Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank
een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al
de molens in 't geheele land in brand wil steken, en waarom
de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert
gereed houdt.
Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen,
marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden
Brandenburgschen weg op,--straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog
niet;--en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg
leidde, en dien de Stavenhager burgers den "paardendood" of ook wel,
"halsbrekerseinde" noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht:
"halt!" want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche
kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken,
en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied,
die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij
zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar
zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners
uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche
paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen
gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad
aan het lijf hield. "Vader Voss," zegt de bakker Witt, "wat is dat
een regen!"--"Mooi weêr voor de late gerst;" zegt de oude Voss,
"als iemand ze al gezaaid heeft." "Ik kan mijn hemd wel uitwringen,"
zegt de bakker.--"En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol," zegt
de molenaar.--"Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn' mantel
staan, om te schuilen," zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog
een beetje breeder, dan hij van nature was;--ik verheug mij maar, dat
deze tirannenknechten ook door en door nat worden."--Mijn vader ging
achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in
't oog gekregen.
Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden,
daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van
regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den
stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop Frits Sahlmann
heen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die 't nog niet wist,
de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd,
stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te
paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne
paarden niet voor goed zouden medenemen.--De oude inspektor Bräsig
was een zeer goed vriend van mijn' vader en toen Frits Sahlmann een
poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig
hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu
zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot
totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij
weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote
behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en
struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht
bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon,
in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. "Let goed op
dat paard!" zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen
uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.
Was mijn vader te voren al half oplettend op den inspektor en den
jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude
Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits
Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te
leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat
hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar
tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij
mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug
van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed
wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.
Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker
weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets
aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den
Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den
hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was
blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten
voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit
gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter
des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen
den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep
en teugel uit de hand, sprong op het paard en,--heb ik van mijn leven
zoo iets gezien!--holde den berg af.
"Feu, Feu!" schreeuwden de Franschen; "knak! knak!" zeiden de hanen;
en "misgeschoten!" antwoordde het oude geweerslot, want het kruit
was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.
Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester
zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een
vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al:
"Leve onze burgem...," toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de
schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te
volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen
gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering
van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel
bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij
te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat
hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard
af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen
kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het
vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger
was, onder den ouden windmolen [6] naar welken de berg zijn naam heeft.
Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. "Voor
den burgemeester is 't goed," sprak de oude Witt, en hij kamde zijne
natte haren met den koperen kam naar achteren; "dat hij op die manier
vrij is gekomen, maar voor ons is 't erg, want nu zijn wij, als de
bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog
wel vrij gekregen hebben."--"Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,"
zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe,
die zich ook onder den molen had geplaatst.--"Hm!" bracht oom Herse
daartegen in.--"Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij
recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken,
wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar
weet hij even zooveel van als.... als...."--"Als gij en ik, mijnheer
Herse," zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te
denken.--"Molenaar Voss," hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende;
"ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Wat gij
daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude
baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als
ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen
hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal
ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?" "Meent gij den ouden Jahn van
de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?"--"Och,
loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den
zwager van Kolloff in Luwkow."--"Neen, die man is mij onbekend." "Nu,
luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat
over en komt aan de Brandenburger poort,--want ze hebben in Berlijn
even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,--en hij
wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft,
die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat
hij daarbij wel denkt.--"Niets," antwoordt deze. Klets! krijgt hij een
draai om de ooren."--"Dat was brutaal," zegt de oude molenaar.--"Ja,
mijnheer Herse," zegt de bakker, "ik heb ook eene verduivelde losse
hand, maar...."--"Laat mij toch uitvertellen!" zegt mijn oom Herse;
"Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg
zeer verbaasd stond, "dit is een aandenken voor 't niets denken. Gij
hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit
Parijs moeten terug gaan halen."--"Ja, maar...." zegt Witt.--"Maar,
dat is dan toch...." zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter
niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: "Nu
vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt
gij daarbij?"--"Mijnheer Herse," zegt Voss, terwijl hij opstaat en
een beetje op een' afstand blijft. "Mijnheer Herse, gij zult mij toch
niet zóó trakteeren?"--"Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij
daarbij denkt?"--"Wel," zegt de molenaar en kijkt den molen van boven
tot beneden aan;--"wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een
oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten,
en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier
beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel
zullen moeten verteren."--"En daarin hebt ge gelijk, oude!" zegt
de bakker.--"En daarin heeft hij ongelijk!" roept mijn oom Herse:
"als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen
moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden,
al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden." Dit
zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen
rond.--"De hemel moge ons bewaren!" zegt de molenaar Voss, "wie zal
die schanddaad uitoefenen?"
"Ik!" zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij
de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken
moesten, en fluisterde hun toe: "Wanneer de landstorm uitrukt, dan
steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal,
en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat
jelui niet eens weet, wat een fanaal is."--"Mijnheer de raadsheer,"
zegt Voss, "'t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal,
of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt,
die zal er niet gemakkelijk afkomen."--"Windmolens, windmolens,
meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens
liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft
de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te
handelen, als ik?"--"Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij
niet gezegd," zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins
twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts
moest beteekenen.--"Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de
koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat
wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn
lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik
kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was,
waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en
'k sprak met dien man. "Majesteit," zou 'k zeggen, "gij zijt, geloof
ik, een beetje in verlegenheid."--"Hoe kan het anders, raadsheer,"
zegt hij--"ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas."--"Is 't
anders niet?" zeg ik. "Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts
eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,--licentia poetica heet
dat in 't latijn, molenaar Voss,--en een regiment grenadiers van de
garde." "Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer," zegt de koning,
en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein
in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en
plaats mij aan 't hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein
op marcheer. "Zijt gij nu allen hier?" vraag ik aan de joden.--"Ja,"
zeggen zij.--"Wilt gij nu vrijwillig," vraag ik hun, "de helft van
uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?"--"Dat
kunnen wij niet," zegt de een, "dan zijn we geruweneerd."--"Wilt gij,
of wilt gij niet?" vraag ik. "Geef acht!" kommandeer ik.--"Mijnheer
de raadsheer," zegt een ander, "neem een vierde part."--"Geen'
groschen minder dan de helft," zeg ik. "Maakt u gereed!"--"Wij
willen immers!" schreeuwden de joden.--"Mooi zoo!" zeg ik. "Gaat
dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne
Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld
voor de trappen van den troon neder."--Als zij allen boven geweest
zijn, ga ik ook naar boven. "Wel!" zeg ik, "Uwe Majesteit, hoe is
't nu?"--"Opperbest, mijn lieve raadsheer!" zegt hij. "Als 't andere
ook maar zóó was!" "Dat zullen wij krijgen!" zeg ik. "Geef mij maar
een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie
en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen." "Die zult
gij hebben," zegt de koning.--"Kostelijk!" zeg ik, en 'k marcheer
met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge
dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en
prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. "Richt eens
eene zeer hooge galg op!" zeg ik.--"Genade!" zegt hij.--"Niets komt
er in van genade!" zeg ik. "Dat is daarvoor, omdat jij hertog van
Mekklenburg hebt willen worden!"---"Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer
Herse," zegt Voss, "praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals
zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan
konden." "Dat zou verduiveld gek wezen!" hernam mijn oom Herse,
en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij
geen acht op hem sloegen, zeide hij: "gij zijt een oude bloodaard,
baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.--Alzoo: ik hang
hem op, en ruk links op, naar 't Hannoversche en val hem zelf, den
Korsikaan... nu! jelui weet het, wien 'k meen,... in den rug. Al het
andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.--Een
groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter
naar mij toe: "Wapenstilstand!"--"Daar kan niets van komen," zeg ik;
"voor de aardigheid zijn wij niet hier."--"Vrede!" laat hij mij
zeggen.--"Best!" zeg ik "Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas
en Lotharingen."--"Dat kan ik niet!" zegt hij, "mijn broeder moet
daarvan leven."--Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel
de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. "Dat mag de
drommel weten!" zegt hij; "daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen
raadsheer weder in mijne achterhoede!"--"'t Eerste regiment grenadiers,
velt 't geweer!" kommandeer ik, de batterij wordt genomen. "'t Tweede
regiment huzaren, voorwaarts!"--Hij waagt zich met zijn generalen staf
te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. "Hier is mijn
degen!" zegt hij. "Kostelijk!" zeg ik. "Ga gij nu maar meê. En gij,
kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan."--Nu
breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: "Uwe Majesteit van
Pruisen, hier is hij!"--"Mijnheer de raadsheer;" zegt de koning,
"verzoek een gunstbewijs voor u."--"Uwe Majesteit," zeg ik, "kinderen
heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein
pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige
wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug
te keeren."--"Zooals gij wilt," zegt de koning. "Maar onthoudt dit,
wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert
voor u gereed." Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar
Stavenhagen."--"Dat 's braaf van u!" zegt bakker Witt. "Maar, wat helpt
ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal 't achterstevoor
in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft u, en ons daarbij,
en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden,
dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste
van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en
ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten
geschud wordt."--"Och, loop!" zeide oom Herse; "dat 's geen kunst,
zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;--neen, mijn raad is,
dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van
ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand
de beste uitzoeken."
De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken;
hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de
landstraat heen. "Wat?" riep hij eindelijk uit, "dat is immers wel
haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van
Jochem Voss daar komen aanrijden?"
En... zoo was het.