TWAALFDE HOOFDSTUK.

Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander

bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn

jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn' vader en mijn

oom Herse wegsleepte.

Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich

regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar

hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner

moeder;--want wij woonden in het raadhuis.

Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar

heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig

en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet

eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de

onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne

gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede

vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk

van waar de wind waait,--zoo weet eene goede vrouw al lang te voren,

dat er iets aan de lucht broeit.

De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: "Goeden

morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche

volk!" Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van

den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en,

met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar

uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat

er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van

zijn' studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf

Diederik--"de professor juris utriusque in Rostock, kindlief!"--in

een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem

hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte

verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in

hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig,

alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade

dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken

las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren

't niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden

baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.

Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in

plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon

hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte

beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,--want

die was toen nog niet bestraat,--toen de deur geopend werd en de

Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne

moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.--Wij, kinderen,

hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een'

hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is,

en wij dachten zeker ook wel: "Wat moet dat worden?" Hetzelfde dacht

mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig

aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en

deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De

Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag

eene vriendelijke beleefdheid in zijn' toon van spreken, toen hij

den ouden heer vroeg: "Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in

de gerechtszaal den naam "Weber;" heet gij Weber?"--"Jochem Hendrik

Weber," zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.--"Hebt

gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?"--"Adolf Diederik,

professor in Rostock?" antwoordde de oude heer, en verroerde geen

lid.--"Mijnheer de baljuw," zeide de Franschman, en hij strekte

zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen

morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u,

dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een' naam gelezen die mij

diep in 't harte geschreven is. Zie eens, hier: "Renatus Von Toll,"

"Nu, kent gij dien man?" vroeg de oude heer, en 't was alsof in zijn

gelaat een schoon morgenrood opdaagde. "Zou ik hem niet kennen!" riep

de overste uit;--"hij is mijn vader."--"Man!" zeide de oude heer:

"man!--wat zegt gij?" En hij schoof den overste een eind van zich af en

keek hem in de oogen; "zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?"--"Ja! en

hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van

de beide Weber's, van de beide lange Mekklenburgers."--"Kindlief,"

riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, "van wien heb ik u

verteld?--het meeste verteld?--Niet waar? Van den braven Westphaler,

van Renatus?" Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in

de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed

komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit,

en werden vrijmoediger, en 't was ons, alsof iemand van de naaste

familieleden t'huis gekomen was.--"Jongske, jongske!" riep de

baljuw, "'k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche

uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen," voegde hij

er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar

't aangezicht vloog, "zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine

oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?--Een kostelijk mensch,

kindlief!" sprak hij tot mijne moeder, "een mensch, wien onze goede God

den naam man op 't voorhoofd geschreven heeft!"--De overste zeide nu,

dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine

haar al verbleekt was.--"Ja wel," sprak de baljuw, "dat moet wel zóó

wezen; Adolf Diederik's haar is ook al grijs.--Maar nu, manlief, ga

nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het,

't is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij

mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier;

gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan

niet anders dan een braaf Duitscher zijn." Mijne moeder, die zag,

hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan

bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen

hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas;

dat hij zwijgen zou.--Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg

haar: "Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?" Thans was de beurt

om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in

dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en

zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: "Mijnheer

de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een

half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt,

ook niet bevallen kan,--dat wil ik toegeven,--ik wil haar toch niet

onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt,

dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen

moet,--gij hebt gelijk;--doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt

aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij

hiermede geen beroep op mijn geweten doen, maar op dat van mijn'

landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen

in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren,

naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al

zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind

Duitschland anders dan het geweest is;--wat mij door 't hoofd en door

't hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig

mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn' vader geschieden;

voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn:

't is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over

deze aangelegenheid gesproken heb."

Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij

zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen

hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware,

trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt,

en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: "Dat is dan

eene andere zaak!" Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en

sprak: "Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll

heeft gelijk. 't Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!" Daarop nam

hij de hand van den overste en vroeg: "Mijn lieve jonge vriend, kunt

gij waarlijk hier niet blijven?" En toen de officier hem verzekerde,

dat dit onmogelijk was, riep hij mij. "Frits," zeide hij, "jongen,

je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw

van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier

een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een

verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,"

zeide hij tot mijne moeder.

Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook

niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht,

zoo als 't hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje,

om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens

te hoeden.

Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich

voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er

voor, in orde, en het bataljon stond in 't gelid, en men kon zien, dat

het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis,

doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel

Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve

wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers,

bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde

haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de

kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl

hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde

zich aan, alsof die goede ziel in 't water wou springen, en zij haar

voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog

eens een "gauwdief" los, maar 't halve vuur was toch maar in hem,

en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar

werd, viel hem zijn eigen' huishouding in en hij riep mij. "Fritsje,"

zeî hij, "loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een

suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de

vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen,

want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen

meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij 't vroeger al met mijn

vijfjarig bruintje gedaan hebben."

Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het

suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar,

met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met

zijn' wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den

rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele

nest uitgehaald.

Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die

bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: "Hebt

gij het geld afgegeven?"--De oude molenaar wees naar de gerechtszaal

en zeide: "Dáár ligt het."--"Vader, wees dan maar getroost: onze

goede God zal u niet verlaten."

Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr

gegaan; 't moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens

stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van

de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat

hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.

Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: "bon!" Hij werd een'

heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette

welgemoed zijn arm in de zijde.

Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den

overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn

voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar

de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide

dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen

dook driemaal met eene nijging onder en zeide: "Ik bedank u wel,

overste Von Toll."--Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den

hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste

voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de

adjudant: "Marsch!" En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer

Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had

den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij

met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide:

"Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u."--Met

den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich

uit, schoot nog een paar "gauwdieven," luk of raak, in de lucht af; gaf

nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de

deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne

kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch

en in 't Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn

vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom

de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een

gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen;

dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene

misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers

ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk,

dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan

aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want

de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd

dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.--Hij had de uniform

misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.--Mijn vader riep,

dat zulks niet waar was;--het was geen misbruik, zoo iemand zich

door eene onschuldige list roovers en schurken van 't lijf hield,

en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den

mantelzak van den Franschman te vinden.

De adjudant zag mijn' vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij

hem gaarne zijn degen' wilde doen voelen, de overste trad nader met

een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de

hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die

zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep:

"Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan ben

ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan:

indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het."--"Dat

kan geschieden!" sprak de overste kortaf. "Laat dien man los en

neemt dezen hier!"--"Kindlief," riep mijnheer de baljuw hem toe,

"wat doet gij?"--"Mijn plicht, mijnheer de baljuw," zeide de overste,

hem de hand gevende. "Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is

verstreken." Met die woorden ging hij het huis uit.

De geheele zaak ging zoo schielijk in 't werk, dat de meesten volstrekt

niet wisten, wat er van was; ik wel het allerminste, want ik was nog

maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader

een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus

te schreien en toen de kleine Droi's hunne tranen droogden, liepen de

mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen

hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. "Mijnheer de

baljuw," zeide mijn vader, "troost gij mijne arme vrouw! en, Frits,"

riep hij mij toe, "haal jij mijn hoed eens."--Ik liep naar binnen om

zijn' hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mij op,

gaf mij een kus, en fluisterde mij toe: "Zeg aan moeder, dat ik gauw

weêr hier kom."

Nu ging de stoet op weg! twee man vóór, twee man achter, en in

het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen

zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en

wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de

artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten, van wege het

wegloopen van de boeren.

"Goede God!" zeide mijn vader, "raadsheer Herse, wat beteekent dat

met u?" "Voor 't vaderland, burgemeester!" riep mijn oom Herse;--"ik

heb mij met mamsel Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu

heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk

is 't wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme

boeren."--Zij deelden nu elkander in 't kort hun wedervaren mede,

en mijn oom Herse ging met zijn' driekanten hoed en zijn geborduurden

kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel kommandeerde. Mijn

oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit

als zijn grootsten eeredag, en alsof hij 's nachts, na den regen,

nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de

Brandenburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en

christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen

toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger

op zijn' mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken

dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of

de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer

hadden medegenomen, omdat zij een generaal van hem wilden maken;

maar de anderen zouden wel opgehangen worden.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 15 / 26 题