ELFDE HOOFDSTUK.

Waarom de bakker Witt, door zijn' meerschuimen pijpekop,

meê in 't komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als

eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt,

en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.

Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad

nog veel bonter uit. 't Is waar, wanneer zoo'n troep inkwartiering

eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en

de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr

getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt,

en dáár de overmoed snoeft,--dan kan 't niet stil toegaan, gelijk in

de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden

Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden

liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan:

"rust is de eerste burgerplicht," toen ging het toch rustiger toe,

dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen

sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust

geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één

schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte

laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen,

en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen:

"Ik moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier,

als de Fransozen komen;"--en hij liep naar 't elzenmoeras en kroop in

't riet.--Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven

tot beneden.

De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich

verweren. Schill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel

Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar 't

kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. Schill trok dwars door

Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de

Mekklenburgers hem den pas bij Bamgarten en Tribsees afsnijden;

zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een

huzaar van Schill nam een geheel rot lange Mekklenburgsche

grenadiers gevangen. "Kinderen," riep hij hun toe, "zijt gij allen

gevangen?"--"Neen," zeide de brave korporaal, "niemand heeft ons

wat gezegd."--"Nu, gaat dan maar meê!" En zij gingen meê. Was dat

lafhartigheid? Was dat vrees?--Wie onze landslieden in 1813 en 1814

gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft

gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is,

om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.--Neen! dat

was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen,

wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het

spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was

Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is 't

geweest, en zóó moet het ook blijven.

En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den

Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid

afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam

als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche

mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den

woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die

van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan

had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld

in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en

de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland

was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en

kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen:

"Opstand tegen den menschenmoorder!"--Dat was het veldgeschreeuw. Maar

het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep

onervarene jongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede;

neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene

samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met

weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de

jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg

de eerste vlam omhoog;--wij Nederduitschers houden niet van vuur op de

straat;--neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman

kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een

vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch

overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn

een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in

den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven,

die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand

waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen

wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de

haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp;

en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het

zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader,

het hem zóó in te prenten, dat hij 't in zijn leven niet vergeet.

Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen

roken 't in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond,

waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet

moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige

ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij

zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne

hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den

tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds

weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met

opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene

verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van

allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur

hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden,

want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.

Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens

geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij 't echter verstaan

in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den

ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur

teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte,

en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij

zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste

de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen

pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn

overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de

voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in

de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo'n kleinen

steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min

of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in

de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet

vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen,

en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander,

totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude

bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar 't raadhuis gesleept,

want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen

mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had,

't hielp geen zier, hij moest meê.

Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in

't verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met

het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als

burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval,

zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat

de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken,

had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?--De horlogemaker zal

het zelf wel zeggen, of indien hij 't niet zegt, moet hij toch, door

mamsel Westphalen's getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er

daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken

waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem

willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat

in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en

dat hij geheel uit eigen' beweging het geld had geleverd, en ook het

paard van den "chasseur" door hem, zonder omwegen, werd aangewezen,

als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit

een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken,

dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene

vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden,

dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar

als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.

Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den

bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat

er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd,

waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en

voor zijn "gauwdieven en roovers," een paar "bougres" en "sacres"

terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het

daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en

mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.--"Mijn'

pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien

zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik

een Stemhager burger, of niet?" De Franschen tierden en raasden

daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de

auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en

meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman

aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en

zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten

en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche

bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of

begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als

krijgscontributiën aan te zien?--Hierdoor had hij den Franschman erg

op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen,

dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een

prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield,

was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn

kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in

zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor

zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak;

en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land,

dat men er de varkens wel meê voeren kon.--De Franschman schuimbekte

van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer

uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt

voor mijn vader op en liet een paar maal "schooiers en schurken"

hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne

vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von

Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden

had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had;

hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar,

de bakker was dezelfde man, die het chasseur's-paard in zijne schuur

had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot

complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp

aan,--en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand;

en, zoo 't er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek,

waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin.

Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast,

de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring

gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam

in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een

eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn "Ziegenhainer"

in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter

hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich

stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar

breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als

zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke

Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide,

toen zij er doordrong: "Mosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de

baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun."

Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het

venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den

tolk, wie hij was en hoe hij heette.--"Ik ben eerste ambtenaar hier

in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber." En

dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam

"Jochem Weber" was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe

te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan,

en 't scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het

blijven en keek weder het venster uit.

Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. "Ik

dank u," zeide hij, "tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en,

verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende

te kunnen afdoen."--Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging,

alles wat hem van den chasseur bekend was. "En," zeide hij aan 't

slot zijner rede, "indien iemand het den molenaar tot eene misdaad

zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken

maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel

heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te

zeggen."--Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide

dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn

bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk

wilde zijn.--"En daar lacht gij om?" vroeg de oude heer, zoo bedaard,

alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. "Is dat in Frankrijk niet

zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de

menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene

rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als

men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar

flesschen wijn van den hals schuift?"--Nu had de Franschman weêr eene

gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Fransche chasseur,

dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd,

niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging

met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur

grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard,

ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman

een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide:

"Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die

het voeren. Die soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels

niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders

te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels."--Hiertegen

viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een' geschikten

zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer,

hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht

op het slot te doen had gehad?--"Daar vraagt gij mij te veel," zeide

mijnheer de baljuw; "ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel 's

avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien,

en dat hij 's nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen

of weten geschied." De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met

den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf

mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich

niet uit het raadhuis zou verwijderen. "Best!" zeide de oude heer,

en keerde zich om. "Dus, totdat de zaak beslist is."

Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche

overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens

zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer

het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te

lezen: hij was namelijk uit den Jena'schen studententijd van den

ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer

de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo'n

halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: "Met uw

verlof, mijnheer de overste, mijn stok."--De overste zag een weinig

verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging,

ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en

Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar "Alt, alt!" schreeuwde

de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.

Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van

dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd

begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den

Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein,

haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar

weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat

van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven

of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar

aan haren rokrand vast gehouden. "En," liet zij er op volgen, "Juffrouw

Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw

al te zamen geleerd heeft, en 't waren allen luchtige vogels; maar

zóó'n bonten vogel en zóó'n galgevogel, als deze Fransche auditeur,

was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een

bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op 't gezicht."

't Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben

grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze

er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen;

den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen

zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak

ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en

stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan

had. "Want," zeide zij later, "ik had gezien, hoe trotsch hij daar

gestaan had, en zijn geest kwam over mij."

De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?--"Ik weet

van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat

hij voor brood "du pain", en voor wijn "du vin", zegt; en dat is

alles."--Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?--"'k Weet niet,

hoe hij daarin komt, en 'k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat

zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen."--Waarom hij dien

avond op het slot was geweest?--"Op het slot komen vele menschen, en

louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen;

en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te

doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de

baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen."--Waarom de horlogemaker

dien avond niet naar huis was gegaan? "Omdat het een weêr was,

waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een

christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen,

hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat

hij 's nachts op de hazenjacht,--waarom niet bij dag, zooals andere

menschen?--en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot,

dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch

zit op een bankje met drie pooten;--en hij heeft onze Carolien willen

bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar

heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon

hij met zoo'n paal achteruit rondloopen, zij wou bij 't melken niet

voor uilenspiegel spelen."--Maar, waarom zij toch den horlogemaker

heimelijk in hare kamer had ontvangen?--Hier zweeg mamsel Westphalen

stil; het bloed vloog haar in 't aangezicht over de onbeschaamdheid

van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht

gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den

angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek

Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op

los. "Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!" En zij wilden

er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden

't aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest,

dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen."--'t Werd een vreeselijk

spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht,

dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen,

totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.

"Juffrouw Stahl," sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van

den wever: "gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen

mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer

hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de

mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is:

men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een

goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd

aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft."

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 14 / 26 题