Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis
bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen
rijden en waarom Fieken hen volgt.
De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het
er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het
opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen
hadden slechts pieken,--alleen de rektor Schäfer had door den smid
Tröpner een hellebaard laten maken,--mijn oom Herse richtte een korps
scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge
landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te
lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien,
dat zóó'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n
tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren
hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen
troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't Is mogelijk,
zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele
kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd
niemand, zelfs Bonaparte niet.
Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van den
Weichsel tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: "de
Franschen komen!"--Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan,
om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is,
dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef
door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp
bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat
ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal
te gelijk den storm had willen stillen.
De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz
zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen;
in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward
huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën
ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak
besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers
wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en
de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de
schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste
stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem,
bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't
geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn
oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan 't exerceeren in
't volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te
gelijk. Zijn hoofdkommando was: "roef! roef!"--dan moesten zij allen
op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen;
toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd
doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow,
de snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk
waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow
kommandeerde: "links zwenken!" kwamen zij ook werkelijk allen de
Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit;
en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij
marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.
Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen
kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen,
en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij
zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen
hij aankwam, werd hij met "Vivat!" door zijne troepen ontvangen; hij
hield daarop eene aanspraak en zeide: "Kinderen! Soldaten zijn wij
niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op
aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen
plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien,
dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de
krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien,
die daarin ervaren is.--Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en
wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan
moet worden.--Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts,
voor 't vaderland!" "Hoera!" riep zijn volk, en voorwaarts ging het,
den vijand te gemoet.
De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp
kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich
aan. "Johan Heinz," zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, "dit
zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed
te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij
brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom
goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd "roef!""
De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude
inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden
pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang
te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen
geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij:
"Kinderen! mij dunkt, 't is voor vandaag genoeg, en als wij nu
omkeeren, komen wij nog met den dag thuis."--De inval was goed;
kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis,
uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die
in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.
Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg:
"Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een
beetje in uw' wagen leggen?" "Zeer gaarne, mijn vriend." En nu kwamen
de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen,
allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te
Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit
als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.
De raadsheer Herse liet nog driemaal "roef, roef!" op de markt
schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen
was verdrietig. "Johan Heinz!" sprak hij tot zijn adjudant: "daar
kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den
windmolen in brand steken?"
Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging 't op
den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en
kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den
zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en
telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: "Gode
zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!" al naar
dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer
moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en
hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan
en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien,
en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij
weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de
vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem
bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk,
met tranen in de oogen, hem vroeg: "Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat
heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?" dan was 't verschillend,
wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan
van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar
moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had
hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei
hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij
moest weten, wat hij te doen had.
't Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle
kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de
bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij
had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist,
en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met
aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest
naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren,
om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen,
maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam
op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde
allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór
paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar
zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: "Zie zoo! van hem
zijn wij af; hij heeft zijn geld."--Zijne vrouw en Fieken zwegen
stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart,
want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in
hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder
en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en
hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem,
dat hij ook bij den baljuw moest komen. "Als 'k wil," antwoordde
Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den
baljuw kwam hem in de gedachte: "dat zal ik niet vergeten, wat ge
gedaan hebt."--"Als gij niet komt," zeide de veldwachter, "dan is dat
voor uwe eigene verantwoording."--"Die heeren denken altijd," hernam
Frederik, lachende, "dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten
plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want
mijn tijd bij den molenaar is om."--"Je zult je wel bedenken!" bromde
de molenaar; "tot Sint-Jan heb ik je gehuurd."
Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen
van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde
Frederik naar bakker Witt heendraaien.--"Halt," riep de molenaar,
"daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan."--"Wel, baas," zeide
Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp,
"rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt." En dit zeggende,
ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet
geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet
hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij
was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor
de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van
den raadsheer aan den overkant.
Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken,
in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de
kachel zat te schreien. "Moeder," sprak zij, "ik kan 't niet helpen,
ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal,
ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of
niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is...."--"Hij heeft
het in zijn onverstand gedaan!" riep de molenaarsvrouw haar toe. "En
daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden,
of zijne vrouw, of iemand anders,--ik weet het ook nog niet,--de goede
God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven." "Ga,
mijn Fieken," sprak hare moeder.
Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij
kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij
vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de
kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood
buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op:
"Dumouriez! Fieken, waar komt gij vandaan?"--De soldaat sprong
ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar
Hendrik?--Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide:
"Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?"--O,
zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: "Hendrik, Hendrik;
jij onder de soldaten?" "Nu," riep Frederik haar toe; "Fieken, gij
houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan
onder de soldaten?" Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij
had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij
de woorden: "Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat
is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?"
"Fieken," zeide Hendrik, "om mijnent wille behoeft hij zich geene
verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde,--'t
was mij 't zelfde waarheen of waartoe;--nu is dat anders, nu weet ik
eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek;
nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kamerraad>kameraad zijn
kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor
't vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar,
als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet
nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij." "Zoo spreekt een
kerel!" riep Frederik uit. "Goed, Hendrik!" zeide Fieken, "je hebt
gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer
zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort
de molen ons nog huisvesting geven zal." "Och, kom Fieken!" zeide
Frederik; "je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend;
hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is
't nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij
heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken." "Wie kan
hem helpen?" zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in
haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet
heeft." "O," hernam Frederik, "Hendrik weet er wat van, hij heeft
er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens
vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw."