ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer

Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben, en waarom

de overste met den raadsheer geheimen heeft.

Voor het raadhuis te Stavenhagen hield de wagen stil, en met één

sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen,

dat zij nog eene poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen

roepen zou.--Toen hij op de gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk,

met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons

dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan

schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van Hannes herkende;

hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: "Hou je

stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!"--Marieken

was vrij droomerig, maar niets helpt de domheid beter voort dan dat

zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat

helderder.--"Is mijnheer de baljuw nog hier?" vroeg mijn vader.--"Ja,

mijnheer."--"Zet dan dat licht neêr en ga naar binnen, in de kamer,

en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan den baljuw dat er

iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hem dan bij mij."

Nu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: "Goeden

avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer

van den burgemeester?"--"Mijnheer de baljuw, hoe maken het mijne

vrouw en mijne kinderen?"--"Wel jongske, wat weet ik van jou vrouw en

kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?"--"Wel, heere, bewaar

me!" roept mijn vader uit, "kent gij mij dan niet? Ik ben immers

de burgemeester!"--"O, zoo, dan is 't eene andere zaak!" roept de

oude heer. "Dat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul

Stavenhageniënsis in een kort buisje!--Maar, wat zegt Horatius? Nil

mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief."--"Mijnheer de

baljuw, mijne vrouw!"--"Zij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief,

en zal zich zeer verheugen."--"Maar....?"--"Neen, 't zal haar geen

kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!"

Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer

de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn

muziekanten tegelijk, dicht bij ons, achter de struiken, zoo luid

mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd,

en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de

blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd

nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst

bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt.

De blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig,

maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn

vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in

de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam,

toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in

't boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest.--De

herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in

veel lateren tijd; wanneer mijn vader, onder werk en zorgen, eens

recht vroolijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: "Vader heeft

van daag 't korte buisje aan!"

Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de oude heer: "En de

Franschman hebt gij dus ook medegebracht, jongenlief!"--"Ik niet,"

zeide mijn vader; "Frederik van den molenaar heeft wel het meest

daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen."--"Zoo? Die

Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen

kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen."

Frederik kwam en de schout ook. "Zeg eens, mijn zoon, zijt gij het,

die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?" Frederik dacht bij

zich zelven: Wat? Dit schijnt wel weêr een gerechtsdag te worden,

en daar hij die vraag met "ja" beantwoorden moest, zette hij

zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. "Ja,

mijnheer," zeide hij.--"Weet ge dan ook wel, dat gij den molenaar

in groote verlegenheid gebracht hebt?"--"Verlegenheid? Hij is aan

verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad

doen."--"Zijt gij het, die den mantelzak van het paard van den

Franschman hebt genomen?"--"Ja, mijnheer."--"Hebt ge u daarbij

niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van

den Franschman vergrepen?"--"Ik heb mijn' eigen achtgroschen maar

weêrom genomen," zeide Frederik en vertelde het geval.--"Gij hebt die

tegen wet en recht genomen: en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat

doet?"--Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen

woord. "Schout Besserdich, hoe wordt zoo'n mensch genoemd?"--"Met uw

permissie, mijnheer de baljuw, een gauwdief," zei de oude schout. "En

dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van den ouden Vink eene

worst uit het rookhok gestolen, en zoo'n kerel wil met mijn Fieken

trouwen?"--"Wat wil hij?"--"Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient,

mijnheer, daar wil hij meê trouwen, mijnheer."--"Zóó, zóó?" zeide de

baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, "dat is dan eene

andere zaak!--Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan

denken, wat gij gisteren en heden gedaan hebt."

Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den

baljuw. "Waar wil hij aan denken?" vroeg hij zich zelven af, toen

hij op de gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den

ouden heer beteekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd

hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het

kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na,

en hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg,

dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide

hij: "Netje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch

aan denken."

Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en

lachte van ganscher harte. "Netje," zeide hij, "de worst van Frits

Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weêrom, die moet de Vink

in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken

van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een

eerlijk man van hem maken."--"Ja," riep mijn vader, terwijl hij

een achtgroschenstuk op de tafel legde, "en hier is het geld, dat

hij den Franschman ontnomen heeft."--"Wel nu, schout, zeg, wanneer

wordt nu de bruiloft gehouden?" vroeg lachende de oude heer.--De

oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van

achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat

om hem heen gebeurde. "Mijnheer de baljuw," zeide hij ten laatste,

"die kerel is toch maar een bedelaar." "Schout," hernam de oude heer;

"die zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied

boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge hertogelijke

kamer daarover denkt."--"Ja, maar hij is toch ook een gauwdief,

mijnheer."--"Schout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen

de kerel van morgen die acht groschen uit het valies genomen heeft,

had hij toen het geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van

geweten hebben? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede

over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar

gekraaid hebben? Derhalve."--"Ja, mijnheer, maar toch die acht groschen

en die worst?"--"Het eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn

recht aangezien, en het andere voor een grap." "Ja, mijnheer," zegt

de schout, zijn hoofd krabbende, "al is dat alles ook zoo, mijn Fiek

is toch te jong voor dien ouden knaap."--"Met uw verlof, mijnheer de

baljuw," viel mamsel Westphalen hierop in, "dat ik in gerechtszaken en

boerenaangelegenheden meêspreek.--Schout Besserdich! dat 's een flauwe

bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is,

dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd

goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem het mij niet kwalijk,

hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken en

gisterenavond,--ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen,

want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een

mensch af te gaan,--maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den

Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en

voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zeî ik toch in mij zelve:

dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen

voor malkaâr, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden;

en, mijnheer de baljuw, zij kan zich een kerel van 't lijf houden,

want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik."

De oude schout keek mamsel Westphalen aan en dan weêr mijnheer

den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij

gemaakt had, waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet,

totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd

inviel; hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: "Ja, mijnheer

de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt."--"Best, mijn

lieve schout! Maar in de allereerste plaats moest gij hooren wat uw

Fieken ervan zegt. Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantoonen,

dat deze Frederik geen gauwdief is."

Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op Sint Nimmermeer

uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds

weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich

de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn rit

naar Kittendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de landraad

vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meêgegeven,

ter zake van het zilverwerk.

Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef

nu nog een brief aan den Franschen overste; mijn vader gaf Luth

nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik

en Luth namen den "chasseur" tusschen zich in, op den wagen; de

kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het

voort, in den donkeren nacht en door den zwaren weg, naar Brandenburg.

"Ja," zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar

Gulzow terugging, "jelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n

burgemeester, en mamsel Westphalen op het slot, dat zijn voorname lui,

die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen

gekommandeerd. Ja, als moeder er niet was! En als die kerel geen

gauwdief was, en hij was een jaar of tien jonger, en hij had een

boerenplaats, en mijn Fieken woû hem hebben, ja, dan--dan--kreeg hij

haar toch niet, want moeder zou 't niet toestaan."

Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen

van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen

er tusschen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is

van den Franschen "chasseur;" ik zeg er niets van, hoe hij te moede

was, toen hij in Brandenburg kwam, en toen hij voor den krijgsraad

stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam,

toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien

ik het ook wilde, zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf

maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van

mijn leven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar

nieuwsgierig te gaan bekijken op zijn' laatsten gang en toe te zien,

hoe de eene zondaar den ander door een menschelijk oordeel, voorbarig

voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt.--Maar, dat was nu

eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam

op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels,

ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren,

dan in het zijne,--ik meen in het hart zijner oude moeder.

Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden

Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord

zouden gepleegd hebben, vrij kwamen; en dat door zijne bekentenis

en door de getuigenis van den inspektor Bräsig en den kamerdienaar,

de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von

Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed,

op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal

zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth:

"Mijn goede vriend, gij schijnt mij toe, een verstandig man te wezen;

neem dezen verzegelden mantelzak en geef dien aan den baljuw, den heer

Weber, opdat hij daarmede handele, zoo als 't hier te lande als recht

geacht wordt." Luth ontving een geschrift daarbij, en aldus was die

zaak afgedaan.

Maar nu ontstond er eene zwarigheid, waaraan niemand gedacht had;

wat moest er van mijn oom Herse worden? Toen de molenaar en de bakker

en al de anderen de gerechtszaal uit, en van hem weggegaan waren,

stond daar mijn oom Herse nog, als een statige, eenzame eikeboom

in eene houtvelling, dien de houtvester alleen om zijne statigheid

verschoond had.--De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem:

"Waarom staat gij hier nog?"--Oom Herse bewoog zijne takken en aan

zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top de stormwind

begon te ruischen. "Dat wilde ik u vragen," was zijn antwoord. Zoo in

dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't

wel gelaten hebben, te beslissen wie de overste en wie de raadsheer

was. Zij hadden beiden een deftigen uniform aan; en beiden hadden

een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te

bevelen;--was de overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een

halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman onder zijn

neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gansche gezicht, want hij

had zich in een paar dagen niet kunnen scheren; de oude dokter Metz

had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren

en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den

Franschman.

"Wie zijt gij?" vroeg de Franschman.--"Ik ben een raadsheer, een

Stavenhager raadsheer," zeide mijn oom. Dat scheen den Franschman nu

toch eenigszins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk

voor mijn oom staan, zeggende: "Ik zie er geen voordeel voor keizer

Napoleon in, om nog langer met u in het land rond te trekken. Gij kunt

henengaan."--Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. "Mijnheer,"

riep hij uit, "deze behandeling..."--"Het doet mij oprecht leed," viel

de overste hem in de rede, "dat men u in 't geheel geïncommodeerd

heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn."--Dat

was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zich den geheelen

weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een

uitverkoren slachtoffer was van den korsikaanschen draak, en nu zou

dat alles eene eenvoudige vergissing wezen? Hij had in zijne onschuld

ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor

het front van een geheel Fransch regiment, gerekend, en thans schopte

hem,--met permissie gesproken,--de Fransche overste met den voet voor

het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken.--"Een man,

gelijk ik ben," riep hij uit, "uit vergissing medegenomen!" "Gij moogt

nog van geluk spreken," zeide de overste en klopte hem, vriendelijk

lachende, op den schouder; "in den oorlog komt menigmaal wat ergers

voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als

eene beproeving van den hemel aan."--"Als dit eene beproeving wezen

moet," zegt mijn oom, "dan is 't wel een zeer domme."--De overste

lacht en neemt mijn oom onder den arm.--"Kom, mijnheer de raadsheer"

zegt hij, "ik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopen

is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne

nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen

spreken." In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan

mijn oom Herse geen weêrstand kon bieden; hij volgde dus den overste.

"Mijnheer Herse," sprak de overste, toen zij buiten, op de markt, voor

het logement "In den gouden knoop," stonden, waar het hoofdkwartier

was;--"mijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te

zeggen, dat ik hem nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan

zijn verzoek heb kunnen voldoen, moge hij ook trachten het mijne

te vervullen; mijn verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan

geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen,

dat mij gisteren onderweg den brief van hem heeft gebracht. En,

mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet

worden, want anders kon de baljuw daardoor in verdenking komen."--Nu

was mijn oom Herse weder recht in zijn element. "Gij meent immers

Fieken?" vroeg hij schielijk. "Fieken, de dochter van den molenaar

Voss, die daar staat?" En hij wees op Fieken, die, een weinig ter

zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had

en van blijdschap schreide.--"Ja, die meen ik," antwoordde de overste,

naar het paar toegaande.

Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon

zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar,

alsof ze nog meer moest schreien, en toen hij haar de hand gaf, maakte

zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo

lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard, zoolang

was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg

gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere

ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil,

haar hart bloeide als eene schoone roos opwaarts naar het licht, de

frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien

naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder.

De oude molenaar stond ook zwijgend voor den overste; toen die

hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was, kon hij geene

woorden genoeg vinden. "Ja, mijnheer," zeide hij: "en hoewel het

waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter,

en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan

Fieken zien kunt,"--en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne

oogen,--"zoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen,

dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken,

als mijn kleine Fieken is." De overste dacht er misschien ook wel zoo

over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken

toe en vroeg haar: "Zeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven?"--"Ja,

mijnheer," zeide Fieken, nijgende. "Zij kan alles," zeide de molenaar;

"zij kan geschreven schrift lezen en zij kan schrijven als een

schoolmeester; want zij moet voor al mijn schrijfwerk zorgen." "Welnu,

lief kind," sprak de overste, "schrijf mij dan hier je naam eens in,

en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch."

En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: "Fieken Voss,

op den Gielowschen molen, onder Stemhagen."--De overste las het,

maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging

weg, met de woorden: "Vaartwel; wij zullen elkaâr misschien nog wel

eens ontmoeten!"

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 20 / 26 题