ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad

Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader

Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van

Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.

Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg

twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude

heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook

mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth

op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl

Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.

Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te

spreken. "Zie zoo!" zeide hij: "uit die val zijn wij gelukkig

ontkomen." "Ja wel, raadsheer," antwoordde de oude bakker Witt,

"en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester,

maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. "Al naar

dat men het aanziet, baas Witt," hernam oom. "Ik, voor mijn persoon,

heb niets tegen die drie, en dat de "chasseur" terecht gekomen is,

heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt

gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor

de deur heeft gesproken?" "Ja, mijnheer." "Nu, laat mij u dan zeggen,

indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig

gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze

weggebracht hebben." "Dat mag de drommel weten!" riep de oude bakker,

en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan.--Mijn oom zeide

niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit

naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker

behoorlijk wilde laten werken.--Dit mislukte echter; het hoofd van

den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken

gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand

toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde

op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe

vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers

woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.--"Baas

Witt," hernam de raadsheer, na een poosje, "'k wou dat ik in Stemhagen

was."--Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide

dus: "Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden." "Zoo

meen ik het niet," sprak mijnheer de raadsheer, "ik meen wegens onze

ontvangst." Nu liep de pint bij den bakker weêr over. "Hoe zoo?" vroeg

hij. "Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort." Nu druipt

het uit de maat tappelings op den grond. "Ontvangst?--Eerepoort?--Hoe

zoo?--Komt onze hertog dan?"--"Baas Witt, die komt niet; maar wij

komen."--Doch nu was 't bij den ouden Witt juist alsof iemand hem,

terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft

uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles

door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging

van den raadsheer eene plaats krijgen. "Baas Witt, ik zeg: wij

komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet

even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor

het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een

hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die

denken er niet aan!--Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij

eens zoo'n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook

naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden,

baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van

den toren blazen kan hij; verder niets.--Ja, als ik er was!"--"Maar,

mijnheer Herse," zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens

bedaard werd, "in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen

vandaan halen?"--"Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de

oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe

heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen

zetten?"--"'t Is waar," sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel

en al vol. "Wat zegt gij, molenaar Voss?" vroeg de raadsheer.--"Ik zeg

volstrekt niets, mijnheer de raadsheer," zeide de molenaar, terwijl

hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er

een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; "ik zeg volstrekt

niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik

niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd,

heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd."--"Hoe dat zoo?" vroeg mijn

oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.--"Hm,"

zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af,

zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet,

daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte

naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf

in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar

't was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.

Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht

gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd

open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den

grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske

van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart;

hij moest een goed werk tot stand brengen. "Baas Witt," sprak hij,

"ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier

komen; ik heb wat met hem te praten."

Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid

met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak

zeer zacht met den molenaar. "Molenaar Voss," zeide mijn oom, "ik

help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar

eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een

geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is

't niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor

u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na

en neem de zaak in handen, want, ziet gij"--en, dit zeggende haalde

hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,--"ik ben er toe

gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche

letters verkeerd lezen?"--De oude molenaar antwoordde, dat hij ze

noch recht, noch verkeerd lezen kon.--"Nu, het komt er ook niet op

aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Notarius

publicus, en Im. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad

kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene

voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan

niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden

baljuw. De zaak blijft geheim."--Dat beloofde de molenaar dan ook.

Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op

den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den

achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef

niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag

immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord

voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.

Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann,

die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep:

"Zij komen, zij komen!" Hij had op den molenberg al twee uren op post

gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem

gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.

"Zij komen!" riep de bengel.--"Is 't waar, jongen?" vroeg de oude

Rickert, die klokluider was.--"Ja, vader Rickert, ze zijn al op de

weide."--En de oude Rickert zeide bij zich zelven: "Dan is 't niet

anders, dan moet ik er het mijne aan doen!"--Hij ging naar den toren

en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon,

trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren

uitloopen. "Zij komen!--Zij komen!"--"Wie komt?"--"De raadsheer Herse,

en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!"--"Hoera!" riep

Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had

vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.--"Hoera!" riep

Tröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. "Maar,

kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!" en hij stiet de vrouw

van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist

bij mamsel Westphalen gehaald had.--"Oera!" riep mijnheer Droi,

die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders "in negligé," en

achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden:

"Vive l'empereur!" toen juist de raadsheer, op den eersten wagen,

door den volkshoop kwam aanrijden.

Hij zat echter op zijn' zak, en hield de geheele straat langs,

de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de

rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de

aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: "Voss, dit doet

mij de eerepoort vergeten."--En de oude molenaar keek den raadsheer

aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en

hij antwoordde mijn' oom: "Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan

Itzig."--De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen,

waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze;

en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den

wagen af: "Goeden dag, oude!--Goeden dag, Bank; hoe maakt het je

bochel?--Goeden dag, Johan!--Goeden dag, Strüwing!--Wel?--Alles

wel?--Hoe is 't met de varkens?"

Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine

witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van

oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven

overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. "Tante," zeide

hij, half overluid;--"tante!"--want hij noemt zijne eigene vrouw altijd

"tante," en zij noemt hem daarom "oom,"--"tante, ik kan uwen wenk niet

opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en

niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te

doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.--Bakker

Witt," riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper

in de oogen; "naar 't raadhuis!" De raadsheer had over den huisvader

en oom de zege behaald.

Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in

keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor

den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Marieken Wienk

dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken,

om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet

voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam

hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.--Mamsel Westphalen

stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit

allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van

de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de

baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd

en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide:

"Mamsel Westphalen, zóó is 't goed!" En hij keert zich om en zegt tot

mijne moeder: "Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens

laten: de punch geef ik." Mijn vader was met den kurketrekker aan 't

werk, en Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij

de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd

en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het

zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren

schoot.--Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur,

paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog

zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem

en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk,

of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn' neus snoot. En

Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de

handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij

haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: "Zult ge ook zooveel van mij

houden?"--Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak

met hem in 't geheim.--Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss

in 't geheim te spreken?--De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte

zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was,

zeide hij tot Witt: "Zoo! met het princes heb ik het nu in orde;

nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de

punch soppen." "Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss," zegt de

bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne

hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. "Met uwe

permissie, mijnheer de burgemeester, 'k woû graag mijn deel aan het

traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier,

mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n

grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen."

Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom

Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in

volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn

vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had;

mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten;

mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij 't nooit zou

vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat

zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren;

en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem

in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch,

rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen;

hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: "Ik weet waarlijk niet,

waar mijne goede tante blijft."--Bij de woorden van den molenaar kwam

hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt

zich tot den baljuw en zegt: "Mijnheer de baljuw, ik heb met u een

paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime

aangelegenheid." En daarop trok hij den baljuw in een' hoek.--Wij,

mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die

hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde,

dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn

vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven

aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo

recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want

nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam

binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden

de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en

de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen

was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de

hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders

alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte;

en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had

Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar

oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd,

zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige

zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel

te vroeg met zijn: "hoerah!" in, en de molenaar met zijn: "vivat, de

raadsheer leve!" En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.

Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik

eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in

de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn

oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die

stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als

ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van

bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten

en kreeg er nooit maagpijn van.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 21 / 26 题