Waarom de maat van bakker Witt overloopt, waarom de stad
Stavenhagen de denneboompjes heeft doen planten; waarom vader
Bickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van
Julius Cesar hoor, aan mijn oom Herse denken moet.
Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg
twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude
heeren: de raadsheer, de bakker en de molenaar en, als tot sieraad, ook
mijnheer de kamerdienaar; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth
op den voorsten zak, en op den anderen zak Hendrik en Fieken, terwijl
Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.
Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te
spreken. "Zie zoo!" zeide hij: "uit die val zijn wij gelukkig
ontkomen." "Ja wel, raadsheer," antwoordde de oude bakker Witt,
"en dat hebben we toch aan onzen baljuw en aan onzen burgemeester,
maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken. "Al naar
dat men het aanziet, baas Witt," hernam oom. "Ik, voor mijn persoon,
heb niets tegen die drie, en dat de "chasseur" terecht gekomen is,
heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt
gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor
de deur heeft gesproken?" "Ja, mijnheer." "Nu, laat mij u dan zeggen,
indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig
gehad, dan zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze
weggebracht hebben." "Dat mag de drommel weten!" riep de oude bakker,
en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan.--Mijn oom zeide
niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit
naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker
behoorlijk wilde laten werken.--Dit mislukte echter; het hoofd van
den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken
gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand
toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde
op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe
vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadsheers
woorden er eenvoudig maar langs druppelden; hij zeide niets.--"Baas
Witt," hernam de raadsheer, na een poosje, "'k wou dat ik in Stemhagen
was."--Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide
dus: "Dat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden." "Zoo
meen ik het niet," sprak mijnheer de raadsheer, "ik meen wegens onze
ontvangst." Nu liep de pint bij den bakker weêr over. "Hoe zoo?" vroeg
hij. "Ik meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort." Nu druipt
het uit de maat tappelings op den grond. "Ontvangst?--Eerepoort?--Hoe
zoo?--Komt onze hertog dan?"--"Baas Witt, die komt niet; maar wij
komen."--Doch nu was 't bij den ouden Witt juist alsof iemand hem,
terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft
uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles
door elkaâr draaide. Dit was een geluk, want nu kon de uitlegging
van den raadsheer eene plaats krijgen. "Baas Witt, ik zeg: wij
komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet
even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor
het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een
hertog? Maar, wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die
denken er niet aan!--Of zoudt ge meenen, de oude rector, omdat hij
eens zoo'n ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook
naar! Of de oude Metz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden,
baas Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van
den toren blazen kan hij; verder niets.--Ja, als ik er was!"--"Maar,
mijnheer Herse," zeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens
bedaard werd, "in dit jaargetijde! Waar moeten ze bloemen en groen
vandaan halen?"--"Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de
oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe
heeft de stad Stemhagen dan de denneboompjes in het stadsbosch doen
zetten?"--"'t Is waar," sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel
en al vol. "Wat zegt gij, molenaar Voss?" vroeg de raadsheer.--"Ik zeg
volstrekt niets, mijnheer de raadsheer," zeide de molenaar, terwijl
hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er
een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; "ik zeg volstrekt
niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bramborg heenreed, was ik
niet best te moede; en vandaag, nu ik weêr van Bramborg terugrijd,
heb ik weêr maagpijn in mijn hoofd."--"Hoe dat zoo?" vroeg mijn
oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met Itzig.--"Hm,"
zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af,
zijn aangezicht langs, tot aan de kin; verder kwam de hand niet,
daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte
naar beneden, de mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf
in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar
't was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet heen.
Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar hij had een zacht
gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd
open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den
grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske
van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart;
hij moest een goed werk tot stand brengen. "Baas Witt," sprak hij,
"ga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier
komen; ik heb wat met hem te praten."
Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid
met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak
zeer zacht met den molenaar. "Molenaar Voss," zeide mijn oom, "ik
help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar
eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een
geheim, waar niemand verder meê te maken heeft; maar, wat moois is
't niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor
u blijven, en morgen kom ik buiten bij u, en zie al uwe papieren na
en neem de zaak in handen, want, ziet gij"--en, dit zeggende haalde
hij het cachet van zijn horlogeketting te voorschijn,--"ik ben er toe
gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche
letters verkeerd lezen?"--De oude molenaar antwoordde, dat hij ze
noch recht, noch verkeerd lezen kon.--"Nu, het komt er ook niet op
aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Notarius
publicus, en Im. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad
kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene
voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan
niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden
baljuw. De zaak blijft geheim."--Dat beloofde de molenaar dan ook.
Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht, juist zooals op
den eersten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den
achtersten, waar Fieken en Hendrik op zaten, zeer zacht; en ik behoef
niet te vertellen, wat zij met elkaâr spraken; want, Frederik lag
immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde woord
voor woord; en die zal er wel ter goeder ure meê voor den dag komen.
Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann,
die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep:
"Zij komen, zij komen!" Hij had op den molenberg al twee uren op post
gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem
gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.
