DERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank

een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Herse al

de molens in 't geheele land in brand wil steken, en waarom

de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert

gereed houdt.

Toen onze gevangenen uit de Brandenburgsche poort kwamen,

marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden

Brandenburgschen weg op,--straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog

niet;--en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg

leidde, en dien de Stavenhager burgers den "paardendood" of ook wel,

"halsbrekerseinde" noemden, kommandeerden de manschappen van de wacht:

"halt!" want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche

kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken,

en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied,

die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij

zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar

zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners

uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche

paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen

gekommandeerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad

aan het lijf hield. "Vader Voss," zegt de bakker Witt, "wat is dat

een regen!"--"Mooi weêr voor de late gerst;" zegt de oude Voss,

"als iemand ze al gezaaid heeft." "Ik kan mijn hemd wel uitwringen,"

zegt de bakker.--"En mijne laarzen loopen zachtjes aan al vol," zegt

de molenaar.--"Mijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn' mantel

staan, om te schuilen," zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog

een beetje breeder, dan hij van nature was;--ik verheug mij maar, dat

deze tirannenknechten ook door en door nat worden."--Mijn vader ging

achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in

't oog gekregen.

Boven, op den rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden,

daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van

regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den

stoet medegegaan waren, en tusschen dien troep kroop Frits Sahlmann

heen en weêr en vertelde aan dezen en genen, die 't nog niet wist,

de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd,

stond hij juist bij den ouden inspektor Bräsig uit Jurusdorf, die te

paard gekomen was en met de Franschen moest rijden, opdat zij zijne

paarden niet voor goed zouden medenemen.--De oude inspektor Bräsig

was een zeer goed vriend van mijn' vader en toen Frits Sahlmann een

poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Bräsig

hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu

zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot

totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij

weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote

behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en

struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht

bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon,

in de modder. Mijn vader bukte en hielp hem overeind. "Let goed op

dat paard!" zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Franschen

uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.

Was mijn vader te voren al half oplettend op den inspektor en den

jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude

Bräsig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits

Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te

leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat

hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar

tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij

mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug

van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed

wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmeê toe.

Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker

weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets

aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den

Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den

hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was

blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten

voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit

gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter

des raadsheers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen

den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep

en teugel uit de hand, sprong op het paard en,--heb ik van mijn leven

zoo iets gezien!--holde den berg af.

"Feu, Feu!" schreeuwden de Franschen; "knak! knak!" zeiden de hanen;

en "misgeschoten!" antwoordde het oude geweerslot, want het kruit

was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.

Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester

zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een

vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al:

"Leve onze burgem...," toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de

schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te

volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen

gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering

van den inspektor Bräsig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel

bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij

te paard was gekomen, of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat

hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard

af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen

kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het

vrije veld opgebracht en van dáár, omdat dit toch een weinig droger

was, onder den ouden windmolen [6] naar welken de berg zijn naam heeft.

Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. "Voor

den burgemeester is 't goed," sprak de oude Witt, en hij kamde zijne

natte haren met den koperen kam naar achteren; "dat hij op die manier

vrij is gekomen, maar voor ons is 't erg, want nu zijn wij, als de

bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog

wel vrij gekregen hebben."--"Ja, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,"

zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Bräsig toe,

die zich ook onder den molen had geplaatst.--"Hm!" bracht oom Herse

daartegen in.--"Vriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij

recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken,

wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar

weet hij even zooveel van als.... als...."--"Als gij en ik, mijnheer

Herse," zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te

denken.--"Molenaar Voss," hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende;

"ieder spreekt voor zich zelven en niet voor de anderen. Wat gij

daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude

baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als

ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen

hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal

ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?" "Meent gij den ouden Jahn van

de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?"--"Och,

loop! den Turner-Jahn meen ik, die op dit oogenblik in Berlijn is; den

zwager van Kolloff in Luwkow."--"Neen, die man is mij onbekend." "Nu,

luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat

over en komt aan de Brandenburger poort,--want ze hebben in Berlijn

even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen,--en hij

wijst naar boven, waar de godin der overwinning vroeger gestaan heeft,

die de Franschen meêgenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat

hij daarbij wel denkt.--"Niets," antwoordt deze. Klets! krijgt hij een

draai om de ooren."--"Dat was brutaal," zegt de oude molenaar.--"Ja,

mijnheer Herse," zegt de bakker, "ik heb ook eene verduivelde losse

hand, maar...."--"Laat mij toch uitvertellen!" zegt mijn oom Herse;

"Sinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg

zeer verbaasd stond, "dit is een aandenken voor 't niets denken. Gij

hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin der overwinning uit

Parijs moeten terug gaan halen."--"Ja, maar...." zegt Witt.--"Maar,

dat is dan toch...." zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter

niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: "Nu

vraag ik u, molenaar Voss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat denkt

gij daarbij?"--"Mijnheer Herse," zegt Voss, terwijl hij opstaat en

een beetje op een' afstand blijft. "Mijnheer Herse, gij zult mij toch

niet zóó trakteeren?"--"Ik vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij

daarbij denkt?"--"Wel," zegt de molenaar en kijkt den molen van boven

tot beneden aan;--"wat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een

oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten,

en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier

beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel

zullen moeten verteren."--"En daarin hebt ge gelijk, oude!" zegt

de bakker.--"En daarin heeft hij ongelijk!" roept mijn oom Herse:

"als hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen

moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden,

al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden." Dit

zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen

rond.--"De hemel moge ons bewaren!" zegt de molenaar Voss, "wie zal

die schanddaad uitoefenen?"

