Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene
ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom
Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren,
was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!
Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat
niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten
geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk
deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch
reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping
te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder
is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te
verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang
hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige
bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat
zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen
mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar
hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon,
dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen
vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam,
was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.
De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op
de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd,
dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen:
"Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?" De oude baljuw, die anders
niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel
in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden,
dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote
tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom,
waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: "Dit is toch eene
zeer zonderlinge zaak!"--Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw
van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne
moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: "Moeder, lieve moeder,
hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal
wezen!"--Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en,
was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.
Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige
redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende
het bewijs zijner beleefdheid wil geven;--maar 't is de moeilijkste
taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart,
dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij
gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend
is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware
taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene
troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier
het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte
den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in
haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor
troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had
één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw,
en hij was er heden niet karig mede.
Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik
nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel
Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de
oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de
mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig
getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt
een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.
Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen
en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten
stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. "Kindlief,"
zeide de oude heer, "dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en
zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier
hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? "Est solamen
miseris socios habuisse malorum." 'k Zal dat later wel eens voor u
vertalen.--Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen."
Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid
lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik
ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op
andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar
geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich
niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was
het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht
en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den
regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en
groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar
zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: "Wel, hoe vindt gij 't,
Netje?"--Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van
den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,--maakte ook voor
haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden,
eenvoudigen tijd het gebruik.
"Mijnheer de baljuw," zeide Fieken, "mijn vader en onze boeren hebben
altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig,
van in mijn leed eens bij u te komen."--"Wat hebt gij dan wel op uw
hart, mijn dochtertje!" vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne
hand op het hoofd leggende.--"Mijnheer, mijn vader is onschuldig,"
ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de
oogen.--"Dat hij dat is, weet ik, mijn kind," zeide de oude heer en
knikte met het hoofd. "En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet
spoedig vrijkomt," sprak Fieken.--"Hm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou
niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat
geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden
reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te
onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en
't is nog erger, als de goede wil ontbreekt."--"Daarvoor ben ik niet
bang," viel Fieken hier schielijk op in; "vrijkomen moet hij, en dat
spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en
dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen."--"Lief
kind," hernam de oude heer en schudde het hoofd; "gij zijt jong, en
soldaten zijn ruwe gasten; 't zou geen troost voor uwen vader zijn,
zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt."--"Mijnheer! 'k wou
ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem
Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven,
zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan
kon ons niets kwaads overkomen."--"Een brief van vrijgeleide?" vroeg
de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. "Mijn lieve kind,
dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw
storen. En toch, kindlief?" en hij wendde zich om, naar mijne moeder,
"als ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll;
wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten
zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.--En gij
zegt," zoo sprak hij weder tot Fieken, "dat uw neef Hendrik met u
wil gaan?"--"Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang."--"Roep hem
eens binnen!"
Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de
schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van
die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke
zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't
eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon," vroeg de oude heer, "wilt
gij met Fieken gaan?" "Ja, mijnheer." "En wilt gij haar beschermen,
en bij haar blijven?" "Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn
wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had,
dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast
gaan."--"Mijnheer de baljuw!" riep mijne moeder, "help hem bij zijn
voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het
noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond,
op de straat gerukt, en dan in dat weder!"--"'t Is waar, kindlief,
't is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje,
de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.--Mijn
mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet,
dat hij die gebruikt. En, kindlief," zeide hij tot mijne moeder,
"wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze
te moeten missen."--"Frits," zei de vrouw van den baljuw tot mij,
"loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw
Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven."
Nu ging men aan 't pakken; het was spoedig in orde, en toen alles
op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol
boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen;
de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven
had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: "Gij zijt dus de zoon van
Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?" "Ja,
mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook
wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben
daarom hier gekomen en 'k heb ook al met den molenaar gesproken en
naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die
zaak in orde." "Mijn zoon," zeide de oude heer en gaf hem de hand en
drukte de zijne: "vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij;
maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den
molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt
wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!"--Dit zeggende, keerde
hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: "'t Is een
prachtig meisje, kindlief!"--
"Wat heeft de baljuw je gezegd?" vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare
zijde zat, en de wagen afreed. "Och, hij zeî maar zoo wat," sprak
Hendrik. "Maar, je zult koû vatten!" voegde hij er bij en wikkelde
haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.
Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden
hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen
medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die
jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de
klei had gewerkt. "De burgemeester heeft de plaat gepoetst!" riep
hij langs de straat. "De burgemeester is op den bruine van den
ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en,
roef! was hij weg."--"Jongen, wat praat je?" zeide de vrouw van den
schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.--"Ja,
buurvrouw," zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam;
"de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een
aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en
leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos
hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft."
Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: "de
burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!" en
de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een
gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij
er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche
Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. "Mevrouw
Reuter!" riep hij. "Schrik niet!--Mijnheer de baljuw! 't Is wat
goeds!--'t Is wat goeds, mevrouw Weber!--Mamsel Westphalen, hoe is
't mogelijk!--Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!"--Och,
goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan
handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne
betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde
hem uit alle macht: "Luth," riep hij, "man, bedenk u toch! Wij zijn
hier niet gestemd voor grappen."--De vrouw van den baljuw ging vol
bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat
stijf en strak en zeide: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is
een hansworst!"--"Mijnheer de baljuw," riep Luth en liet zich schudden,
"geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien,
en heeft het mij gezegd."
"Frits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?" vroeg de oude heer, den
politiedienaar loslatende.--"Mijnheer de baljuw," zeide mamsel
Westphalen heel bedaard: "zooals de een heet, ziet de ander er
uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als
zijn neus en de maan." "Waar is de jongen?" vroeg de baljuw.--"Hij
staat hier buiten, op de gang," antwoordde Luth.
Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten:
"Frits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!"--Frits Sahlmann
kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om
zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweêrsbui,
omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de
andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de
andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den
goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening
gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk
zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus
dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog
vallen moest.--"Frits Sahlmann," vroeg de oude heer, "wat is dat
alles?"--Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort
van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn
onderdeel. "O, 't is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje
droge klei."--"De hemel beware ons!" riep de vrouw van den baljuw,
"wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?"--"Daar
moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen,"
zeide mamsel Westphalen heel bedaard.--"Jongen," sprak de baljuw;
"zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester
gevlucht of niet?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zeide Frits en keek
weder op, "hij is hun ontsnapt!"--"Leugens!" riep mamsel Westphalen
er tegen in. "Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid
komen?"--"Vertel het, Frits!" zeide de oude man, en Frits vertelt.
't Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten
en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht
toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de
geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef
zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om
zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet
met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester
Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag:
"Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?" Baas Tröpner,
gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als
een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een
beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen:
"Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles
heb aangezien." Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan,
liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg,
en besloot zijne vertelling met deze woorden: "En aldus sprong de
burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de
ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter
den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de
handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van
den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd
maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon."--"En de
Franschen?" vroeg de oude heer.--"O, mijnheer de baljuw, die waren
half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal
af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid
op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den
schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen
de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden,
doordien wij den berg afliepen." "Kindlief," riep de oude baljuw, "die
kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel,
flink als een geweerslot, kindlief!"--Maar zij, voor wie deze woorden
bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en
schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den
arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene
duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat
mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen;
zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.
Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en
leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart
dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het
beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren,
heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag
van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne
toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en
de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt
er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?
't Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven,
een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;--ik
weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine
klok aan, en luisterde naar den slinger,--een korten tijd! Ik zag
op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel;
mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook;
zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 't laatste ruischen
der engelenvleugels, zeide zij: "Frits, mijn jongen, ga naar het
slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren
geven."--"En ik, mijnheer de baljuw," sprak Luth, "wil naar Gulzow
gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester
niet misloopen."--De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar
mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: "Gij, en hier,
uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken."