Waarom de overste zich bij Fieken's woorden moest afwenden, en
waarom Fieken zich bij Hendrik's woorden afwenden moest. Waarom
de raadsheer op de kleine menschen schold, en de molenaar
wenschte, dat hij een kraai was.
Zoodra Fieken met Hendrik bij den molenberg kwam, vlogen hare oogen
naar alle zijden rond, en het duurde ook niet lang, of zij had haren
vader en zijn gezelschap herkend, zooals zij daar onder den molen
zaten.--"Daar is mijn vader," zeide zij tot Hendrik. "Wel," zeide
Hendrik, "dan willen we hier rechts van den hollen weg, naar den
geploegden akker, den kant naar den molen inslaan. 't Zal wel slecht
gaan; maar door den hollen weg is niet door te komen, en ge kunt dan
toch ook met uw' vader spreken."--"Halt," riep Fieken, "niet rechts,
naar den molen toe; neen, links, van den molen af; ik wil niet met
hem spreken.--Goede hemel, nu heeft hij ons al gezien en hij wenkt
ons."--"Fieken," zeide Hendrik, toen hij volgens hare aanwijzing reed,
"wat beteekent dit? Waarom zoekt gij uwen vader te ontwijken?" "Omdat
ik niets voor hem doen kan, eer ik den brief bezorgd heb. Wie weet,
hoe de Franschen 't zouden opnemen, als ik met hem sprak? Daar kon
beweging en twist uit ontstaan; en als wij op die manier voor den
overste gebracht werden, zou hij ons juist niet vriendelijk aanzien. En
dan, waartoe zal ik mijn' ouden vader met uitzichten vleien, die nog
onzeker zijn? Voor 't oogenblik is het hem genoeg te weten, dat wij
dicht bij hem zijn."
Middelerwijl waren nu ook de kanonnen uit den hollen weg opgetild en
uitgegraven, en de stoet zette zich weder in beweging. De gevangenen
werden langs de ééne zijde van den hollen weg gekommandeerd en Hendrik
reed aan den anderen kant, zoo schielijk hij door het bouwland van
den ouden Nahmaker kon voortkomen. Fieken keek naar den overste
uit. "Wanneer ik hem maar zie, zal ik hem wel herkennen," zeî ze tot
Hendrik. "Hij heeft een goed gezicht, al zag het er ook streng uit,
toen hij den burgemeester liet wegbrengen."--Zoo kwamen zij voorbij
de kanonnen en langs menigen troep Franschen, die in den diepen
weg zachtjes voortsukkelden. Eindelijk, dicht bij de kroeg "In de
bromvlieg," zagen zij den overste, terwijl hij met eenigen zijner
officieren stapvoets voortreed.--"Hendrik," zeide Fieken, "draaf hier
zoo hard ge kunt en houd op de hoogte stil; dan wil ik er afklimmen."
Dit geschiedde. Toen de overste nader kwam, stond Fieken op het
voetpad in den weg, zij ging hem een paar schreden te gemoet, reikte
hem den brief toe en zeide: "Mijnheer, ik heb een brief voor u."--De
overste hield stil, nam den brief, zag Fieken een weinig verwonderd
aan en vroeg: "Van wien, mijn kind?"--"Van onzen baljuw, mijnheer
Weber."--De overste brak den brief open en las; zijn aangezicht begon
er deelnemend uit te zien, en toen hij ten einde toe gelezen had,
schudde hij zacht met het hoofd. Fieken had hem met den grootsten
angst aangezien; zij las het antwoord op den brief in de trekken van
den overste, en toen hij zoo droevig het hoofd schudde, liepen haar
de tranen uit de oogen. "Mijnheer, 't is mijn oude vader, en ik ben
zijn eenig kind!" riep zij uit.
Zij had alles in de wereld kunnen zeggen, de schoonste aanspraak en de
krachtigste bijbelspreuk,--niets zou zulk een indruk op dien sterken
man gemaakt hebben, als deze weinige woorden, in de platduitsche
spraak.--Hij had ook een' ouden vader en was diens eenig kind;
zijn vader zat op een aanzienlijk kasteel in het Westphaalsche land,
maar in eenzaamheid, ontevreden met zijn volk en zijn vaderland; de
tijdsomstandigheden hadden vele steenen tusschen hem en den eenigen
zoon opgestapeld, totdat het een breede muur was geworden, over
welken zij zich slechts moeielijk konden doen verstaan. Misverstand
en oneenigheid waren daaruit ontsproten, en waar die zijn, daar doet
zich ook, in stille uren, het geweten gelden. Hoe vaak had zijn hart
tot hem gesproken: "'t Is uw oude vader, en gij zijt zijn eenig
kind!" Blijdschap en lijden, kanongebulder en veldslag hadden die
stem wel van tijd tot tijd doen zwijgen; maar altijd kwam de gewonde
plek van zijn hart weder te voorschijn, gelijk een bloedige plek op
den vloer. Voor de eerste maal hoorde hij dit woord uitspreken van
vreemde lippen, voor de eerste maal in de spraak zijner kindsheid;
't was hem, alsof er geen verwijt meer in dat woord lag, zóó zacht
werd het uitgesproken, 't klonk hem zacht in de ooren, als een woord
van vergeving, en toen hij het arme kind voor zich zag staan, met
haar angstig, bekommerd gelaat, toen werd het hem te benauwd; hij
moest zich afwenden, en het duurde eenigen tijd, eer hij weder met
haar spreken kon. Eindelijk had hij zich hersteld en zeide tot haar,
met al de hartelijkheid, die uit zulk een oogenblik geboren wordt:
"Mijn lief kind, vrij laten kan ik uw vader nu niet; maar dat zal wel
komen; gij, en uwe liefde voor uwen vader, zult niet te vergeefs bij
mij aangeklopt hebben, gij zult in zijne nabijheid blijven, en hij
zal op uwen wagen met u rijden.--En als wij in Brandenburg komen,
meld u dan bij mij aan." Hij gaf daarop de noodige bevelen en reed
met zijne officieren verder.
Hendrik kwam nu met zijn wagen naderbij, sprong er af en vroeg:
"Fieken, hoe is 't?--Maar, wat vraag ik nog lang? Je ziet er immers
uit, alsof het hart je op de tong ligt; niet waar, hij heeft je
vader vrij gegeven?" En hij sloeg zijn arm om haar heen; "kom Fieken,
klim op den wagen: daar komt weêr zoo'n hoop volk, we willen op zij
gaan." "Die doen ons niets," sprak Fieken, en zij klom hooger naar den
slootrand op en zag den weg langs. "Vrijgelaten heeft hij hem niet;
maar hij heeft het mij beloofd. Ik mag bij hem blijven, en zij mogen
met mij rijden, en, Hendrik, nu zoudt gij wel naar huis kunnen gaan
en op den molen acht geven en moeder bijstaan."
