NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene

maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en,

waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop

worden.

Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen

uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en

keek mijmerend in zijne laars. "Moeder," vroeg hij eindelijk, "heb ik

gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?" "Och,

kom, vader!" antwoordde zijne vrouw: "ge hebt hem immers gedurig

omhelsd en hem "je lieve zoon" genoemd, en Frederik hebt ge veel

geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou

niet heel lang meer duren." "Moeder, dan heb ik al heel gekke praat

gepraat."--"Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou

je dat niet bekennen." "De hemel zal me bewaren!" riep de molenaar,

"ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!"

Frederik kwam binnen. "Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik

kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak

nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt

beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het

noodig zal hebben."--"Hm!" roept de oude molenaar, op zijn' stoel

heen en weêr schuivende. "Ja," zeide Frederik; "maar ik had nog een

ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken,

ofschoon het buitenstijds is?" "Waarom? Wat ben je van plan?" "Ik wou

gaan trouwen!" "Wat, jij, trouwen?" "Ja, baas; ik wou gaan trouwen met

Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient;

en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide

schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht,

konden wij wel op éénen dag bruiloft houden."--Dit was den ouden

molenaar dan toch al te kras. "Jou, bedelaar..." riep hij opspringende

en greep naar de ééne laars. "Bedaar, baas!" zeide Frederik, zich hoog

oprichtende; "die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor

u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't

met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag;

ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord."--"Vader,"

riep de molenaarsvrouw, "dat zou nog zoo kwaad niet wezen!" "Daar heb

jij geen verstand van!" riep de oude man en liep vreeselijk driftig

door de kamer. "Nu, baas," zeide Frederik, de deur uitgaande, "overleg

de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond

rond, om te overleggen." "Je kunt je getuigschrift krijgen," riep de

molenaar hem achterna, "maar eerst tegen St. Jan."

Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne

lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht,

dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij

zelf had hem gisteren "zijn lieven zoon" genoemd,--maar, dat was 't

juist! Gisterenavond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en

vandaag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig

zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig

uitstel van executie. "Vader," sprak de molenaarsvrouw, "'t is het

beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen." "Moeder,"

hernam de oude man, en 't was een geluk, dat hij nog geene laarzen

aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; "ik zeg je,

dat jij daar geen verstand van hebt!--Wat?--'k Zou den zoon van Jochem

Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' grooten zak geld in

't land rondreist, mijn kind geven,--mijn beste, liefste kind!--en

'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar

niets, want ik ben een bedelaar!--Neen, moeder, neen! 'k Zou de vodden

moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken,

voor 't altaar zou staan!--Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden

doen wezen!"

Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor

iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan

zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met

ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed,

zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter

hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den

molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slechte beheer in vroegere

tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die

keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij

had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn

leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een

weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.

't Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek

iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den

stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele

jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam

aan, doch heden in burgerkleeding. "Goeden dag, Voss!" riep hij hem

toe. "Nu, onze zaak is in orde!"--Maar de oude molenaar was heden niet

lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: "Ja, als 't maar waar was,

mijnheer Herse."--"Als ik het zeg, vriend Voss," hernam de raadsheer en

haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar

in de kamer, "dan moet gij 't gelooven, want ik ben van daag hier als

notarius publicus."--"Moeder," zeide de molenaar, laat ons alleen,

en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan." Dat was nu juist niet

noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien,

dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had

branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne

kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was,

daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch

zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had;

en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen

er bij.

Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de

raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de

jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse,

tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het

papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op

het gelaat, alsof hij zeggen wilde: "Wat zegt ge nu, kameraad?"--De

molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van "hm" en "nu ja!" en "maar"

en krabt zijn hoofd.--"Vrind Voss," zeide mijn oom, die knorrig werd,

"wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,--kijk

maar, hier!--een gierststengel, omdat ik "Herse" heet; 'k had er

ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch

"herse" beteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen,--en hier,

er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier

staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is,

is geschreven." "Dat zegt mijnheer de baljuw ook," zeide de molenaar

en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: "wat geschreven is,

is geschreven." "Wat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik

ben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met

mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen

uit alle verlegenheid." "Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar

wat dan?"--Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. "Hm! Wat

dan?--Ja!--Nu!--Nu, vriend Voss,"--en zijn goedhartig aangezicht

zette zijne geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde

en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den

ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,--"nu, vriend

Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder

raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde

brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden

vertelt en al uwe papieren toont." Dat zag de molenaar dan ook in en

hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom

Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele

papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden;

mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht

gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las

alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. "Vriend

Voss!" vroeg hij eindelijk, "is dat alles?" "Ja, mijnheer," sprak

de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland,

als de nachtvorst er over heengegaan is, "en dit is nog mijn kontrakt

met het Stemhager rechtsgebied."--Mijn oom nam het kontrakt, las het

zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel;

maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: "Wat is dat? Daar zijn

we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een

millionnair! 't Gansche Stemhager gebied moet de rechten op 't gemaal

betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf

vier, en wat zegt paragraaf vijf: "voor elk schepel, dat de molenaar

maalt, kan gij wettelijk een schepel als maalloon eischen."--"Een maat,

mijnheer Herse!" riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong,

"van elk schepel eene maat!"--"Neen! Een schepel!--Hier staat:

voor ieder schepel een schepel als maalloon; en wat geschreven is,

is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel

onder gezet." "Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait:

dat is toch maar eene vergissing." "Vergist is ook verspeeld, en wat

geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf

gezegd. "Dat heeft hij, mijnheer," zeide de molenaar, "ja, dat heeft

hij; daar kan ik op zweren."

Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit

de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en

op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de

rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. "Mijnheer,"

riep hij, "dat zal helpen!--Maar... maar..." "Voss," zeide mijn oom

knorrig, "wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en

duidelijk."--"Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan

met de zakken gaan?" "Met de zakken? Met wat voor zakken?" "Met

de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg

ik, maar wie krijgt de zakken?" "Hm," zeide mijn oom, "dat is eene

moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in

't kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze

dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes;

dat beteekent: hebben is hebben!--Vriend Voss, nu heb ik u uit alles

geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over

die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!--met niemand

hoegenaamd!--Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van

geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan,

Voss...." "En dan, mijnheer Herse?"--"Dan komt het surplus. Maar,

Voss, de zaak blijft geheim!"

De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en

Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man

toeknikte en de vinger op den mond legde.

"Fieken," zeide Hendrik, "mij is 't niet gegeven, om geheimen te

hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe

't alles is." "Doe dat," zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe 't

met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben,

dat hij nog wat moest wachten.

Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden

morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder

bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig

kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame

worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang

te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was;

daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was,

als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden

zou, niet recht en billijk was. "Maar" zeide hij dan weder bij zich

zelven: "de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven;

en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik."

Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te

krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen

Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te

spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een

geruïneerd man was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem

hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde

nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide

schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen

zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn

pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat

wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest

"hei!" roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door

iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo'n jongen knaap,

als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou

ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!--Zulk eene taal

was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was;

ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen

toon, dat de molenaar "ja!" of "neen!" zeggen moest, of hij hem zijne

dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om,

keek uit het venster en zeide: "neen!" Hendrik keerde zich ook om

en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het

rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij

Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel

bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: "Hendrik, het woord, dat ik

je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!" Hij knikte

met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw,

die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op

den wagen en reed zachtjes weg.

Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen,

en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en

vroeg: "Hendrik, waar rijdt gij heen?" "Naar Stemhagen." "Blijft gij

daar van nacht?" "Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal

blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken." "Dat

moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook

nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook

nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen

ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is." Hendrik beloofde,

op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.

Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar

den molen reed en zeide: "Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met

den avond ben ik weêr t'huis, dan praten we een beetje samen."

Wel ja! wel ja! 't Was al lang avond, en de bakker was al lang t'huis;

maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik

was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot

zijne dochter: "Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat

de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen,

want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al

het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang

gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man

heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs

worden! Toen ik hem vroeg: "Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen

halen?" zeide hij: "Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien." En

toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij,

dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik

wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding

mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan,

die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij 't goedvond. "Wel, dat

's toch gek," zeide vrouw Strüwing.

Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken

uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij

daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in

de rede en vroeg: "Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen

doen?" "Waarom niet?" hernam de bakker. "Bij u komen veel menschen,

en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen

verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?" "Waarom

niet?" vroeg Witt. "Maar Hendrik," liet hij er na een poos op volgen,

en 't was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne

gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan

hij het gesprek wilde voortzetten, "maar, Hendrik, dat heeft immers

tijd.--De paarden--de paarden--zijn nu zoo goedkoop; waarom?--Wel,

wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is,

dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt; maar, de

paarden,--ge zult zien,--zij worden duur,--want--ge zult zien:--in den

tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos." "Dat heb

ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden,

baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. "Ja," viel Frederik

hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was;

"ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden

zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui

weinig en als 't voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten

zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam

iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken;

die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al

gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.--Ik zei,

dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag

behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd:

maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest

wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik

eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik

mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik

heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort,

dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn

goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn."

Daarop vertrok hij.--Hendrik ging hem na. "Frederik, wat beteekent

dit?" vroeg hij. "Wat dit beteekent?" hernam Frederik. "Dat zal ik

u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is

hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken

lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op

aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een

uil is, is voor den ander een nachtegaal." "Frederik," gaf Hendrik hem

zacht ten antwoord, "spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden,

en ik ook." "Wat, gij?" "Stil!--Ja, ik ook. Ik heb geene familie en

ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken

en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn

molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en

mijn paard en wagen verkoop ik." "Hoera!" riep Frederik. "Geef mij

de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten

morgen aan, dat er een soldaat in je stak."--"Ja?" zeî Hendrik,

"dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het

volbrengen?" "Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft,

dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de

Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de

rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik

kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk

naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar

een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de

rechterwang,--ge zult hem wel vinden--en meld u en mij bij hem aan:

"Frederik Schult," en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te

zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als

ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik." "Dat zal

gebeuren!" riep Hendrik. "En Frederik, groet jelui Fieken nog van

mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik

haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden." "Dat zal ik waarnemen,

en nu goeden nacht!" "Goeden nacht!"--En toen Hendrik zoo bleef staan

en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek,

bij de apotheek, nog: "Dumouriez! Vervloekte patriotten!"

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 22 / 26 题