ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom ik Frederik van den molenaar en geene prinses door

het Gulzowsche bosch zend; waarom Frederik tot den schout

Besserdich "schoonvader" zegt; waarom hij den hond uit den

oven lokt en waarom de politiedienaar Luth om zijn' eigen

burgemeester lacht.

Indien eene der jonge dames, die dit boek lezen, zich wellicht ergert,

omdat dit hoofdstuk met een' molenaarsknecht begint en niet met eene

prinses, zoo gelieve zij te bedenken, dat er in 't geheel geene

prinsessen voorhanden konden zijn, zoo er geen molenaarsknechts

waren, en dat op sommige plaatsen een molenaarsknecht meer waard is

dan eene prinses, bij voorbeeld op dit oogenblik voor mij. Want, als

ik den Franschen "chasseur" weêr wil vangen, kan ik hem toch geene

prinses met eene crinoline en satijnen schoentjes bij dezen weg en

door dit weder door het Gulzowsche bosch nazenden;--daartoe is een

molenaarsknecht beter geschikt, en bovenal Frederik van den ouden Voss.

"Dumouriez!" zeide Frederik, terwijl hij het voetspoor van den

Franschman volgde; "als de Fransoos tusschen hier en Greifswald zich

ophoudt, voor den dag komen zal hij!"

Frederik gaat dus den Franschen jager door het Stavenhager bosch

en door het Gulzowsche bosch na en komt zóó op den Gulzowschen weg;

maar daar was 't uit; 't was misgeschoten: er was daar geen spoor meer

te vinden. Was de kerel links of rechts gegaan? Een tijd lang stond

hij daar, alsof hij zijn zondagsoortje versnoept had, doch weldra

werden zijne denkbeelden weder helder, en hij zeide bij zichzelven:

"Zoo die kerel naar Stemhagen gegaan was, moest ik hem dat toch voor

puur onverstand toerekenen. Neen, de rakker is naar Gulzow gegaan." En

hij ging hem na.

In Gulzow stond de boer Freier bij zijne heg en wierp steenen, zoo

groot als de bol van een hoed, in een gat op den weg,--iets, wat ze op

enkele plaatsen in Mekklenburg noemen: den weg verbeteren. "Goeden

morgen, Freier! Hebt ge hier van morgen ook een Fransoos zien

loopen?" vraagt Frederik.--"Een Fransoos?" vraagt Freier.--"Ja,"

zegt Frederik, "een Fransche chasseur."--"Een chasseur?" vraagt

Freier.--"Ja, in eene groene monteering," zegt Frederik.--"Te

paard?" vraagt Freier.--"Neen, te voet," zegt Frederik.--"Wat moet

die?" vraagt Freier. "Wat hij moet?" vraagt Frederik. "Niks moet hij;

ik wil maar eens met hem praten."--"Wat heb jij met een Fransoos te

praten?"--"Dumouriez!" zegt Frederik. "Wat heb jij, domkop, daarnaar te

vragen? Ik vraag immers maar of je den kerel gezien hebt?"--"In eene

groene monteering?" vraagt Freier.--"Ja," zegt Frederik.--"Met eene

schako?" vraagt Freier.--"Neen, blootshoofds."--"Blootshoofds? En dan

van morgen in zoo'n regen?"--"Ja, dat hoor je immers!" roept Frederik

knorrig uit. "Antwoord dan toch, of je dien kerel gezien hebt?"--"Wacht

eens! Hebben we van daag geen donderdag?"--"Ja," zegt Frederik.--"Neen,

van daag niet, maar Maandag," zegt Freier, "toen zijn er hier een

stuk of wat geweest, maar met blauwe monteering, en dan te paard;

en van daag is mijn Samuel met voorspan naar Stemhagen." "Freier,"

zegt Frederik, "dat voorspan had je niet naar Stemhagen moeten

sturen, dat kan je zelf beter gebruiken, vooral als je de menschen

antwoord moet geven."--"Hoe zóó?" vraagt Freier.--"En dan, Freier,"

zegt Frederik, "dan weet ik nog een mooi baantje voor je; je zoudt

kreeften naar Berlijn kunnen drijven; zoo'n kerel als jij, die komt

daarmeê vooruit." "Hoe meen je dat?" vraagt Freier verwonderd.--"Och,

dat zeg ik zóó maar," zegt Frederik.--"Nu, goeden morgen, Freier.--En

als de Fransoos komt, dien ik zoek, zeg hem dan dat ik gezegd heb,

dat jij gezegd hebt, dat jou grootmoeder je verteld had: als hij zei,

wat hij zei, moest gij hem zeggen, had ik gezegd, dat hij tegen jou

niet moest zeggen schaapskop.--En nu adjuus, Freier."--"Wat?" zegt

Freier en kijkt hem na, terwijl hij het dorp doorgaat, en hij draait

een steen van een pond of dertig in zijn' handen rond: "Wat? hij

had gezegd, ik had gezegd?--Wat?--jij hadt gezegd, moest ik zeggen,

hij moest tegen mij geen schaapskop zeggen? Wat?" En hij neemt den

steen en gooit hem met alle geweld tusschen de anderen. "Entfaamte

pruisische gauwdief! Zoo doet hij altijd."

Frederik gaat verder. De oude schout Besserdich kijkt over de

onderdeur. "Schout, hebt gij hier van morgen geen Fransoos zien

loopen?--"Een Fransoos?" vraagt de schout. "Wel, dat volk is hier

tegenwoordig juist zoo vreemd niet; maar, van morgen, zeg je?"--Nu,

begint gij nu ook al te vragen?" zegt Frederik. "'k Wil u liever de

historie vertellen, dat zal beter wezen."--Hij vertelde nu zóó--en

zóó. "En,"--zoo besloot hij zijn verhaal, "voor den dag komen moet

hij!"--"Dat moet hij, Frederik," zegt de schout. "En ik wil met je

gaan, want ik ben er toch immers eenmaal voor aangesteld, en onze

baljuw zeî laatst nog tegen mij: "Schout," zei hij, "op u rust

het alles in Gulzow;" en toen gaf hij me een vel pampier en zeî:

"deze zaak is pressant." Nu, ik liet mij dat door den veldwachter

voorlezen, en toen hij dat klaar gekregen had, zei hij: "Schout, bij

die zaak is haast."--"Neen, zeg ik, dat weet ik beter, mijnheer de

baljuw heeft mij gezegd, die zaak is pressant, en als hij dat te voren

gezegd heeft, dan heb ik nog altijd goed vier weken gedacht en 'k ben

altijd nog bij tijds gekomen." En zoo kwam 't ook ditmaal uit. Maar,

Frederik! jou zaak is niet pressant, maar die heeft haast; 'k zal

nog maar eventjes mijn hoed halen, en dan kunnen we er op losgaan."

Dit gebeurde, en zij gingen. Toen zij het dorp uitkwamen, sprak de

schout: "Frederik, mijn Hannes,--je kent dien jongen toch wel; hij

is nu in zijn zestiende, en ik dacht zoo, dat ik hem nog zoo'n jaar

zonder vast werk woû laten rondloopen; hij hoedt hier de schapen op

't roggeveld; want, zie je! ik dacht ook zóó, 't voêr is toch krap,

en in dit jaargetij vertrappen ze wel een' maaltijd op 't veld en

dus joeg ik ze er uit,--zie je? die jongen kan mogelijk den kerel

wel gezien hebben." Zij vragen 't nu aan Hannes, en de jongen heeft

den kerel werkelijk gezien; hij is den weg naar Pinnow opgegaan. In

Pinnow gaan zij bij den schoolmeester aan en vragen hem of hij geen

Franschman gezien heeft.

De schoolmeester heet Mosch, maar ze noemen hem altijd Vink; sommigen

zeiden, omdat hij zoo mooi kon zingen, anderen, omdat hij zoo vlug en

wakker was en met iedereen allerlei grappen maakte. De oude schout

liet zich ook nu inderdaad door den vink bij den neus nemen; maar

Frederik zag spoedig, hoe de vork in den steel zat; en, toen hij

bemerkte, dat de vink zijne vrouw een knipoogje gaf, dat zij met hem

uit één vaatje tappen zou, dacht hij: "Wacht, nu zal ik je wel beet

hebben!"--Hij stond op en zeide, dat hij in de keuken een kooltje

voor zijn pijp wou gaan halen.