Hendrik bond den teugel om een' wilgeboom vast en bukte, gespte aan
het tuig en streek toen zijn paard met de hand langs den gladden,
natten rug. "Ge hebt gelijk, Hendrik," zeide Fieken, "ge zijt
bezorgd, om paard en wagen te verlaten, maar dat kan immers de oude
inspektor Bräsig uit Bramborg meê terug nemen, die doet ons gaarne
dezen dienst."--"Fieken," hernam Hendrik, "aan 't voertuig heb ik
niet gedacht; ik dacht aan jou en aan 't geen de oude baljuw tot
mij gezegd heeft."--"Wat was dat?" vroeg zij.--"Als ik er niet voor
zorgde, dat je geen haar werd gekrenkt, mocht ik hem niet meer onder
de oogen komen. En, Fieken, ik heb hem beloofd, je ten allen tijde
bij te staan, en toen ik hem dat beloofde,"--en nu ging hij naar haar
toe, nam hare hand en zag haar zoo recht eerlijk in de oogen,--toen
waren er nog twee bij tegenwoordig, die dat meê aangehoord hebben,
en daar wist niemand wat van, dan ik alleen; dat was de goede God,
Fieken, en mijn eigen hart."--Fieken werd zoo rood als eene roos,
en toen hij zijn arm om haar heensloeg, wond zij zich los en riep:
"Daarover hier verder niets, Hendrik! Van daag niet, Hendrik! Heer
in den hemel! Daar komt mijn goede vader aan!" En dit zeggende,
ging zij van hem weg, haren vader te gemoet, en Hendrik stond stil
gelijk een boom in den wintertijd, als de groene bladeren afgevallen
zijn en de vogels niet meer van liefde en vroolijkheid in de takken
zingen. Doch toen zij zich omkeerde, en weder tot hem terugkwam,
zeggende: "Hendrik! Hendrik!" en de tranen uit hare oogen stroomden, en
zij daarna weder schielijk naar haren vader toeging,--toen schoot blad
op blad uit dien stillen boom, en liederen van lust en liefde klonken
in zijne takken, en de lente ontlook in hem, de eenige lente, die door
't gansche leven, in zomerhitte, in herfststormen, en in winterkoude
moet voortduren, als het de rechte lente en het rechte leven is.
"Fieken!" riep de oude molenaar Voss, "waar komt gij vandaan?" En
toen Fieken hem om den hals viel, en hem met tranen in de oogen,
de omstandigheden had medegedeeld, knorde de oude man en zeide, dat
Hendrik alleen had kunnen komen; en dat dit aangelegenheden waren,
waar vrouwen zich niet mede inlaten moeten. De raadsheer Herse
verklaarde echter, dat de molenaar van zulke zaken volstrekt geen
verstand had, en Fieken's inval met den wagen was zoo mooi, dat hij
zelf het niet beter had kunnen bedenken; want, wat zijne postpapieren
laarzen betrof, die waren door den schoenmaker Bank, opzettelijk voor
de raadsvergaderingen vervaardigd, en niet, om in dit jaargetijde,
vier mijlen op den Mekklenburgschen landweg meê te loopen. En de
bakker Witt, van de mand met metworst en boterbroodjes hoorende,
klopte zich op de maag en zeide, dat Fieken zijn beste peetekindje
was, en al behoorde hij ook tot dezulken, die hun voederkist altijd
bij zich hebben, zoo veranderden de omstandigheden de zaak, en bij
zulk weder moest zelfs de beste bakkersoven van tijd tot tijd nog
wat opgestookt worden.
De Fransche sergeant had nu aan de mannen van de wacht het bevel
van den overste medegedeeld, en het gezelschap klom op den wagen,
en maakte het zich zoo gemakkelijk en warm als eenigszins kon. Mijn
oom Herse eigende zich de kleedingstukken toe, die voor mijn vader
bestemd waren, daar hij er als collega de naaste toe was, en hij
schold op de kleine, magere menschen in 't algemeen, en op mijn'
vader in 't bijzonder. Van de lengte, zeî hij, wilde hij niet
spreken, want die kon niemand zich zelven geven of ontnemen; maar,
voor de behoorlijke breedte kon ieder verstandig mensch met den tijd
zorgen. "Kijk eens hier, baas Witt, dit moet een jas voor een volwassen
en doorvoed mensch verbeelden!" Dit zeggende, hield hij mijns vaders
jasje tot spektakel omhoog. "Mijnheer Herse," zeide de bakker; "steek
van voren uwe beide armen in de mouwen, zoodat het ruggestuk van den
burgemeester op uw borststuk komt te zitten, hier is nog eene jas,
die hang ik u van achteren om, zoo maken wij uit twee kleine ééne
groote; een mensch moet zich weten te helpen."--Nu, dit gebeurde, en
mijn oom Herse zag er uit als eene mooie vette oester, die al eenigen
tijd op reis geweest is: achter en vóór had hij eene stevige schulp,
maar op zijde gaapte hij van tijd tot tijd uit elkander. Bakker Witt
had een zijden wintermantel van zijne overledene vrouw gevonden, en
hij had dien om, met de konijnevellen naar buiten; want, zeide hij,
't was in zulk slecht weêr jammer van de zijden stof; maar de vellen
konden er wel tegen, want zooveel hij wist, liepen de konijnen ook
met de haren naar buiten rond.
Met deze twee ging het inpakken, over het geheel, tamelijk vlug, doch
met den molenaar kwam het zeer in de war, want, toen hij hoorde, dat de
mantel met de zeven kragen, die voor hem bestemd was, van rechtswege
den baljuw toebehoorde, werd hij eerst door het verschuldigde respekt
overvallen en maakte de eene buiging na de andere alsof de oude heer
voor hem stond en hem 't eerst de deur wilde doen ingaan; en daarna
kwam de aandoenlijkheid, omdat de baljuw aan hem gedacht had, en hij
zeide, dat hij dit niet waardig was; en toen Fieken hem de eene mouw
had aangetrokken, begon hij het bezwaar te maken, dat de menschen
hem voor een voornaam man zouden houden.--"En, vader," zoo sprak hij
tot Witt, "als ik nu begin te praten, en als dan de ezelsooren uit de
zeven kragen komen uitkijken, wat dan?"--"Ja, oude," zegt de bakker,
"daarin hebt ge gelijk; uit een varkensoor kan men nooit van zijn leven
een zijden geldbeurs maken; maar je kunt immers den mond houden, of
praat anders hoogduitsch; dat kunt ge toch." "Ik kan 't wel, maar 't is
er ook naar," zegt de molenaar en hij gaat op den voorsten zak zitten.
Zij zaten nu allen, slechts Hendrik niet. "Hendrik," zeide de molenaar,
"hoe is 't? Je zult toch wel op je eigen wagen komen zitten. Fieken,
schuif wat op, en maak plaats voor je neef."--Maar Hendrik liet dat
niet toe, hij sloeg Fieken de paardedeken om de voeten en zeide,
dat hij zou loopen. Hij liep dus en terwijl hij nu zoo liep, en hier
over een' sloot sprong, en dan weêr terug, altijd vóórop, dat hij
Fieken in de oogen kon kijken, zeide de molenaar Voss: "Mijnheer
Herse, dat is mijn neef, de zoon van Jochem Voss; is 't niet een
flinke kerel?"--En de raadsheer Herse antwoordde: "Dat is hij,
vriend Voss; een knappe kerel is hij."--En de bakker Witt zeide:
"Hij is een stevige kerel."--Fieken zeide niets; maar zij dacht:
"Hij is een goede kerel en een trouwe kerel." En zij zou mogelijk
nog meer van hem gedacht hebben, maar Hendrik stond op eens bij haar
en zag haar zoo vriendelijk aan en vroeg, of zij 't ook koud had;
toen was het met het denken gedaan, en zij gaf hem de hand, zeggende:
"Neen! voel maar, ik ben heel warm."