"Ik!" zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij

de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken

moesten, en fluisterde hun toe: "Wanneer de landstorm uitrukt, dan

steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal,

en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat

jelui niet eens weet, wat een fanaal is."--"Mijnheer de raadsheer,"

zegt Voss, "'t is mij alles egaal of het een fanaal, of een kanaal,

of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt,

die zal er niet gemakkelijk afkomen."--"Windmolens, windmolens,

meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? Watermolens

liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft

de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo te

handelen, als ik?"--"Dat hij molens in brand wil steken, heeft hij

niet gezegd," zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins

twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts

moest beteekenen.--"Mijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de

koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat

wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn

lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik

kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was,

waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en

'k sprak met dien man. "Majesteit," zou 'k zeggen, "gij zijt, geloof

ik, een beetje in verlegenheid."--"Hoe kan het anders, raadsheer,"

zegt hij--"ik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas."--"Is 't

anders niet?" zeg ik. "Dat is eene kleinigheid! Geef mij slechts

eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil,--licentia poetica heet

dat in 't latijn, molenaar Voss,--en een regiment grenadiers van de

garde." "Die zult gij hebben; mijn lieve raadsheer," zegt de koning,

en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein

in Berlijn bij elkaâr komen, zet het slot af met mijne grenadiers en

plaats mij aan 't hoofd van eene kompagnie, waarmeê ik het slotplein

op marcheer. "Zijt gij nu allen hier?" vraag ik aan de joden.--"Ja,"

zeggen zij.--"Wilt gij nu vrijwillig," vraag ik hun, "de helft van

uw vermogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen?"--"Dat

kunnen wij niet," zegt de een, "dan zijn we geruweneerd."--"Wilt gij,

of wilt gij niet?" vraag ik. "Geef acht!" kommandeer ik.--"Mijnheer

de raadsheer," zegt een ander, "neem een vierde part."--"Geen'

groschen minder dan de helft," zeg ik. "Maakt u gereed!"--"Wij

willen immers!" schreeuwden de joden.--"Mooi zoo!" zeg ik. "Gaat

dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; dáár zit Zijne

Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld

voor de trappen van den troon neder."--Als zij allen boven geweest

zijn, ga ik ook naar boven. "Wel!" zeg ik, "Uwe Majesteit, hoe is

't nu?"--"Opperbest, mijn lieve raadsheer!" zegt hij. "Als 't andere

ook maar zóó was!" "Dat zullen wij krijgen!" zeg ik. "Geef mij maar

een stuk of twintig regimenten infanterie, tien regimenten kavalerie

en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen." "Die zult

gij hebben," zegt de koning.--"Kostelijk!" zeg ik, en 'k marcheer

met mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge

dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; en

prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. "Richt eens

eene zeer hooge galg op!" zeg ik.--"Genade!" zegt hij.--"Niets komt

er in van genade!" zeg ik. "Dat is daarvoor, omdat jij hertog van

Mekklenburg hebt willen worden!"---"Ik smeek u, om Gods wil, mijnheer

Herse," zegt Voss, "praat toch niet zoo, dat het u en ons den hals

zou kosten; denk maar eens als die kerels daar wat van verstaan

konden." "Dat zou verduiveld gek wezen!" hernam mijn oom Herse,

en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij

geen acht op hem sloegen, zeide hij: "gij zijt een oude bloodaard,

baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch.--Alzoo: ik hang

hem op, en ruk links op, naar 't Hannoversche en val hem zelf, den

Korsikaan... nu! jelui weet het, wien 'k meen,... in den rug. Al het

andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak.--Een

groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter

naar mij toe: "Wapenstilstand!"--"Daar kan niets van komen," zeg ik;

"voor de aardigheid zijn wij niet hier."--"Vrede!" laat hij mij

zeggen.--"Best!" zeg ik "Rhijnland en Westphalen, de geheele Elzas

en Lotharingen."--"Dat kan ik niet!" zegt hij, "mijn broeder moet

daarvan leven."--Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel

de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. "Dat mag de

drommel weten!" zegt hij; "daar brengt het ongeluk dien sakkermentschen

raadsheer weder in mijne achterhoede!"--"'t Eerste regiment grenadiers,

velt 't geweer!" kommandeer ik, de batterij wordt genomen. "'t Tweede

regiment huzaren, voorwaarts!"--Hij waagt zich met zijn generalen staf

te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. "Hier is mijn

degen!" zegt hij. "Kostelijk!" zeg ik. "Ga gij nu maar meê. En gij,

kinderen, kunt nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan."--Nu

breng ik hem geboeid aan den voet van den troon: "Uwe Majesteit van

Pruisen, hier is hij!"--"Mijnheer de raadsheer;" zegt de koning,

"verzoek een gunstbewijs voor u."--"Uwe Majesteit," zeg ik, "kinderen

heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein

pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige

wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug

te keeren."--"Zooals gij wilt," zegt de koning. "Maar onthoudt dit,

wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert

voor u gereed." Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar

Stavenhagen."--"Dat 's braaf van u!" zegt bakker Witt. "Maar, wat helpt

ons die heele, mooie krijgskunde? De zaak is ditmaal 't achterstevoor

in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft u, en ons daarbij,

en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden,

dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste

van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en

ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten

geschud wordt."--"Och, loop!" zeide oom Herse; "dat 's geen kunst,

zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen;--neen, mijn raad is,

dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van

ons een paar krijgslisten bedenken; dan kunnen wij daarvan naderhand

de beste uitzoeken."

De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken;

hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de

landstraat heen. "Wat?" riep hij eindelijk uit, "dat is immers wel

haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van

Jochem Voss daar komen aanrijden?"

En... zoo was het.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 16 / 26 题