De vink praatte nu den ouden schout allerlei dwaze verhalen voor

en toen de schout aan 't woord kwam en vroeg of hij den Franschman

niet gezien had, zeide de vink: "Neen," en zijne vrouw zeide ook

"neen!"--Terwijl zij nu den ouden schout zoo fopten, kwam Frederik

weêr binnen en sprak: "Juffrouw! er is in uw' keuken zeker wat

voorgevallen, want de ééne lat met worsten ligt op den grond."--De

schoolmeestersvrouw loopt nu de kamer uit en komt met de lat weêr

binnen, uitroepende: "Zie zóó! Dat hebben we daarvan; die vervloekte

kerel heeft ons een worst gestolen."--"Wat voor een kerel?" vraagt

Frederik.--"De Fransoos, daar jelui naar gevraagd hebt."--"Zoo! dus

hij is toch hier geweest," zegt Frederik. "Wel zeker is hij dat! En

Mosch heeft hem nog een borrel en een boterham gegeven, en heeft hem

den weg gewezen naar Demzin." "Nu, adjuus dan!" zegt Frederik. "Kom

schout! Verder willen we immers niks weten."

"Schout," zegt Frederik, toen zij een eind weegs van Pinnow en van

den vink af zijn; "gij zijt toch een soort van een gerechtspersoon

en moet het weten; welke straf staat eigenlijk op 't stelen van

eene worst?"--"Wel, Frederik," zegt de schout, "met worst ben ik in

dat opzicht niet bekend; wat er op eene zijde spek staat, dat weet

ik wel; want toen de oude manke schoenmaker er mij laatst een uit

het rookhok had gehaald, liet de baljuw hem veertien dagen zitten,

en dan kreeg hij er nog een stuk of twaalf op zijn baaitje."--"Dan

zou 't juist niet zoo gevaarlijk wezen," zegt Frederik, "want als

ik het daar naar bereken, hoeveel er op eene worst komt, dan is

't weêrgaasch weinig."--"Hoe zoo?"--"Wel, schout, zeg eens, als gij

zeven varkens slacht, hoeveel zijden spek krijgt ge dan?"--"Veertien,"

zegt de schout.--"Dat's niet waar," zegt Frederik. "Gij krijgt er

maar dertien; ééne komt in de worst."--"Daar heb je gelijk aan!" zegt

de schout.--"En hoeveel worsten maakt uwe vrouw dan wel van zeven

varkens? Toch zeker wel een stuk of dertig; dus komen er dertig

worsten op ééne zijde spek, en op ééne worst zou dus, als men 't mooi

uitrekent, op zijn hoogst een halve dag en een halve slag komen, en

dat estemeer ik voor een rechtvaardig en genadig recht;--nu kunt gij

mij hier dadelijk op heeterdaad den halven slag in mijn nek geven,

en den halven dag wil ik toekomenden zondagmiddag, in uw huis achter

de kachel komen zitten,--want, kijk eens hier! Ik heb de worst van den

vink weggenomen."--"Wat! Plaagt jou de duivel?" vraagt de schout.--"Die

niet, maar de honger," zegt Frederik; en hij haalt de worst uit zijn'

zak en snijdt er een stuk af. "Hier, schout! Die worst is goed, die

kan men zonder brood eten."--"Neen," zegt de schout, "met gestolen

goed wil ik niets te doen hebben."--"Hoe zoo, gestolen?" vraagt

Frederik. "Dit is eene fourageering, zooals wij bij den hertog van

Brunswijk zeiden, of een mondroof, zooals jelui 't noemt. En schout,

ge zijt toch zeker ook dikwijls in den appelboom van den domeneer

geklommen?"--"De drommel weet, wat jou van daag bezielt;--ja, dat ben

ik, toen ik nog een kwâjongen was, maar nu heb ik groote kinderen, die

ik met een goed voorbeeld moet voorgaan."--"'t Is waar," zegt Frederik,

"en wat voor den een past, dat past niet voor den ander."--"Schout,"

