TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat het in de wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis

bont toegaat. Waarom de molenaar en Frederik naar Stavenhagen

rijden en waarom Fieken hen volgt.

De Franschen kwamen niet weder in onze streken; doch daarom werd het

er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het

opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen

hadden slechts pieken,--alleen de rektor Schäfer had door den smid

Tröpner een hellebaard laten maken,--mijn oom Herse richtte een korps

scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge

landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te

lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien,

dat zóó'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n

tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren

hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Franschen zou dien geheelen

troep uit elkaâr gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't Is mogelijk,

zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele

kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd

niemand, zelfs Bonaparte niet.

Op één en denzelfden dag klonk door geheel Nederduitschland, van den

Weichsel tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: "de

Franschen komen!"--Men zegt thans, dat zulks opzettelijk werd gedaan,

om te zien, wat Nederduitschland doen zou. Indien het waarheid is,

dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitschland stond de proef

door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp

bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat

ééne Fransche regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal

te gelijk den storm had willen stillen.

De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen; in Nieuw-Strelitz

zouden de Franschen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen;

in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward

huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kompagniën

ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak

besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers

wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en

de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de

schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste

stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem,

bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't

geweer in de korte ribben duwde, en dat kon hij niet verdragen. Mijn

oom Herse was steeds in de paardenkoppels aan 't exerceeren in

't volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te

gelijk. Zijn hoofdkommando was: "roef! roef!"--dan moesten zij allen

op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen;

toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lukow werd

doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow,

de snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk

waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow

kommandeerde: "links zwenken!" kwamen zij ook werkelijk allen de

Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit;

en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij

marcheerden één voor één achter elkaâr, zooals de ganzen in de gerst.

Bij den Uilenberg werd halt gehouden; zij wachtten op hunnen

kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen,

en paardrijden kon hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij

zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen

hij aankwam, werd hij met "Vivat!" door zijne troepen ontvangen; hij

hield daarop eene aanspraak en zeide: "Kinderen! Soldaten zijn wij

niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maar, dat komt er niet op

aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. Wij willen slechts onzen

plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien,

dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de

krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien,

die daarin ervaren is.--Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en

wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan

moet worden.--Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts,

voor 't vaderland!" "Hoera!" riep zijn volk, en voorwaarts ging het,

den vijand te gemoet.

De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurnsdorp en Kittendorp

kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich

aan. "Johan Heinz," zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, "dit

zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed

te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij

brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom

goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd "roef!""

De kavalerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude

inspektor Bräsig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden

pistolen: zij schoten nu en dan, waarschijnlijk om de Franschen bang

te maken, en zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen

geen Franschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij:

"Kinderen! mij dunkt, 't is voor vandaag genoeg, en als wij nu

omkeeren, komen wij nog met den dag thuis."--De inval was goed;

kapitein Grischow kommandeerde in dien geest en alles ging naar huis,

uitgezonderd eene halve kompagnie pieken en twee jachtgeweren, die

in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.

Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw en vroeg:

"Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een

beetje in uw' wagen leggen?" "Zeer gaarne, mijn vriend." En nu kwamen

de schoenmaker Deichert en de kleêrmaker Zutow, en nog velen kwamen,

allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer de baljuw de poort te

Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit

als eene oorlogsmachine of een sikkelwagen uit den tijd der Perzen.

De raadsheer Herse liet nog driemaal "roef, roef!" op de markt

schieten, en iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen

was verdrietig. "Johan Heinz!" sprak hij tot zijn adjudant: "daar

kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den

windmolen in brand steken?"

Ging het in de wereld bont door elkander toe, zoo ging 't op

den Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en

kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den

zolder neêrgelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en

telkens als hij van den molen wegreed, zeide de molenaar: "Gode

zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!" al naar

dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer

moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij hem was geweest en

hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan

en had allemanspraats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien,

en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij

weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de

vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem

bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk,

met tranen in de oogen, hem vroeg: "Vader, wat scheelt u eigenlijk? Wat

heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?" dan was 't verschillend,

wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan

van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar

moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had

hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei

hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren, en dat hij

moest weten, wat hij te doen had.

't Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle

kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de

bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij

had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist,

en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met

aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest

naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren,

om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordeelige dagen,

maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam

op den hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde

allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór

paschen kwam Itzig en haalde het laatste voer koren en de molenaar

zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: "Zie zoo! van hem

zijn wij af; hij heeft zijn geld."--Zijne vrouw en Fieken zwegen

stil, en de molenaar vierde geen recht paaschfeest in zijn hart,

want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in

hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder

en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en

hij vroeg ook naar Frederik, en toen die kwam, zeide hij tot hem,

dat hij ook bij den baljuw moest komen. "Als 'k wil," antwoordde

Frederik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den

baljuw kwam hem in de gedachte: "dat zal ik niet vergeten, wat ge

gedaan hebt."--"Als gij niet komt," zeide de veldwachter, "dan is dat

voor uwe eigene verantwoording."--"Die heeren denken altijd," hernam

Frederik, lachende, "dat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten

plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want

mijn tijd bij den molenaar is om."--"Je zult je wel bedenken!" bromde

de molenaar; "tot Sint-Jan heb ik je gehuurd."

Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Geen

van beiden sprak een woord. Toen zij op de markt kwamen, wilde

Frederik naar bakker Witt heendraaien.--"Halt," riep de molenaar,

"daar wil ik niet heen; ik rijd bij Guhl aan."--"Wel, baas," zeide

Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp,

"rijd er dan zelf naar toe, want ik ga bij Witt." En dit zeggende,

ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet

geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet

hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij

was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor

de deur, stapte af zonder binnen te treden en ging naar het huis van

den raadsheer aan den overkant.

Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof af, toen Fieken,

in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de

kachel zat te schreien. "Moeder," sprak zij, "ik kan 't niet helpen,

ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal,

ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of

niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is...."--"Hij heeft

het in zijn onverstand gedaan!" riep de molenaarsvrouw haar toe. "En

daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden,

of zijne vrouw, of iemand anders,--ik weet het ook nog niet,--de goede

God zal mij immers wel den weg wijzen en de woorden ingeven." "Ga,

mijn Fieken," sprak hare moeder.

Fieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij

kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van Witt; zij

vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de

kamer in; daar zat Frederik en sprak met een soldaat, die een rood

buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Frederik sprong op:

"Dumouriez! Fieken, waar komt gij vandaan?"--De soldaat sprong

ook op. Lieve hemel! Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar

Hendrik?--Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide:

"Fieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?"--O,

zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: "Hendrik, Hendrik;

jij onder de soldaten?" "Nu," riep Frederik haar toe; "Fieken, gij

houdt u goed! Waar hoort eene flinke kerel tegenwoordig anders, dan

onder de soldaten?" Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij

had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij

de woorden: "Ach, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! Wat

is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?"

"Fieken," zeide Hendrik, "om mijnent wille behoeft hij zich geene

verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde,--'t

was mij 't zelfde waarheen of waartoe;--nu is dat anders, nu weet ik

eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek;

nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kamerraad>kameraad zijn

kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor

't vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar,

als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet

nemen; ik moet meê; maar je hart neem ik met mij." "Zoo spreekt een

kerel!" riep Frederik uit. "Goed, Hendrik!" zeide Fieken, "je hebt

gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer

zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort

de molen ons nog huisvesting geven zal." "Och, kom Fieken!" zeide

Frederik; "je vader heeft zich zelf onaangenaamheden berokkend;

hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is

't nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij

heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken." "Wie kan

hem helpen?" zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in

haren schoot zinken. Niemand weet wat hij zich in het hoofd gezet

heeft." "O," hernam Frederik, "Hendrik weet er wat van, hij heeft

er van morgen zoo wat van hooren praten; en laat hij u dat maar eens

vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw."

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 23 / 26 题