"Zij komen!" riep de bengel.--"Is 't waar, jongen?" vroeg de oude
Rickert, die klokluider was.--"Ja, vader Rickert, ze zijn al op de
weide."--En de oude Rickert zeide bij zich zelven: "Dan is 't niet
anders, dan moet ik er het mijne aan doen!"--Hij ging naar den toren
en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon,
trok hij aan de brandklok. Nu kwam alles op de been, en de deuren
uitloopen. "Zij komen!--Zij komen!"--"Wie komt?"--"De raadsheer Herse,
en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!"--"Hoera!" riep
Bank, de schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had
vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had.--"Hoera!" riep
Tröpner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op. "Maar,
kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!" en hij stiet de vrouw
van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist
bij mamsel Westphalen gehaald had.--"Oera!" riep mijnheer Droi,
die met de berenmuts op de straat kwam, maar anders "in negligé," en
achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuwden:
"Vive l'empereur!" toen juist de raadsheer, op den eersten wagen,
door den volkshoop kwam aanrijden.
Hij zat echter op zijn' zak, en hield de geheele straat langs,
de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de
rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de
aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: "Voss, dit doet
mij de eerepoort vergeten."--En de oude molenaar keek den raadsheer
aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en
hij antwoordde mijn' oom: "Ja, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan
Itzig."--De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen,
waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmenschelijke wijze;
en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den
wagen af: "Goeden dag, oude!--Goeden dag, Bank; hoe maakt het je
bochel?--Goeden dag, Johan!--Goeden dag, Strüwing!--Wel?--Alles
wel?--Hoe is 't met de varkens?"
Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine
witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van
oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven
overstroomde en het water hem tot in de oogen spatte. "Tante," zeide
hij, half overluid;--"tante!"--want hij noemt zijne eigene vrouw altijd
"tante," en zij noemt hem daarom "oom,"--"tante, ik kan uwen wenk niet
opvolgen, want deze beide dagen hebben met mij als openbaar persoon en
niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te
doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden.--Bakker
Witt," riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper
in de oogen; "naar 't raadhuis!" De raadsheer had over den huisvader
en oom de zege behaald.
Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis! Alles, wat in
keuken en kelder voor de Franschen verborgen was geworden, werd voor
den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Marieken Wienk
dekte eene lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken,
om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet
voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die nog niet genoegzaam
hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt.--Mamsel Westphalen
stond aan de hoekkast en perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit
allerlei flesschen van alles opgegoten, en de theeketel ging steeds van
de keuken naar de kamer, en uit de kamer naar de keuken, en mijnheer de
baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd
en goot er dan ook wel eens wat bij en ten laatste knikte hij en zeide:
"Mamsel Westphalen, zóó is 't goed!" En hij keert zich om en zegt tot
mijne moeder: "Kindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn zin eens
laten: de punch geef ik." Mijn vader was met den kurketrekker aan 't
werk, en Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij
de kachel en schudde bij al die toebereidselen altijd met het hoofd
en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het
zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren
schoot.--Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur,
paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog
zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem
en verroerde en bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk,
of als hij even naar buiten ging en op de gang zijn' neus snoot. En
Fieken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de
handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij
haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg: "Zult ge ook zooveel van mij
houden?"--Mijnheer de baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak
met hem in 't geheim.--Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Voss
in 't geheim te spreken?--De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte
zich zelven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was,
zeide hij tot Witt: "Zoo! met het princes heb ik het nu in orde;
nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de
punch soppen." "Daar brengt ge mij op een denkbeeld, Voss," zegt de
bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne
hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. "Met uwe
permissie, mijnheer de burgemeester, 'k woû graag mijn deel aan het
traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier,
mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n
grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen."
Maar, wat beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom
Herse te beurt viel. Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in
volle uniform, en allen stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn
vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had;
mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten;
mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide, dat zij 't nooit zou
vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat
zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren;
en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem
in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch,
rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen;
hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: "Ik weet waarlijk niet,
waar mijne goede tante blijft."--Bij de woorden van den molenaar kwam
hem in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt
zich tot den baljuw en zegt: "Mijnheer de baljuw, ik heb met u een
paar woorden onder vier oogen te spreken in eene bijzonder geheime
aangelegenheid." En daarop trok hij den baljuw in een' hoek.--Wij,
mijne lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die
hoek praten kon, en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde,
dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn
vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven
aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo
recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want
nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam
binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden
de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en
de tegenwoordige rijke Jozef Casper, die toen een kleine jodenjongen
was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de
hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders
alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte;
en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had
Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem meê. Tante ging naar
oom toe, en gaf hem een kus en plaatste hem den krans op het hoofd,
zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige
zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker Witt viel
te vroeg met zijn: "hoerah!" in, en de molenaar met zijn: "vivat, de
raadsheer leve!" En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.
Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik
eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in
de gedachte, want juist zóó stond de lauwerkrans, behalve dat mijn
oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die
stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als
ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van
bakker Witt, en ik prijs ze ook nu nog; men kon er zeer veel van eten
en kreeg er nooit maagpijn van.