Bakker Witt tastte nu in de mand met worst en broodjes en gaf ieder
zijn deel, en toen de raadsheer de broodjes zeer roemde, zeide de oude
bakker bij zich zelven: "Kijk zoo'n rakker; anders koopt hij bij Guhl;
maar als men niets beters heeft, dan is een uil ook een vogel."--De
raadsheer Herse buigt zich naar den bakker toe en fluistert hem half
overluid in: "Baas Witt, daar vóór ons ligt de kroeg "In de bromvlieg,"
en als de dienaars van den korsikaanschen tiran nog een zweem van
menschelijk gevoel in zich hebben, dan zullen zij er niets tegen
inbrengen, zoo wij ons daar, door den ouden Haker bij onze broodjes
een borrel laten geven."--Hij had onder 't spreken echter geen acht
geslagen op zijn brood en had het met de worst een beetje over den
rand van den wagen heen gehouden. Op eens voelt hij, dat hem daar iets
tusschen zijne vingers grabbelt, en toen hij omzag, bespeurde hij, dat
een der korsikaansche wachters juist in zijne worst en zijn brood boet,
en toen hij nu met harde woorden tegen zulk openlijk maraudeeren wilde
uitvaren, reikte een andere sakkermentsche kerel van achteren over den
wagen en trok de geheele mand naar zich toe.--"Heere, bewaar ons!" riep
mijn oom Herse uit; "zóó slecht heb ik mij de toestanden van ons
vaderland toch niet voorgesteld!"--"Entfaamte gauwdieven!"--bulderde
de oude Witt weder los, en de molenaar, die reed, had in den warmen
mantel van den baljuw, zijn' toestand zoo geheel en al vergeten, dat
hij de zweep al oplichtte, om er de Franschen een meê toe te dienen,
toen Fieken zijn arm tegenhield: "Om Gods wil, vader," zeide zij;
"wat doet gij?"--"Hm!--Ja!"--zeide de molenaar, en bedacht zich;
"Fieken, je hebt al weêr gelijk." En zich tot de Franschen keerende,
zeide hij: "Neemt mij niet kwalijk, ik deed dat zoo maar!"
Nu, die namen 't blijkbaar ook niet kwalijk en aten recht vergenoegd
van de worst en de broodjes, zoodat den raadsheer van kwaadheid en
afgunst de gal in de ledige maag kwam, en hun allen hun treurige
toestand weder duidelijk werd, dien zij bij het gemakkelijk en warm
zitten in den wagen, voor een poos hadden vergeten. Zij reden dus
in den donkeren avond op Brandenburg aan, en waar eerst de broodmand
gestaan had, in het achterdeel van den wagen, waren nu de bezwaren en
zorgen en de treurigheid ingekomen, en die fluisterden hun allerlei
angstwekkende verhalen in de ooren, en toen er een zwerm kraaien
over hen heenvloog, zeide mijn oom Herse: "Ja, wat weet jelui van
nood? jelui kunt lachen!" En de bakker zeî: "Dat volkje betaalt huur,
noch belasting!" En de oude molenaar zuchtte en zeî: "'k Woû, dat ik
een kraai was!"
Maar in twee harten vond de zorg geene plaats; daar had de liefde
haren intrek genomen, met haren ganschen hofstoet van geheime wenschen,
en van hoop en vertrouwen; en die geheime wenschen liepen als flinke
bruidsjuffers door 't gansche huis en al zijn' kamers, ruimden op,
wat in den weg stond, en wischten het stof van de tafel en van de
banken af, en maakten de vensterruiten schoon, zoodat men ver uitzien
kon in 't schoonste landschap; en zij dekten de tafel in de helder
verlichte zaal en spreidden het bed in de stille kamer en hingen
frissche kransen van loof en bloemen over deuren en vensters en om de
lijsten van de keurigste schilderijen. En de hoop stak hare duizend
lichten aan en ging toen, heimelijk, stil in een' hoek zitten, alsof
zij 't volstrekt niet geweest was; alsof hare zuster het gedaan had,
de werkelijkheid;--en het vertrouwen stond aan de deur en liet niemand
binnen, die geen bruiloftskleed aanhad, en zeide tot de zorg, toen die
naar Fieken vroeg: "Ga uwen weg; de oude molenaar danst nog op onze
bruiloft." En ze zeide tot het bezwaar, toen dat naar Hendrik vroeg:
"Ga uwen weg; 't is alles in orde."