zegt hij, na eene poos, "hoe oud is je Fieken?"--"Wel," zegt de schout,

en zijne oogen begonnen te schitteren, "Frederik, die deern, ik zeg

je, die deern,--oud is ze niet, zij wordt pas achttien; maar, ik zeg

je, wakker is ze als een honigbij." "Dat weet ik," zegt Frederik,

"ik heb gisterenavond nog op 't Stemhager slot bij haar gezeten, en

ik kan wel zeggen, ze is me zoo goed bevallen, dat ik in staat zou

wezen, om ten haren gevalle te gaan trouwen."--"Nou! hoor eens aan,

die is niet kwaad!" zegt de schout, en kijkt Frederik van boven tot

onder aan.--"Ja," zegt Frederik, "en ik dacht, voor uw Frits is er

wel wat anders te vinden, en gij wordt al oud, en als gij dan uwe

rust woudt gaan nemen, dan zoudt ge ons de hofsteê kunnen geven,

dan hadden Fieken en ik een mooi bestaan, en gij zoudt veel pleizier

aan ons kunnen beleven."--"De hemel zal me bewaren!" roept de schout

uit. "Dat meen je toch niet in ernst?"--"Waarom niet?" zegt Frederik,

en richt zich in zijne geheele lengte op. "Zie ik er uit of ik gekheid

maak?"--"Wat!" roept de oude schout, en gaat op hem af, "zoo'n oude

bedelaar als gij zijt, die wou naar eene schoutsdochter vrijen? Mijne

dochter, een jonge deern van achttien jaar?"--"Schout!" zegt Frederik,

"pas op uwe woorden!--Oud, zegt gij? Kijk mij eens aan; ik ben in mijn

beste jaren, tusschen de twintig en vijftig.--Bedelaar, zegt gij? Ik

heb u nog om geen pijp tabak gevraagd. Maar, 't is waar, uw Fieken

is heel wat jonger dan ik, doch daar geef ik niets om; ik neem haar

toch, want zij is verstandig en weet dat zoo'n kerel als ik, die de

wereld gezien heeft, meer waard is dan zoo'n boerenjongen met een'

dikken rooden kop en vlashaar, die een dienaar maakt als een knipmes,

en bij de menschen in den kamer spuwt."--"Hebt ge mijne dochter al

gekheden in 't hoofd gepraat?" schreeuwt de oude schout hem toe en

licht zijn stok tegen hem op.--"Halt, schout!" zegt Frederik. "Dien

stok weg! Wat zouden de menschen zeggen als er verteld werd dat ik

met mijn schoonvader al vóór de bruiloft, op den landweg gevochten

had."--De schout liet den stok vallen.--"Schout," sprak Frederik,

"'k ben wel in staat om van zoo'n Vink eene worst weg te kapen,

maar, nooit van mijn leven daartoe, om zoo'n jong, lief schepsel

tot haar ongeluk te bedriegen; ik heb uw Fieken geen gekheden in 't

hoofd gezet."--De oude schout zag hem zoo van ter zijde aan, alsof

hij zeggen wilde: de drommel mag jou vertrouwen!--maar hij zeide

niets. Zij gingen nu verder, maar zij waren 't niet meer recht ééns.

Toen zij dicht bij Demzin kwamen, stond daar een jonge klerk van den

rentmeester en Frederik ging naar hem toe en vroeg: "Neem mij niet

kwalijk, hebt gij hier geen Franschman gezien? en zóó--en zóó." De

jonge man zegt: "ja; een klein uur geleden, is hier zoo'n kerel

voorbijgekomen." Zij gaan het dorp door, en aan het andere einde heeft

ook eene oude vrouw den "chasseur" gezien. "Nu hebben we hem gauw,"

zegt Frederik. Doch, toen zij een weinig verder op het veld een ouden

man aantroffen, die bezig was, om op den weg de toppen der wilgeboomen

af te slaan, wilde die niets van den Franschman weten en zei dat die

kerel hier sedert klokke zes 's morgens niet voorbijgekomen was.

Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht

geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij

gebleven? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag

de gelegenheid en zeide eindelijk: "Schout, verder kunnen wij niet

gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de zaak overleggen; maar

't blaast hier drommelsch koud over 't open veld; laten we daarachter

den bakoven [7] gaan zitten."--Nu, zij doen dat. "Wat ben ik toch

een dwaas," zegt de schout, "om hier in zoo'n weêr en over zoo'n weg

een Fransoos achterna te loopen!"--"Schoonvader, laat den Fransoos

maar rusten," zegt Frederik, "hem krijgen we toch nog."--"Begint ge

alweêr met je "schoonvader", jij, pruisische gauwdief?"--"Schout,

wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend,

die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld

gegeven."--"Dan hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen,

dan gij zijt."--"Kijk me eens goed aan, schout," zegt Frederik, en

hij gaat voor den schout recht overeind staan; "een avekaat ben ik

niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk

mijne handen eens, die kunnen van werken meêpraten. En zoo gij uwe

eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge 't immers aan mijn baas,

den molenaar, vragen."--"Ei, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat

je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken;

maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen

hond om achter den oven vandaan zou komen." "'k Zal u straks bewijzen,

dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw

Fieken geven?"--"Wat drommel!" zegt de schout, "ik dacht eerst dat het

eene grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier

ernst van wilt maken."--"Schout," zegt Frederik, "met de hofsteê en

dat gij uwe rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de

hofsteê hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken,

dat is ernst, en eene hofsteê zal 'k gemakkelijk krijgen."--"Jou

snoever," zegt de schout. "Kijk, dat is weêr zoo'n spreekmanier,

zooals ik gezegd heb, waarmeê je geen hond achter den oven vandaan

krijgt." "Dat wil ik u toonen!" roept Frederik.--"Pocher!" zegt

de schout, terwijl hij opstaat. "Ik ga naar huis, en ga jij aan

't honden lokken, of vang jij den Fransoos." "Dien heb ik," zegt

Frederik.--"Praalhans!" roept de schout.--"Schout," zegt Frederik,

"wanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn

spreekwijzen een hond uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken

geven?" En hij hield hem zijne hand tegen, "sla dan toe!"--"Jou,

leugenaar!" roept de schout, "alleen, om 't je met een' langen neus

te bewijzen, dat je een praalhans bent.--Ja!" en hij slaat toe.

Frederik lacht zoo'n beetje in zich zelven; hij bukt naar de opening

van den oven en roept: "Monsieur, allons, ici!--Allons, ici!"--En

wat kroop er te voorschijn? De fransche chasseur. "Hemelsche

goedheid!..." roept de schout.--"Pardon, monsieur!" roept de

Franschman.--"Schout, wie heeft de weddingschap gewonnen?" vraagt

Frederik. "Hier is de Fransoos en hier is ook de hond! Wie krijgt

nu uw Fieken?"--"Pruisische schurk!" roept de schout, en licht den

stok weder op. "Je wilt mij hier voor den gek houden, niet waar? Jij,

mijn Fieken! Dan wil ik toch liever...."--"Schout," zegt Frederik,

"laat uw stok rusten; de Fransoos wordt bang; kom liever hier,

en help mij bij 't arresteeren; over de weddingschap spreken wij

nader." "Pardon!" roept de Franschman er tusschen in. "Wat, hier

en ginder! Pardon!" roept Frederik. "Waarom loop je onder den beuk

vandaan, waar ik je had neêrgelegd? Dezen keer zal ik je op mijn'

manier trakteeren; mamsel Westphalen is hier niet bij," en dit zeggende

sneed hij hem de knoopen van zijne kleêren af; "en nu, allons, en

avant!" En zoo gaat het dan nu voorwaarts door Demzin naar Pinnow heen.

De oude schout loopt er, in den zwaren regen, stil naast, en is

knorrig, 't meeste op zich zelven; en als hij de schuld op Frederik

schuiven wil, dan moet hij telkens weêr zeggen: "Een schelm is hij,

maar een drommelsche wakkere kerel is hij toch! Hoe hij dat toch wist,

dat de Fransoos in den oven zat? En dan dat knoopen afsnijden! Nu,

dat zal 'k dan toch onthouden!"

Toen zij Gulzow naderden, zei Frederik: "Schout, wie drommel komt daar,

dwars over uw bouwland, aandraven? Wat heeft die daar te jagen? Den

regen kan hij toch niet ontkomen."--"Wel, sakkerloot!" zegt de schout,

"dat is immers de bruine van den inspektor Bräsig, en die er op zit

is zoo waar, de Stemhager burgemeester."

En zoo was 't.

Mijn vader kwam nader, en toen hij den Franschman zag en Frederik,

zeide hij, dat de zaak nu wel zou schikken. "Maar," voegde hij erbij,

"schout, nu naar uw huis, want ik ril in mijn binnenste van de koû

en ben doornat."--"Dat zeg ik ook, mijnheer, wij zijn ook al mooi

doorgeweekt."

Toen zij bij den schout in huis gekomen waren, haalde zijne vrouw

allerlei afgelegde kleêren voor den dag, doch het was ter nauwernood

genoeg, want de slechte tijden hadden ook de kleêrkast van den

schout erg uitgeplunderd, en ieder van hen dankte den hemel zoo

hij maar iets vond, wat hem half en half paste! De oude schout kon

geene andere huisvesting vinden dan in zijne eigene broek, Frederik

zat heel deftig in den kerkjas van Frits, en mijn vader, die de

kleinste was, moest zich met het korte buis van Hannes vergenoegen,

't geen de schout natuurlijk eerst niet toestond, en waar hij veel

komplimenten over maakte. Maar, wanneer iemand uit een benarden

toestand in veiligheid, en uit den regen op het droge gekomen is, dan

laat de vroolijkheid zich lichtelijk vinden, en mijn vader lachte over

zijne kleedij, dat de tranen hem over 't aangezicht liepen.--"Goede

hemel!" zeide hij op eens en werd heel ernstig, "wij lachen hier,

en onder ons zit een menschenkind, dat rilt niet alleen van koû, dat

rilt ook van angst: wij zullen hem ten minste zooveel goed doen, als

wij kunnen. Vrouw Besserdich, gij moet ook den Fransoos aan het een

of ander helpen."--Dat ging nu slecht, en toen alles aangewend was,

wat slechts eenigszins er voor paste, moest toch de dikke wollen rok

van de oude schoutsvrouw nog het meeste te hulp komen.

"Broêrtje, eet maar ferm!" zeide Frederik, toen zij bij het ruim

voorziene avondeten zaten, en schoof den Franschman zoo'n stuk

pekelvleesch toe van een pond of drie. "Eet, broer! Zoolang de

mensch eet, zoo lang leeft hij nog."--En mijn vader kreeg medelijden

met den kerel, hij sprak een paar woorden in 't Fransch tot hem: op

deelnemenden toon, om hem te troosten, en de arme zondaar antwoordde

zoo onderworpen, zoo weemoedig en bedrukt, dat het den ouden schout,

ofschoon hij er niets van verstond, toch ter harte ging. Hij boog

zich naar mijn vader toe en vroeg: "Mijnheer de burgemeester, willen

we den kerel maar weêr laten loopen?"--"Neen," was het antwoord van

mijn vader; "zoo gaat dat niet. De molenaar en de bakker zitten in

bitter leed en zij hebben eene rechtvaardige zaak; en de Franschman

zit ook in nood, maar hij heeft eene onrechtvaardige zaak, en het

recht moet zijn loop hebben."

Later komt Frits, de zoon van den schout, met de paarden den hof

oprijden. Hij treedt binnen en zegt: "Goê'n avond, vader! Ik ben van

de Fransozen weggeloopen."--Hij geeft zijn' vader de hand, gaat naar

mijn' vader toe, die met den rug naar hem toegekeerd zit, en geeft

hem een recht aardigen stomp in den nek, zeggende: "Goê'n avond,

Hannes! Kan je ook je broêr niet eerst goê'n avond zeggen?"--Mijn

vader springt overeind en keert zich om, en Frits staat daar als Loth's

huisvrouw.--"Heere, bewaar me," roept de schout. "Dat komt hier binnen

en slaat me den Stemhager burgemeester in mijn eigen huis! En zoo'n

lummel wil eenmaal schout worden!"--"Laat hem met rust!" zegt mijn

vader. "Doch, daarvoor zal hij van avond nog geene rust hebben; hij zal

ons voor zijn straf van avond nog allen naar Stemhagen rijden."--"Door

de heele wereld, burgemeester!" zegt Frits.--"Maar, hoe komt ge zoo

laat t'huis?" vraagt de schout.--"Wel, vader, ik dacht zóó: als ze

je krijgen, zal 't er slecht uitzien, en daarom trok ik de paarden

in het bosch en ging op de loer staan, en woû wachten tot het avond

werd, en toen ik zoo stond, kwam de politiedienaar Luth aanloopen;

hij zei dat de Fransozen al lang weg waren, en dat de burgemeester

ook aan den haal gegaan was, en hij hem nu zocht."--"Waar is hij dan

gebleven?" vraagt mijn vader.--"Hij zal dadelijk komen," zegt Frits,

"hij ging nog maar eens bij den schoolmeester aan."

Luth kwam dan ook weldra, en toen hij naar mijn' vader vroeg en hij

dien in 't korte buis van Hannes in 't oog kreeg, was 't uit met zijne

boodschap; hij vergat alles, wat hij moest en wilde zeggen, en begon

te schateren van lachen; mijn vader werd boos, want hij dacht niet

meer aan zijne kleeding, maar aan mijne moeder en aan t'huis; hij

pakt den politiedienaar bij den kraag en roept: "Luth, zijt gij gek

geworden? Hoe maakt het mijne vrouw en mijne kinderen?"--"Kostelijk

in orde, burgemeester! Ha, ha, ha!--En mijnheer de baljuw leest uwe

vrouw wat uit de boeken voor, en mamsel Westphalen stopt Frits op

met appelen en lekkers, maar,--ha, ha, ha!--neem 't mij niet kwalijk,

ik moet lachen."--En Frederik begon ook te lachen, en de oude schout

ook, en Frits, en de vrouw van den schout zeiden dat mijnheer de

burgemeester er toch ook heel kluchtig uitzag.--Mijn vader was nu

lichter om 't hart geworden en lachte dapper mede. "Luth, lach maar

goed uit," zeide hij, "maar lach wat vlug ook! want 'k heb wat voor je

te doen, daar haast bij is.--De Fransozen hebben immers den mantelzak

met het geld en het zilverwerk meêgenomen, niet waar?"--"Ja, mijnheer,

'k heb gezien, dat zij 't wegdroegen."--"Haast je dan wat. In den stal

staat de bruine van den inspektor Bräsig, neem dien en draaf, wat ge

kunt, naar Kittendorp, naar mijnheer den landraad von Urtzen,--want,

van dáár zijn gisteren de Fransche jagers gekomen, en daar zullen

de lepels ook wel van afkomstig zijn;--en vertel gij dan aan den

landraad, hoe 't ons in Stemhagen gegaan is, en verzoek hem u een

vertrouwd persoon mede te geven, die omtrent de lepels een eed doen

kan. Op die wijze kon hij mogelijk zijn eigendom nog terugkrijgen.--En

maak nu dat ge weg komt. En, Frits, span gij nu dadelijk in!"

Het duurde ook heel kort, of zij zaten allen op den wagen; slechts

den schout wilde moederlief niet laten meêgaan.--"Je hebt daar niks te

maken, je kunt t'huis blijven," zeide zij.--"Moeder," zeide de schout,

en hij zette zijn' éénen voet in het rad en den anderen op de as,

en keek van boven af om; "dit is tegen onze afspraak. Jij bent baas

in huis en ik ben baas in mijne schoutszaken, en een' gevangene te

transpireeren is eene schoutszaak." En, met die woorden klemt hij

zich met Frederik en den Franschman op éénen zak. "Zoo, Frits, nu

maar voort, ju, ju!"

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 19 / 26 题