VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene

ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom

Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.

De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren,

was deze. Goede hemel, wat zag het er in de kamer mijner moeder uit!

Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat

niet was, zooals het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten

geest had, en eene levendige verbeelding, die haar alles dadelijk

deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch

reeds gewend, bedaard te blijven, en wat komen moest met onderwerping

te dragen; maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder

is het, in de onmogelijkheid te verkeeren, om zich zekerheid te

verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op de gang

hoorde en de driftige woorden van den Franschman, en het haastige

bevel van den overste, vermoedde zij, wat daar gebeurde, zonder dat

zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen

mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar

hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon,

dat zij niet dáár stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mijnen

vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam,

was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.

De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op

de lippen, binnengetreden; doch toen hij haren toestand gewaar werd,

dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen:

"Kindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?" De oude baljuw, die anders

niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel

in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden,

dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote

tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom,

waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: "Dit is toch eene

zeer zonderlinge zaak!"--Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw

van den baljuw en mamsel Westphalen te hulp. Ik had mij bij mijne

moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: "Moeder, lieve moeder,

hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal

wezen!"--Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en,

was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.

Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige

redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende

het bewijs zijner beleefdheid wil geven;--maar 't is de moeilijkste

taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend, in een ander hart,

dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij

gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend

is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware

taak wordt eene onmogelijkheid, zoodra de mensch aan zijne eigene

troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier

het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte

den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in

haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor

troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had

één mensch op de wereld troostgronden, dan was het de oude baljuw,

en hij was er heden niet karig mede.

Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik

nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel

Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de

oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de

mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig

getroost; en, waar een boom een duchtigen regen verlangt, dáár wordt

een grashalm al verfrischt door een dauwdrop.

Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen

en deelde den baljuw mede, dat Fieken van den molenaar Voss buiten

stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. "Kindlief,"

zeide de oude heer, "dat is een braaf meisje, dit weet ik zeker; en

zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier

hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? "Est solamen

miseris socios habuisse malorum." 'k Zal dat later wel eens voor u

vertalen.--Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen."

Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid

lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik

ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op

andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar

geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich

niet van haar voornemen liet afbrengen, en in haar open gelaat was

het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht

en billijk beschouwde. Zij had over hare driehoekige muts, voor den

regen, een rooden doek gebonden, en zij stond zóó net in haar rood en

groen gestreepten halfwollen rok voor den ouden heer, dat hij zich naar

zijne vrouw toekeerde en half overluid zeide: "Wel, hoe vindt gij 't,

Netje?"--Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van

den baljuw en mijne moeder en mamsel Westphalen toe,--maakte ook voor

haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden,

eenvoudigen tijd het gebruik.

"Mijnheer de baljuw," zeide Fieken, "mijn vader en onze boeren hebben

altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig,

van in mijn leed eens bij u te komen."--"Wat hebt gij dan wel op uw

hart, mijn dochtertje!" vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne

hand op het hoofd leggende.--"Mijnheer, mijn vader is onschuldig,"

ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de

oogen.--"Dat hij dat is, weet ik, mijn kind," zeide de oude heer en

knikte met het hoofd. "En daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet

spoedig vrijkomt," sprak Fieken.--"Hm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou

niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat

geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden

reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te

onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en

't is nog erger, als de goede wil ontbreekt."--"Daarvoor ben ik niet

bang," viel Fieken hier schielijk op in; "vrijkomen moet hij, en dat

spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en

dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen."--"Lief

kind," hernam de oude heer en schudde het hoofd; "gij zijt jong, en

soldaten zijn ruwe gasten; 't zou geen troost voor uwen vader zijn,

zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt."--"Mijnheer! 'k wou

ook niet alléén meêgaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem

Voss, wou met mij gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven,

zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven, dan

kon ons niets kwaads overkomen."--"Een brief van vrijgeleide?" vroeg

de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. "Mijn lieve kind,

dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw

storen. En toch, kindlief?" en hij wendde zich om, naar mijne moeder,

"als ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll;

wat dunkt u, Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten

zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet.--En gij

zegt," zoo sprak hij weder tot Fieken, "dat uw neef Hendrik met u

wil gaan?"--"Ja, mijnheer, hij staat hier op de gang."--"Roep hem

eens binnen!"

Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe kerel, breed in de

schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van

die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke

zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't

eene schrijfpen was. En gij, mijn zoon," vroeg de oude heer, "wilt

gij met Fieken gaan?" "Ja, mijnheer." "En wilt gij haar beschermen,

en bij haar blijven?" "Ja, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn

wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Fransozenvee er niets tegen had,

dan konden de gevangenen met Fieken rijden, en ik zou er dan naast

gaan."--"Mijnheer de baljuw!" riep mijne moeder, "help hem bij zijn

voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man het

noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond,

op de straat gerukt, en dan in dat weder!"--"'t Is waar, kindlief,

't is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Fieken. En, Netje,

de oude molenaar is ook zonder kleêren weggegaan: zorg daarvoor.--Mijn

mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; want ik weet,

dat hij die gebruikt. En, kindlief," zeide hij tot mijne moeder,

"wie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze

te moeten missen."--"Frits," zei de vrouw van den baljuw tot mij,

"loop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw

Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven."

Nu ging men aan 't pakken; het was spoedig in orde, en toen alles

op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol

boterbroodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen;

de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven

had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: "Gij zijt dus de zoon van

Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?" "Ja,

mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook

wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben

daarom hier gekomen en 'k heb ook al met den molenaar gesproken en

naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die

zaak in orde." "Mijn zoon," zeide de oude heer en gaf hem de hand en

drukte de zijne: "vooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij;

maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den

molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt

wordt, kom mij dan niet weêr onder de oogen!"--Dit zeggende, keerde

hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: "'t Is een

prachtig meisje, kindlief!"--

"Wat heeft de baljuw je gezegd?" vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare

zijde zat, en de wagen afreed. "Och, hij zeî maar zoo wat," sprak

Hendrik. "Maar, je zult koû vatten!" voegde hij er bij en wikkelde

haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.

Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden

hen te gemoet, die nog een poos met de Franschen en de gevangenen

medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann. Wat zag die

jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de

klei had gewerkt. "De burgemeester heeft de plaat gepoetst!" riep

hij langs de straat. "De burgemeester is op den bruine van den

ouden Bräsig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en,

roef! was hij weg."--"Jongen, wat praat je?" zeide de vrouw van den

schoenmaker Bank, die, over de onderdeur, naar haren man uitkeek.--"Ja,

buurvrouw," zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam;

"de burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een

aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en

leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos

hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft."

Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: "de

burgemeester is op den bruine van Bräsig de Franschen ontvlucht!" en

de politiedienaar Luth stoof de kamer mijner moeder binnen met een

gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij

er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche

Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. "Mevrouw

Reuter!" riep hij. "Schrik niet!--Mijnheer de baljuw! 't Is wat

goeds!--'t Is wat goeds, mevrouw Weber!--Mamsel Westphalen, hoe is

't mogelijk!--Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!"--Och,

goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan

handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne

betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde

hem uit alle macht: "Luth," riep hij, "man, bedenk u toch! Wij zijn

hier niet gestemd voor grappen."--De vrouw van den baljuw ging vol

bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel Westphalen zat

stijf en strak en zeide: "Met uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is

een hansworst!"--"Mijnheer de baljuw," riep Luth en liet zich schudden,

"geloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien,

en heeft het mij gezegd."

"Frits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?" vroeg de oude heer, den

politiedienaar loslatende.--"Mijnheer de baljuw," zeide mamsel

Westphalen heel bedaard: "zooals de een heet, ziet de ander er

uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaâr, als

zijn neus en de maan." "Waar is de jongen?" vroeg de baljuw.--"Hij

staat hier buiten, op de gang," antwoordde Luth.

Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten:

"Frits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!"--Frits Sahlmann

kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om

zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweêrsbui,

omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voorwaarts en de

andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de

andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den

goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening

gemaakt, en er niet op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk

zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neêrgekomen, dus

dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog

vallen moest.--"Frits Sahlmann," vroeg de oude heer, "wat is dat

alles?"--Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort

van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn

onderdeel. "O, 't is niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje

droge klei."--"De hemel beware ons!" riep de vrouw van den baljuw,

"wat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?"--"Daar

moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen,"

zeide mamsel Westphalen heel bedaard.--"Jongen," sprak de baljuw;

"zeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester

gevlucht of niet?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zeide Frits en keek

weder op, "hij is hun ontsnapt!"--"Leugens!" riep mamsel Westphalen

er tegen in. "Hoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid

komen?"--"Vertel het, Frits!" zeide de oude man, en Frits vertelt.

't Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten

en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht

toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de

geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef

zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om

zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet

met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester

Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag:

"Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend?" Baas Tröpner,

gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als

een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een

beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen:

"Ik kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan het einde, alles

heb aangezien." Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan,

liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg,

en besloot zijne vertelling met deze woorden: "En aldus sprong de

burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de

ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter

den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de

handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van

den bruine onder zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd

maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon."--"En de

Franschen?" vroeg de oude heer.--"O, mijnheer de baljuw, die waren

half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal

af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunne toornigheid

op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers, en hebben den

schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen

de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden,

doordien wij den berg afliepen." "Kindlief," riep de oude baljuw, "die

kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel,

flink als een geweerslot, kindlief!"--Maar zij, voor wie deze woorden

bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en

schreide bitter. Toen er van schieten gesproken werd, drukte zij den

arm van de goede mevrouw Weber heel vast tegen zich aan, want eene

duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat

mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen;

zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.

Waren dat vreugdetranen? Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en

leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart

dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit het

beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren,

heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag

van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne

toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en

de traan, die op de aarde viel, was niet louter een vreugdetraan. Valt

er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan?

't Was geheel stil geworden: een engel scheen door de kamer te zweven,

een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons;--ik

weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine

klok aan, en luisterde naar den slinger,--een korten tijd! Ik zag

op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel;

mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook;

zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 't laatste ruischen

der engelenvleugels, zeide zij: "Frits, mijn jongen, ga naar het

slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren

geven."--"En ik, mijnheer de baljuw," sprak Luth, "wil naar Gulzow

gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester

niet misloopen."--De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar

mijne moeder, tegen wier knie ik leunde: en zeide: "Gij, en hier,

uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken."

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 17 / 26 题