Waarom de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene
maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en,
waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop
worden.
Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen
uit het bed was gekropen, zat hij weder met het hoofd in de hand, en
keek mijmerend in zijne laars. "Moeder," vroeg hij eindelijk, "heb ik
gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?" "Och,
kom, vader!" antwoordde zijne vrouw: "ge hebt hem immers gedurig
omhelsd en hem "je lieve zoon" genoemd, en Frederik hebt ge veel
geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou
niet heel lang meer duren." "Moeder, dan heb ik al heel gekke praat
gepraat."--"Dat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou
je dat niet bekennen." "De hemel zal me bewaren!" riep de molenaar,
"ik kom, geloof ik, nooit van mijne dwaasheden af!"
Frederik kwam binnen. "Goeden morgen, baas; goeden morgen, vrouw! Ik
kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak
nagedacht heb; ik wil het geld, dat gij mij gisteren avond hebt
beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het
noodig zal hebben."--"Hm!" roept de oude molenaar, op zijn' stoel
heen en weêr schuivende. "Ja," zeide Frederik; "maar ik had nog een
ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken,
ofschoon het buitenstijds is?" "Waarom? Wat ben je van plan?" "Ik wou
gaan trouwen!" "Wat, jij, trouwen?" "Ja, baas; ik wou gaan trouwen met
Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient;
en als Hendrik Voss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide
schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht,
konden wij wel op éénen dag bruiloft houden."--Dit was den ouden
molenaar dan toch al te kras. "Jou, bedelaar..." riep hij opspringende
en greep naar de ééne laars. "Bedaar, baas!" zeide Frederik, zich hoog
oprichtende; "die uitdrukking past niet op mij, en past niet voor
u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't
met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag;
ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord."--"Vader,"
riep de molenaarsvrouw, "dat zou nog zoo kwaad niet wezen!" "Daar heb
jij geen verstand van!" riep de oude man en liep vreeselijk driftig
door de kamer. "Nu, baas," zeide Frederik, de deur uitgaande, "overleg
de zaak maar eens; mijn schoonvader loopt ook sedert eergisterenavond
rond, om te overleggen." "Je kunt je getuigschrift krijgen," riep de
molenaar hem achterna, "maar eerst tegen St. Jan."
Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne
lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht,
dat Hendrik en zijn Fieken voor elkander wel geschikt waren; hij
zelf had hem gisteren "zijn lieven zoon" genoemd,--maar, dat was 't
juist! Gisterenavond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en
vandaag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig
zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig
uitstel van executie. "Vader," sprak de molenaarsvrouw, "'t is het
beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen." "Moeder,"
hernam de oude man, en 't was een geluk, dat hij nog geene laarzen
aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestamptvoet hebben; "ik zeg je,
dat jij daar geen verstand van hebt!--Wat?--'k Zou den zoon van Jochem
Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' grooten zak geld in
't land rondreist, mijn kind geven,--mijn beste, liefste kind!--en
'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meêgeven kan ik haar
niets, want ik ben een bedelaar!--Neen, moeder, neen! 'k Zou de vodden
moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken,
voor 't altaar zou staan!--Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden
doen wezen!"
Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor
iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan
zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met
ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopen tijden gesmeed,
zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter
hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den
molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slechte beheer in vroegere
tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die
keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij
had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn
leven lang het eind der ketenen door de wereld meêslepen, gelijk een
weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.
't Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek
iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den
stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele
jaren verzuimd had. Endelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam
aan, doch heden in burgerkleeding. "Goeden dag, Voss!" riep hij hem
toe. "Nu, onze zaak is in orde!"--Maar de oude molenaar was heden niet
lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: "Ja, als 't maar waar was,
mijnheer Herse."--"Als ik het zeg, vriend Voss," hernam de raadsheer en
haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar
in de kamer, "dan moet gij 't gelooven, want ik ben van daag hier als
notarius publicus."--"Moeder," zeide de molenaar, laat ons alleen,
en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan." Dat was nu juist niet
noodig, want het was klaarlichte dag; maar de oude man had gezien,
dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had
branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne
kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was,
daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch
zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beter inzicht in de dingen had;
en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen
er bij.
Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de
raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de
jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse,
tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het
papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op
het gelaat, alsof hij zeggen wilde: "Wat zegt ge nu, kameraad?"--De
molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van "hm" en "nu ja!" en "maar"
en krabt zijn hoofd.--"Vrind Voss," zeide mijn oom, die knorrig werd,
"wat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder,--kijk
maar, hier!--een gierststengel, omdat ik "Herse" heet; 'k had er
ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch
"herse" beteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen,--en hier,
er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier
staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is,
is geschreven." "Dat zegt mijnheer de baljuw ook," zeide de molenaar
en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: "wat geschreven is,
is geschreven." "Wat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik
ben er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met
mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen
uit alle verlegenheid." "Ja, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar
wat dan?"--Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. "Hm! Wat
dan?--Ja!--Nu!--Nu, vriend Voss,"--en zijn goedhartig aangezicht
zette zijne geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde
en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den
ouden molenaar en de gansche wereld vriendelijk aan,--"nu, vriend
Voss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder
raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde
brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden
vertelt en al uwe papieren toont." Dat zag de molenaar dan ook in en
hij vertelde en vertelde, zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom
Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele
papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden;
mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht
gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las
alles met geduld, maar niet met voordeel voor zijne plannen. "Vriend
Voss!" vroeg hij eindelijk, "is dat alles?" "Ja, mijnheer," sprak
de molenaar, en liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland,
als de nachtvorst er over heengegaan is, "en dit is nog mijn kontrakt
met het Stemhager rechtsgebied."--Mijn oom nam het kontrakt, las het
zoo ter loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel;
maar, eensklaps sprong hij op, uitroepende: "Wat is dat? Daar zijn
we meê geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een
millionnair! 't Gansche Stemhager gebied moet de rechten op 't gemaal
betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf
vier, en wat zegt paragraaf vijf: "voor elk schepel, dat de molenaar
maalt, kan gij wettelijk een schepel als maalloon eischen."--"Een maat,
mijnheer Herse!" riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong,
"van elk schepel eene maat!"--"Neen! Een schepel!--Hier staat:
voor ieder schepel een schepel als maalloon; en wat geschreven is,
is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel
onder gezet." "Mijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait:
dat is toch maar eene vergissing." "Vergist is ook verspeeld, en wat
geschreven is, is geschreven: dat heeft de oude baljuw u immers zelf
gezegd. "Dat heeft hij, mijnheer," zeide de molenaar, "ja, dat heeft
hij; daar kan ik op zweren."
Thans opende zich voor den molenaar een uitzicht op verlossing uit
de handen der joden, en een uitzicht op vele, vele schepels koren, en
op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de
rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. "Mijnheer,"
riep hij, "dat zal helpen!--Maar... maar..." "Voss," zeide mijn oom
knorrig, "wat hebt ge nu weêr voor bezwaren! Die zaak is klaar en
duidelijk."--"Ja, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan
met de zakken gaan?" "Met de zakken? Met wat voor zakken?" "Met
de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg
ik, maar wie krijgt de zakken?" "Hm," zeide mijn oom, "dat is eene
moeilijke rechtsvraag, Voss! daaraan heb ik nog niet gedacht, en in
't kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze
dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes;
dat beteekent: hebben is hebben!--Vriend Voss, nu heb ik u uit alles
geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over
die zaak met niemand hoegenaamd gesproken; verstaat gij!--met niemand
hoegenaamd!--Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van
geld aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan,
Voss...." "En dan, mijnheer Herse?"--"Dan komt het surplus. Maar,
Voss, de zaak blijft geheim!"
De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en
Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit het rijtuig den ouden man
toeknikte en de vinger op den mond legde.
"Fieken," zeide Hendrik, "mij is 't niet gegeven, om geheimen te
hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hem hoe
't alles is." "Doe dat," zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoe 't
met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben,
dat hij nog wat moest wachten.
Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden
morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder
bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig
kind behoefde niet iedereen zoo maar te nemen; zij kon eene dame
worden, zoo goed als iemand anders. Voor zijn hoofd was de overgang
te schielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was;
daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was,
als het hoorde, en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden
zou, niet recht en billijk was. "Maar" zeide hij dan weder bij zich
zelven: "de baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven;
en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik."
Was hij in rustige, gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te
krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen
Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen, begon hij van het proces te
spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een
geruïneerd man was; velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem
hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde
nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide
schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen
zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn
pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat
wou hij wel gelooven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest
"hei!" roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door
iederen wijsneus beet nemen, en allerminst, door zoo'n jongen knaap,
als Hendrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou
ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen!--Zulk eene taal
was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was;
ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen
toon, dat de molenaar "ja!" of "neen!" zeggen moest, of hij hem zijne
dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om,
keek uit het venster en zeide: "neen!" Hendrik keerde zich ook om
en ging de kamer uit, en een half uur later hield Frederik met het
rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij
Hendrik riep, kwam die met Fieken juist in den tuin. Fieken zag er heel
bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: "Hendrik, het woord, dat ik
je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!" Hij knikte
met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw,
die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op
den wagen en reed zachtjes weg.
Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen,
en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en
vroeg: "Hendrik, waar rijdt gij heen?" "Naar Stemhagen." "Blijft gij
daar van nacht?" "Ja, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal
blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken." "Dat
moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook
nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook
nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen
ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is." Hendrik beloofde,
op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.
Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar
den molen reed en zeide: "Wel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met
den avond ben ik weêr t'huis, dan praten we een beetje samen."
Wel ja! wel ja! 't Was al lang avond, en de bakker was al lang t'huis;
maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik
was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot
zijne dochter: "Je zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat
de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen,
want die heeft de tranen gauw bij de hand; maar, dat Fieken, bij al
het schelden en bij al de dwaasheden van haren vader, stil haren gang
gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man
heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs
worden! Toen ik hem vroeg: "Wel Voss, wanneer kan ik het meel komen
halen?" zeide hij: "Daar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien." En
toen ik zei, dat ik het meel toekomende week hoog noodig had, zeî hij,
dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik
wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding
mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan,
die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij 't goedvond. "Wel, dat
's toch gek," zeide vrouw Strüwing.
Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken
uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij
daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in
de rede en vroeg: "Baas Witt, zoudt gij mij een genoegen willen
doen?" "Waarom niet?" hernam de bakker. "Bij u komen veel menschen,
en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen
verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?" "Waarom
niet?" vroeg Witt. "Maar Hendrik," liet hij er na een poos op volgen,
en 't was hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne
gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaâr knoopte, waaraan
hij het gesprek wilde voortzetten, "maar, Hendrik, dat heeft immers
tijd.--De paarden--de paarden--zijn nu zoo goedkoop; waarom?--Wel,
wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is,
dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt; maar, de
paarden,--ge zult zien,--zij worden duur,--want--ge zult zien:--in den
tijd van een paar weken marcheert alles tegen den Fransoos." "Dat heb
ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden,
baas Witt, maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. "Ja," viel Frederik
hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was;
"ja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden
zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui
weinig en als 't voorbij is en de helft der jongelieden doodgeschoten
zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam
iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruid had geroken;
die zeide tot mij: naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al
gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij.--Ik zei,
dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag
behoef ik mij niet te bedenken. Ik ben van de Pruisen gedeserteerd:
maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest
wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik
eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik
mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas Witt, ik
heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij hoort,
dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn
goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn."
Daarop vertrok hij.--Hendrik ging hem na. "Frederik, wat beteekent
dit?" vroeg hij. "Wat dit beteekent?" hernam Frederik. "Dat zal ik
u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is
hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijn Fieken
lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op
aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een
uil is, is voor den ander een nachtegaal." "Frederik," gaf Hendrik hem
zacht ten antwoord, "spreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden,
en ik ook." "Wat, gij?" "Stil!--Ja, ik ook. Ik heb geene familie en
ik sta alleen in de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken
en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn
molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en
mijn paard en wagen verkoop ik." "Hoera!" riep Frederik. "Geef mij
de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten
morgen aan, dat er een soldaat in je stak."--"Ja?" zeî Hendrik,
"dat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het
volbrengen?" "Broeder! als iemand wat slechts in den zin heeft,
dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de
Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons de
rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik
kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk
naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar
een deftigen man met een grijzen snorbaard en een litteeken op de
rechterwang,--ge zult hem wel vinden--en meld u en mij bij hem aan:
"Frederik Schult," en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te
zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als
ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik." "Dat zal
gebeuren!" riep Hendrik. "En Frederik, groet jelui Fieken nog van
mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik
haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden." "Dat zal ik waarnemen,
en nu goeden nacht!" "Goeden nacht!"--En toen Hendrik zoo bleef staan
en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek,
bij de apotheek, nog: "Dumouriez! Vervloekte patriotten!"