Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer
Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben, en waarom
de overste met den raadsheer geheimen heeft.
Voor het raadhuis te Stavenhagen hield de wagen stil, en met één
sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen,
dat zij nog eene poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen
roepen zou.--Toen hij op de gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk,
met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons
dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan
schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van Hannes herkende;
hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: "Hou je
stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!"--Marieken
was vrij droomerig, maar niets helpt de domheid beter voort dan dat
zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat
helderder.--"Is mijnheer de baljuw nog hier?" vroeg mijn vader.--"Ja,
mijnheer."--"Zet dan dat licht neêr en ga naar binnen, in de kamer,
en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan den baljuw dat er
iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hem dan bij mij."
Nu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: "Goeden
avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer
van den burgemeester?"--"Mijnheer de baljuw, hoe maken het mijne
vrouw en mijne kinderen?"--"Wel jongske, wat weet ik van jou vrouw en
kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?"--"Wel, heere, bewaar
me!" roept mijn vader uit, "kent gij mij dan niet? Ik ben immers
de burgemeester!"--"O, zoo, dan is 't eene andere zaak!" roept de
oude heer. "Dat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul
Stavenhageniënsis in een kort buisje!--Maar, wat zegt Horatius? Nil
mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief."--"Mijnheer de
baljuw, mijne vrouw!"--"Zij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief,
en zal zich zeer verheugen."--"Maar....?"--"Neen, 't zal haar geen
kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!"
Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer
de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn
muziekanten tegelijk, dicht bij ons, achter de struiken, zoo luid
mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd,
en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de
blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd
nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst
bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt.
De blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig,
maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn
vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in
de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam,
toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in
't boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest.--De
herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in
veel lateren tijd; wanneer mijn vader, onder werk en zorgen, eens
recht vroolijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: "Vader heeft
van daag 't korte buisje aan!"
Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de oude heer: "En de
Franschman hebt gij dus ook medegebracht, jongenlief!"--"Ik niet,"
zeide mijn vader; "Frederik van den molenaar heeft wel het meest
daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen."--"Zoo? Die
Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen
kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen."
Frederik kwam en de schout ook. "Zeg eens, mijn zoon, zijt gij het,
die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?" Frederik dacht bij
zich zelven: Wat? Dit schijnt wel weêr een gerechtsdag te worden,
en daar hij die vraag met "ja" beantwoorden moest, zette hij
zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. "Ja,
mijnheer," zeide hij.--"Weet ge dan ook wel, dat gij den molenaar
in groote verlegenheid gebracht hebt?"--"Verlegenheid? Hij is aan
verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad
doen."--"Zijt gij het, die den mantelzak van het paard van den
Franschman hebt genomen?"--"Ja, mijnheer."--"Hebt ge u daarbij
niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van
den Franschman vergrepen?"--"Ik heb mijn' eigen achtgroschen maar
weêrom genomen," zeide Frederik en vertelde het geval.--"Gij hebt die
tegen wet en recht genomen: en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat
doet?"--Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen
woord. "Schout Besserdich, hoe wordt zoo'n mensch genoemd?"--"Met uw
permissie, mijnheer de baljuw, een gauwdief," zei de oude schout. "En
dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van den ouden Vink eene
worst uit het rookhok gestolen, en zoo'n kerel wil met mijn Fieken
trouwen?"--"Wat wil hij?"--"Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient,
mijnheer, daar wil hij meê trouwen, mijnheer."--"Zóó, zóó?" zeide de
baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, "dat is dan eene
andere zaak!--Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan
denken, wat gij gisteren en heden gedaan hebt."
Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den
baljuw. "Waar wil hij aan denken?" vroeg hij zich zelven af, toen
hij op de gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den
ouden heer beteekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd
hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het
kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na,
en hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg,
dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide
hij: "Netje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch
aan denken."
Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en
lachte van ganscher harte. "Netje," zeide hij, "de worst van Frits
Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weêrom, die moet de Vink
in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken
van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een
eerlijk man van hem maken."--"Ja," riep mijn vader, terwijl hij
een achtgroschenstuk op de tafel legde, "en hier is het geld, dat
hij den Franschman ontnomen heeft."--"Wel nu, schout, zeg, wanneer
wordt nu de bruiloft gehouden?" vroeg lachende de oude heer.--De
oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van
achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat
om hem heen gebeurde. "Mijnheer de baljuw," zeide hij ten laatste,
"die kerel is toch maar een bedelaar." "Schout," hernam de oude heer;
"die zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied
boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge hertogelijke
kamer daarover denkt."--"Ja, maar hij is toch ook een gauwdief,
mijnheer."--"Schout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen
de kerel van morgen die acht groschen uit het valies genomen heeft,
had hij toen het geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van
geweten hebben? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede
over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar
gekraaid hebben? Derhalve."--"Ja, mijnheer, maar toch die acht groschen
en die worst?"--"Het eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn
recht aangezien, en het andere voor een grap." "Ja, mijnheer," zegt
de schout, zijn hoofd krabbende, "al is dat alles ook zoo, mijn Fiek
is toch te jong voor dien ouden knaap."--"Met uw verlof, mijnheer de
baljuw," viel mamsel Westphalen hierop in, "dat ik in gerechtszaken en
boerenaangelegenheden meêspreek.--Schout Besserdich! dat 's een flauwe
bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is,
dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd
goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem het mij niet kwalijk,
hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken en
gisterenavond,--ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen,
want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een
mensch af te gaan,--maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den
Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en
voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zeî ik toch in mij zelve:
dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen
voor malkaâr, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden;
en, mijnheer de baljuw, zij kan zich een kerel van 't lijf houden,
want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik."
De oude schout keek mamsel Westphalen aan en dan weêr mijnheer
den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij
gemaakt had, waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet,
totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd
inviel; hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: "Ja, mijnheer
de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt."--"Best, mijn
lieve schout! Maar in de allereerste plaats moest gij hooren wat uw
Fieken ervan zegt. Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantoonen,
dat deze Frederik geen gauwdief is."
Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op Sint Nimmermeer
uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds
weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich
de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn rit
naar Kittendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de landraad
vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meêgegeven,
ter zake van het zilverwerk.
Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef
nu nog een brief aan den Franschen overste; mijn vader gaf Luth
nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik
en Luth namen den "chasseur" tusschen zich in, op den wagen; de
kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het
voort, in den donkeren nacht en door den zwaren weg, naar Brandenburg.
"Ja," zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar
Gulzow terugging, "jelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n
burgemeester, en mamsel Westphalen op het slot, dat zijn voorname lui,
die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen
gekommandeerd. Ja, als moeder er niet was! En als die kerel geen
gauwdief was, en hij was een jaar of tien jonger, en hij had een
boerenplaats, en mijn Fieken woû hem hebben, ja, dan--dan--kreeg hij
haar toch niet, want moeder zou 't niet toestaan."
Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen
van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen
er tusschen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is
van den Franschen "chasseur;" ik zeg er niets van, hoe hij te moede
was, toen hij in Brandenburg kwam, en toen hij voor den krijgsraad
stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam,
toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien
ik het ook wilde, zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf
maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van
mijn leven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar
nieuwsgierig te gaan bekijken op zijn' laatsten gang en toe te zien,
hoe de eene zondaar den ander door een menschelijk oordeel, voorbarig
voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt.--Maar, dat was nu
eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam
op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels,
ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren,
dan in het zijne,--ik meen in het hart zijner oude moeder.
Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden
Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord
zouden gepleegd hebben, vrij kwamen; en dat door zijne bekentenis
en door de getuigenis van den inspektor Bräsig en den kamerdienaar,
de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von
Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed,
op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal
zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth:
"Mijn goede vriend, gij schijnt mij toe, een verstandig man te wezen;
neem dezen verzegelden mantelzak en geef dien aan den baljuw, den heer
Weber, opdat hij daarmede handele, zoo als 't hier te lande als recht
geacht wordt." Luth ontving een geschrift daarbij, en aldus was die
zaak afgedaan.
