TIENDE HOOFDSTUK.

Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een

appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn

vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij

eene erge zondares is.

Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en

zeide: "Weber, wat beteekent dit?" Frits Sahlmann is er niet, mamsel

Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen

en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij

van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur

is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen

bezem over 't gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een

paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis,

en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan,

en ze weten niet waar ze zijn."--"Dat is eene wonderlijke zaak,

zegt de oude heer.--"Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? 'k

Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man,

maar hij steekt zijn' neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs

is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.--Zeg eens,

Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?" "Weber,

wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake

wezen."--"Nu, dan de slimste, die 't meest bij de hand is."--"O,

dan is 't Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond,

en haar mondwerk nog veel beter."--"Roep haar dan eens binnen."

Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern,

zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar

zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.--Nu stond zij

echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte

aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een

soort van verhoor zou worden.--"Alzoo," begon de oude heer, "tot de

waarheid vermaand, en zoo voorts,--Fiek Besserdichs, wat weet je van

mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!"--Fieken vertelde nu,

wat zij wist, en wat wij weten.--"Dus," sprak de oude heer, "heeft ze

bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?"--"Weber,

wat praat je toch?" viel zijne vrouw hem in de rede.--"Netje lief,

elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet

komen.--En geloof je niet," zoo vroeg hij aan Fieken, "dat zij met

den raadsheer Herse weggeloopen is?"--"Neen, mijnheer; op de vlucht

is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb

ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr

terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met

onze paarden, tot voorspan, maar--" en hier sloeg zij hare oogen op, en

het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, "maar mijnheer

de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst." "Zoo,"

vroeg de oude heer, "heeft hij de plaat gepoetst?" "Ja, mijnheer,"

zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, "en hij heeft al de anderen

ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort

aangewezen." "Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen

hem krijgen, zullen ze 't hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig

geslacht, jelui, Besserdichs.--Netje, help me eens aan dien bengel,

dien Frits Besserdichs, denken.--En waar is Frits Sahlmann?"--Nu was

Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar

heel langzaam aan. "Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij

al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik 't gedaan had. En,

mijnheer de baljuw, ik kon 't niet helpen, want ik woû maar eventjes

om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen

liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de

keuken."--"En heb je hem van morgen verder gezien?"--"Ja, mijnheer,

toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen

hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch,

en naderhand fluisterden zij te zamen." "Hoogduitsch? Frits Sahlmann

hoogduitsch? Wat heeft die lummel in 't hoogduitsch te praten? Wat zei

hij dan?"--"Hij zei: "Redding nadert.""--"Zoo! en kwam naderhand de

raadsheer?" "Ja, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem

in 't gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen."--"'t Is toch eene

wonderlijke zaak!" riep de oude heer uit en hij liep op en neêr,

wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den

zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: "Netje, de zaak wordt

mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst

gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een

of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt

heeft."--"Laat haar dan begaan, Weber." "Dat gaat niet, Netje; zij

moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den

horlogemaker en voor den molenaar; 't kan die beiden anders den hals

kosten.--Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was,

die weet van de heele zaak af.--En jij weet niet, waar hij is, Fiek?"--

"Neen mijnheer."--"Nu, dan kunt gij heengaan."

Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch,

daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door

het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich

haastig weder om en zeide: "Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij

is."--"Wel, waar dan?"--"Kijk, daar zit hij." "Waar?" vroeg de oude

heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen,

slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.--"Dáár, mijnheer de

baljuw,--dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van

de keuken staat."--"Waarachtig! ja!--Dat is toch eene wonderlijke

zaak!--Netje, in den winter!--Als 't in den herfst was, als er

appelen aan den boom zijn;--maar Netje, in den winter!"--"Och, Weber,"

zeide zijne lieve vrouw, "hij oefent zich zeker daar maar op."--"Fiek

Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?" vroeg de oude

heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.--"Wel, mijnheer,

hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is,

dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen

meê tegen 't luik van den rookzolder."--"Netje, tegen onzen zolder! Wat

zou hij daar uitvoeren, Netje?"--"'k Weet het niet, Weber; maar 't zal

mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn."--"Kijk

eens, kijk eens.--Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een

prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. 's Zomers appelen, en 's

winters worst!"--Dit zeggende maakte hij het venster open en riep:

"Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in

den regen verkouden kunnen worden."

Men zegt, dat het bekende dier, 't welk luiaard genoemd wordt, zeven

dagen noodig heeft, om in een' boom te klimmen en zeven dagen, om

er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann

juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde

toch lang genoeg, en van wege zijn' broek klauterde hij zeker niet

zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar,

dat hij ernstig aan 't overleggen was, of hij zou komen, of op den

loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich

menigmaal slechts een beetje op.--"Fiek, wat doet hij daar achter het

kruisbessenboschje?" vroeg de oude heer.--"Wel, mijnheer, hij heeft

daar zeker wat achter gegooid."--"Zoo?--Dat is dan iets anders.--Nu,

Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en

pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt."--Fieken

ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij

kwam.--"Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je

al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is,

om als 't regent, buiten te zitten; neem, als 't weêr gebeurt, een

parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook

wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een' regenbui in

een boom te klimmen; zoek in 't vervolg een drogen tijd van 't jaar

daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?"--"Och,

mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens."--"Hm," hernam de oude

heer, "die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû:

heb je niets van mamsel Westphalen gezien?"

Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde

zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: "Neen, mijnheer de

baljuw."--"Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat

weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu 't pleizier eens,

en kijk me nu eens flink in de oogen."--Frits Sahlmann deed hem dit

pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer

scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide:

"Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens

uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,--zoo'n klein stokje,

zooals een--als een--nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan

heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep

Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr

te krijgen.--Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan."

Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in

eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de

menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de

eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden

heer bij zijn voornemen een' steen in den weg zou leggen, en ten

tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had

daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen

niets weten, namelijk zoo'n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke

gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan

ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den

tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den

juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was,

de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met

inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging

en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene

worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier

zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den

hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg,

en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen,

Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede

verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook

bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die

haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar

in 't bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok,

en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.

"Fieken," zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, "gij

kunt nu heengaan, mijn kind!--Netje!" zeide hij tot zijne lieve

vrouw, en hield de worst voor hare oogen, "dat noemen wij een corpus

delicti."--"'t Is mogelijk, Weber, dat ze in 't Latijn zóó heet; wij

zeggen er metworst tegen."--"Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig

verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?"--"Ja, Weber, ik ken

ze aan den band."--"Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?"

Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam

blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den

steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de

worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van

zijn' rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht,

en dat was ook maar zóó--zóó; de baljuw had het al eens aan 't klappen

gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide:

"Ze is mij gegeven."--"Dat jokt ge!" was het driftig antwoord van de

vrouw van den baljuw; "je hebt ze met een stok van den rookzolder

gehaald."--"Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!--Frits,

wie heeft je die worst gegeven?"--"Mamsel Westphalen."--"Frits,

wáár?" "Toen ik in den boom zat."--"Zat zij daar dan bij jou?" "Neen,

zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan

den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen."--"Maar je

hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen

was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen." "Mijnheer de baljuw, och,

sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben

samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch,

ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was."--"Krijg je

bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits,

en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt." En

met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den

stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was 't nu

hoog tijd daartoe, en--de hemel deed het.

Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam

binnen met: "'t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak

stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer

de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder

te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar

getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht."--"Ik kom dadelijk,

mijn lieve Luth,--Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann,

haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel

op den rookzolder, en breng haar beneden."--Hoe vlug bracht Frits

Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te

komen! "Mevrouw," zeide hij, "ik moet meêgaan; alleen voor u maakt

zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze

zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet." Zoo liep hij dus

vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.

Frits klopte aan de deur: "Mamselletje, doe open, ik ben 't!"--Geen

antwoord.--"Mamselletje, wel, wel! Zuur varkensvleesch!"--Geen

antwoord.--"Mamselletje, de Fransozen zijn weg!"--Toen liet zich wat

hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: "Frits Sahlmann, ge zijt

een befaamde leugenaar.--Leid mij niet in verzoeking!"--Middelerwijl

riep nu ook de vrouw van den baljuw: "Westphalen, doe open! Ik ben het,

uwe meesteres."--"Ik kan mij niet voor u vertoonen," riep de stem,

"'k ben eene zondares, eene erge zondares!"--"Doe maar open; dan komt

alles weder te recht."

Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk

open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen

liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog

niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe

het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene

corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast

zeggen, daar stond zij als "een geknakt riet."--"Mevrouw Weber," zeide

zij, "ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer

dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik

u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders

gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.--"Och, Westphalen,

laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!"--"Geen stap doe ik,

mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!--Zie! gij weet het, ik ben

op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze

bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer

en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk

dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe

't met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten,

en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip

en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want,

verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen

en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai

over den afgrond. "Jongen," zeg ik, "Frits Sahlmann, wilt ge wel uit

den boom komen!"--Toen grijnst die jongen mij aan. "Jongen," roep ik,

"ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te

zien." Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt:

"Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den

raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien,

en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken." Mevrouw

Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot;

maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen

was nog grooter. "Jongen," riep ik, "klim den boom uit!" Zie toen

grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: "Ja, als

gij mij eene worst geeft." En daarop begon hij allerhande grappen te

maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool,

zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw,

dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde

van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom

vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor

hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den

boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had,

dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is,

mevrouw, en daar blijf ik bij."--"Laat dat maar rusten, Westphalen;

hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter

niet ontkomen."

Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder

af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap,

in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. 't Kostte nu veel moeite,

mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis

te gaan--"in den geopenden leeuwenmuil," zeide zij. Zij wilde lijden,

wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid,

en in eere was geschied;--maar, om voor al dat vreemde manvolk te

staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven

hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de

baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê,

want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar

in de kamer geslapen had.

Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen

naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een' doek en eene

warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden,

in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena'schen

"Ziegenhainer" [5] in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van

zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: "Netje, zij heeft gelijk;

dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje," en hij snoof zoo'n

beetje in de lucht rond; "'t ruikt hier zoo naar gerookte paling;

is de oude Neils uit Gulzow met zijn' paling hier geweest?"--"Wat

praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het

uur op den rookzolder gezeten."--"Dan is 't iets anders!" zeide de

oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra

mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van

mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand

sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog

mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: "Fieken, als wij op de

markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem,

dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen,

want ik kon in flauwte vallen."

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 13 / 26 题