneer en waar, dat mag de hemel weten, want toen hij 't mij

verzekerde dat hij komen zou, knipte hij met één oog en trok een

gezicht, wat ik van hem ken, en dat ik zijn "heimelijk gezicht" noem."

Toen mijnheer de baljuw aankwam, stond de molenaar Voss met eene

zwarte manchestersche muts op het hoofd voor de deur, en zijne vrouw

stond bij hem in een zwart kalaminken rok, en hij boog, en zij neeg,

en de baljuw vroeg: "Wel, vriend Voss, hoe gaat het?" "Opperbest;"

zeide de oude molenaar, terwijl hij de treê neêrsloeg.--Mijnheer de

baljuw boog zich naar zijn vriend Renatus toe, en zeide: "Kindlief,

de oude molenaar is tegenwoordig weder in goeden doen; hij is wijs

geworden, en heeft er van afgezien, om zelf het bestuur te hebben en

laat nu zijne Fieken huishouden."

Thans kwam de staatsiekoets. De dames klommen er uit; en Frederik

droeg mijne moeder de kamer in; hij heeft haar naderhand nog dikwijls

gedragen. De korenwagen hield stil; alles sprong eraf, alles ging in

huis, ik meê, slechts de kleine Droi's liepen eerst naar den tuin en

vielen op de onrijpe kruisbessen aan.

In de kamer stond de dominé; hij had al gewacht, en bij hem stond

Hendrik met zijne Fieken. Wat was Fieken schoon! Wat is eene bruid toch

schoon!--De dominé hield zijne trouwrede, zijne beste; hij kende er

drie, en de eene was steeds mooier dan de andere, en daarnaar was ook

de prijs ingericht. Die van "de kroon" was de mooiste en de duurste;

ze kostte "een daalder en zestien groschen,"--dan kwam die van "het

hert," tegen "een daalder," en eindelijk kwam die van "jammerlijk,

ellendig ding,"--die kostte maar "acht groschen" en was voor den

gemeenen man. Heden trok hij het groote register van "de kroon," uit;

dat wilde de molenaar zoo hebben. "Domeneer," had de molenaar gezegd,

"mijn Fieken wil absoluut dat het eene stille bruiloft wezen zal,

en haar zin mag ze ook hebben, maar alles wat toch bij eene bruiloft

behoort, dat moet van 't beste soort zijn."

En zóó geschiedde het ook. Toen de toespraak geëindigd was, ging de

schoone genadige vrouw naar Fieken toe en gaf haar een kus, en deed

haar een gouden ketting om den hals, waaraan een net plaatje hing en

daarop stond de datum van den dag, waarop Fieken aan den overste verlof

gevraagd had, bij haren vader te mogen gaan. De overste was bij Hendrik

gaan staan, en toen hij hem de hand drukte, toen waren de oogen van

den ouden vreemden heer zoo vriendelijk op hem gericht, dat de baljuw

zijne hand vatte en tot hem sprak: "Kindlief, nu, wat dan?"--Hij wist

misschien wel meer van de zaak dan iemand anders onder ons.

Nu ging men aan tafel. De bakkersdochter zorgde voor 't opscheppen

der soep, en Luth diende het gebraad voor, terwijl Fiek Besserdich

met de beide molenaars-deerntjes bedienden. Nauwelijks had de

molenaar het eerste bord vol kippesoep gebruikt, of hij stond op,

en hield eene indrukwekkende aanspraak tot zijne gasten, doch hij

keek daarbij altijd slechts den baljuw aan. Hij had, zeide hij, het

geheele gezelschap maar op eene bruiloft zonder muziek, zoo maar, dood

eenvoudig, zonder komplimenten, uitgenoodigd; zijn Fieken had het zoo

gewild, en de heeren en dames moesten 't niet kwalijk nemen, maar, al

hadden zij ook geen muziek...--hier was 't gedaan met zijne aanspraak,

want buiten barstte het eensklaps los: "Gisteren was neef Michel hier;

neef Michel, die was gisteren hier," en toen de deur opengerukt werd,

stond daar mijn oom Herse met zijne gansche kapel; hij had den dikken

stok van den molenaar in de hand en sloeg de maat op een meelzak,

zoodat de fluiters en trompetters hunne tonen als door eene mooie,

witte zomerwolk heenbliezen.

Dat was een pret, dat was een leven! De overste sprong op,

begroette mijn' oom vriendelijk en trok hem aan zijne zijde aan

tafel, en mijnheer de baljuw fluisterde zijn' vriend Renatus toe,

zoodat het geheele gezelschap het hooren kon: "Dat is de raadsheer,

lief kind, van wien ik van morgen die zotte historie vertelde, van

het kontrakt;--'t is anders een goede pleizierige man." En de oude

molenaar trok de geheele kapel de kamer binnen, en de heilige Cecilia

werd in den hoek gezet, en de kippesoep loste haar af, en vervolgens

kwam "neef Michel" weêr, en die werd door 't gebraad afgelost, en zóó

ging het steeds beurt om beurt. En toen het avond werd, was oom Herse

weder met geheimen aan den gang; hij en zijn adjudant, Johan Heinz,

waren in den donker, achter in den tuin, aan 't werk; eindelijk echter

werden wij allen verzocht naar buiten te komen en er werd een vuurwerk

afgestoken en 't had heel mooi kunnen worden; maar--'t was jammer, och,

zoo jammer!--'t was wat te zwak, er moest bij geblazen worden, en dat

was wat te sterk; 't vloog in de lucht, en 't was nog een zegen van

den hemel, dat Frederik juist bij den mesthoop stond, toen die begon

te branden, want anders had het slecht kunnen afloopen. Mijn oom Herse

wilde echter zijne kunststukken doorzetten en had al weder een nieuw

rolletje kruit genomen, doch de baljuw ging naar hem toe en zeide,

dat het nu genoeg was; 't was heel mooi geweest, en hij bedankte hem

zeer. Maar den volgenden dag zond hij den veldwachter door 't geheele

Stavenhager rechtsgebied, en liet bekend maken, dat een iegelijk,

die het zou durven wagen een vuurwerk in 't hertogelijke gebied af

te steken, het zwaar te verantwoorden zou hebben.

Zoo eindigde de dag, en zoo eindigt ook mijn verhaal. De dag was

vroolijk en iedereen was daarmede tevreden,--ik wenschte dat mijn

verhaal ook vroolijk was en dat iedereen ook daarmede tevreden

mocht wezen.

Maar, waar zijn zij gebleven, al de vroolijke en trouwe lieden, die

in dit verhaal voorkomen? Allen dood. Allen dood! Allen slapen zij

den langen slaap. Bakker Witt was de eerste, en de politiedienaar

Luth is de laatste geweest; en wie is overgebleven? Wel, wij

beide jongens, Frits Sahlmann en ik; en Fieken Besserdich.--Fieken

Besserdich is werkelijk met den vlaskoppigen jongen van den ouden

boer Freier getrouwd, en zit nu in goeden doen in Gulzow, op de eerste

boerenhofstede aan de linkerhand. Frits Sahlmann is een flinke kerel

geworden, en wij zijn altijd goede vrienden gebleven en indien hij

't mij kwalijk mocht nemen, dat ik guitenstreken van hem verteld heb,

dan zal ik hem de hand toereiken en zeggen: "Kindlief, wat geschreven

is, is geschreven; dat is niet meer te veranderen; maar, daarom moet

ge toch niet boos blijven, hoor!"

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 24 / 26 题