Maar nu ontstond er eene zwarigheid, waaraan niemand gedacht had;
wat moest er van mijn oom Herse worden? Toen de molenaar en de bakker
en al de anderen de gerechtszaal uit, en van hem weggegaan waren,
stond daar mijn oom Herse nog, als een statige, eenzame eikeboom
in eene houtvelling, dien de houtvester alleen om zijne statigheid
verschoond had.--De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem:
"Waarom staat gij hier nog?"--Oom Herse bewoog zijne takken en aan
zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top de stormwind
begon te ruischen. "Dat wilde ik u vragen," was zijn antwoord. Zoo in
dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't
wel gelaten hebben, te beslissen wie de overste en wie de raadsheer
was. Zij hadden beiden een deftigen uniform aan; en beiden hadden
een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te
bevelen;--was de overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een
halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman onder zijn
neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gansche gezicht, want hij
had zich in een paar dagen niet kunnen scheren; de oude dokter Metz
had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren
en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den
Franschman.
"Wie zijt gij?" vroeg de Franschman.--"Ik ben een raadsheer, een
Stavenhager raadsheer," zeide mijn oom. Dat scheen den Franschman nu
toch eenigszins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk
voor mijn oom staan, zeggende: "Ik zie er geen voordeel voor keizer
Napoleon in, om nog langer met u in het land rond te trekken. Gij kunt
henengaan."--Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. "Mijnheer,"
riep hij uit, "deze behandeling..."--"Het doet mij oprecht leed," viel
de overste hem in de rede, "dat men u in 't geheel geïncommodeerd
heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn."--Dat
was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zich den geheelen
weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een
uitverkoren slachtoffer was van den korsikaanschen draak, en nu zou
dat alles eene eenvoudige vergissing wezen? Hij had in zijne onschuld
ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor
het front van een geheel Fransch regiment, gerekend, en thans schopte
hem,--met permissie gesproken,--de Fransche overste met den voet voor
het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken.--"Een man,
gelijk ik ben," riep hij uit, "uit vergissing medegenomen!" "Gij moogt
nog van geluk spreken," zeide de overste en klopte hem, vriendelijk
lachende, op den schouder; "in den oorlog komt menigmaal wat ergers
voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als
eene beproeving van den hemel aan."--"Als dit eene beproeving wezen
moet," zegt mijn oom, "dan is 't wel een zeer domme."--De overste
lacht en neemt mijn oom onder den arm.--"Kom, mijnheer de raadsheer"
zegt hij, "ik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopen
is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne
nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen
spreken." In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan
mijn oom Herse geen weêrstand kon bieden; hij volgde dus den overste.
"Mijnheer Herse," sprak de overste, toen zij buiten, op de markt, voor
het logement "In den gouden knoop," stonden, waar het hoofdkwartier
was;--"mijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te
zeggen, dat ik hem nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan
zijn verzoek heb kunnen voldoen, moge hij ook trachten het mijne
te vervullen; mijn verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan
geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen,
dat mij gisteren onderweg den brief van hem heeft gebracht. En,
mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet
worden, want anders kon de baljuw daardoor in verdenking komen."--Nu
was mijn oom Herse weder recht in zijn element. "Gij meent immers
Fieken?" vroeg hij schielijk. "Fieken, de dochter van den molenaar
Voss, die daar staat?" En hij wees op Fieken, die, een weinig ter
zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had
en van blijdschap schreide.--"Ja, die meen ik," antwoordde de overste,
naar het paar toegaande.
Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon
zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar,
alsof ze nog meer moest schreien, en toen hij haar de hand gaf, maakte
zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo
lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard, zoolang
was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg
gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere
ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil,
haar hart bloeide als eene schoone roos opwaarts naar het licht, de
frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien
naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder.
De oude molenaar stond ook zwijgend voor den overste; toen die
hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was, kon hij geene
woorden genoeg vinden. "Ja, mijnheer," zeide hij: "en hoewel het
waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter,
en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan
Fieken zien kunt,"--en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne
oogen,--"zoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen,
dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken,
als mijn kleine Fieken is." De overste dacht er misschien ook wel zoo
over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken
toe en vroeg haar: "Zeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven?"--"Ja,
mijnheer," zeide Fieken, nijgende. "Zij kan alles," zeide de molenaar;
"zij kan geschreven schrift lezen en zij kan schrijven als een
schoolmeester; want zij moet voor al mijn schrijfwerk zorgen." "Welnu,
lief kind," sprak de overste, "schrijf mij dan hier je naam eens in,
en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch."
En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: "Fieken Voss,
op den Gielowschen molen, onder Stemhagen."--De overste las het,
maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging
weg, met de woorden: "Vaartwel; wij zullen elkaâr misschien nog wel
eens ontmoeten!"